Katholieke Stichting Medische Ethiek
11 augustus 2022

Stamcellen: welke therapeutische toekomst hebben ze ?

GenethiqueGènéthique, 16 september 2006

The International Congress “Stem Cells: What Future for Therapy?” in Rome, organized by the Pontifical Academy for Life and by the World Federation of Catholic Medical Associations, is just finished and many subjects have been discussed.

According to what was expected, sessions were extremely interesting and rich of stimuli for the debate which is crossing the media and society. Contrary to what has been spread by propaganda, “The hope to cure with embryonic stem cells such complex diseases as Alzheimer or Parkinson is very scarce”, Prof. Silburn (Australia) stated. In fact, it does not seem possible that diseases which involve most of the brain can be cured with the transplant of only one cellular line. The use of adult stem cells is more promising also for the necessary complex functional connections of the brain, while the big turn – as Prof. Vescovi from Milan stated – could come from the stimulation of the stem cells residing in the brain itself, through adequate growth factors. Vescovi also set forth the hypothesis that genic therapies are possible through the “infection” of stem cells residing in the ependyma with viruses able to correct DNA defects.

During the debate with the participants, Prof. McGuckin from Newcastle University stated that “it is contrary to a correct scientific methodology to turn to research on human embryonic stem cells without first having solved, with studies on animals, the problems they present”. The British scholar underlined the absurd costs of the protocols using human embryonic stem cells, and yet to this day no significant results have been reached, while today there already exist experimental therapies with cells from the umbilical cord for over 70 diseases.

Silburn also mentioned the DNA instability problems of embryonic stem cells, which together with theratogenesis and immune reactions make their use in any clinical condition very problematic.

With reference to the clinical applications of adult stem cells, the talks by MacKay-Sim (Australia) on the therapy of genetic diseases, by Strauer (Germany) on the therapy of cardiac diseases and by Hess (USA) on the therapy of neurological diseases were very interesting. At the horizon, there is the possibility to cure with adult stem cells, intravenously, even widespread diseases such as stroke.

The images that Professor Lima from Portugal presented were especially touching: the motor progress, up to autonomous walking of paraplegic patients due to spinal traumas, cured with adult stem cells of the olfactory mucosa.


Prenatale diagnostiek moet op politieke agenda

Persbericht Academisch Medisch Centrum, 22 juni 2006

Ook vanuit de hoek waar bescherming van het menselijk leven niet primair centraal staat, wordt een roepstem gehoord om het aantal prenatale testen en dus de mogelijkheid van (late) zwangerschapsafbreking niet ongelimiteerd te laten toenemen. Wel blijkt dat als de bescherming van het leven niet primair het uitgangspunt is, het moeilijk is te bepalen wie met welke beperking wel ter wereld mag komen en wie niet. (webredactie SME)

Op korte termijn komen nieuwe testen beschikbaar voor prenataal onderzoek. Dat maakt gerichtere diagnostiek mogelijk en kan het aantal onverwachte uitslagen van chromosoomonderzoek sterk terugdringen. ‘Zowel medici als beleidsmakers zullen belangrijke keuzes moeten maken over het doel van prenatale diagnostiek’, aldus cultuurpsycholoog Myra van Zwieten, die komende week promoveert.

Zwangere vrouwen boven de 36 jaar kunnen in Nederland prenataal onderzoek laten uitvoeren vanwege hun verhoogde kans op een kind met Downsyndroom (trisomie 21). De huidige technieken, vlokkentest of vruchtwaterpunctie, brengen echter ook andere chromosoomdefecten aan het licht, waarvan niet altijd duidelijk is wat de consequenties zijn voor het kind. Deze technieken vereisen namelijk een analyse van alle chromosomen, waardoor ook andere afwijkingen worden gediagnosticeerd. Deze situatie plaatst ouders voor een moeilijke afweging: moeten zij de zwangerschap wel of niet afbreken? Hoewel zorgverleners bekend zijn met dit verschijnsel ontbreken niettemin richtlijnen voor het omgaan met ‘onverwachte uitslagen’.

Promovenda Myra van Zwieten, werkzaam bij de afdeling Huisartsgeneeskunde in het AMC, doet in haar proefschrift verslag van een onderzoek naar de beste manier om onverwachte bevindingen in de prenatale diagnostiek te hanteren. Nieuwe testen maken het mogelijk veel gerichter te onderzoeken of een kind Downsyndroom heeft, of een andere ernstige afwijking, zoals trisomie 13 of 18. Invoering van deze zogeheten targeted testing voorkomt dat ouders voor een lastig dilemma komen te staan.

Van Zwieten: ‘De tijd lijkt rijp voor een fundamentele ethische discussie over wat het doel is van prenatale diagnostiek. Wil je zoveel mogelijk chromosoomafwijkingen opsporen? Of alleen de meest ernstige? Uiteindelijk moeten ouders op basis van de uitslag van prenatale diagnostiek beslissen over het afbreken of doorgaan van een zwangerschap. Bij dit proces mogen we ons niet primair laten leiden door de mogelijkheden van de techniek. We kunnen het ook niet alleen overlaten aan de ouders. De medische beroepsgroep en beleidsmakers hebben eveneens een verantwoordelijkheid. De komst van nieuwe technieken is een uitstekende aanleiding om na te denken over welke chromosoomafwijkingen we willen opsporen. Daarnaast moet worden bepaald voor wie de diagnostiek bedoeld is: voor alle zwangeren of alleen voor een geselecteerde groep.’

Myra van Zwieten promoveert dinsdag 27 juni op haar proefschrift The target of testing; Dealing with ‘unexpected’ findings in prenatal diagnosis.


Beëindigen zwangerschap weegt psychologisch zwaar

Persbericht Universiteit van Utrecht, 19 juni 2006

Naar schatting worden in Nederland jaarlijks 550 zwangerschappen afgebroken omdat de baby bijvoorbeeld lijdt aan een ernstige hartafwijking of aan het Syndroom van Down. Bijna eenvijfde van vrouwen die de zwangerschap laten afbreken vanwege foetale afwijkingen heeft anderhalf jaar later nog psychologische problemen. Dit zijn vooral symptomen van posttraumatische stress. Daarentegen heeft slechts 1 tot 3 procent van de ouders spijt van de beslissing. Dit blijkt uit het promotie-onderzoek dat verloskundige Marijke Korenromp uitvoerde aan het UMC Utrecht. Zij promoveert op 21 juni aan de Universiteit Utrecht.

In het onderzoek van Korenromp zijn bijna duizend ouders onderzocht na het afbreken van een zwangerschap. Vier maanden na het afbreken heeft 44 procent van de vrouwen nog psychologische problemen. Die bestaan vooral uit posttraumatische stress-symptomen, maar ook uit rouw en depressieve klachten. Een deel van de vrouwen houdt klachten op zeer lange termijn, twee tot zeven jaar na de zwangerschapsbeëindiging heeft 19 procent nog steeds psychologische problemen.

Ernstige psychische problemen
Vrouwen die in de eerste periode na de afbreking ernstige psychische problemen ondervonden, lopen een groter risico op langdurig moeizame verwerking. Verder blijken zwangeren die erg twijfelen over de afbreking daar later problemen mee te krijgen; net als vrouwen die weinig steun van de partner ondervinden. Overigens ondervinden vrouwen die een zwangerschap laten afbreken vanwege de diagnose Downsyndroom daar niet meer problemen van dan vrouwen die dit doen in verband met bijvoorbeeld een niet-levensvatbare hartafwijking.


Conclusies van 12e mondiale FIAMC congres

XXII WORLD CONGRESS of F.I.A.M.C. “Catholic Physicians, Globalization, and Poverty”
11-14 May 2004, Barcelona, Spain

Conclusions
The 22nd Congress of the World Federation of Catholic Medical Associations (FIAMC) met in Barcelona, representing 78 countries. The theme of the congress was “Catholic physicians, globalisation, and poverty”.

We propose the following conclusions:

  • The current international order condemns entire populations to remain in poverty and misery, which is unjust and against the Will of God.
  • We, Catholic Doctors, reject the kind of globalisation which results in the exploitation of disadvantaged peoples, which exploints their natural resourses, and which results in environmental destruction. We also reject the exploitation of cheap labor in some countries.
  • We reject those aspects of western medicine which promote “medicine of desire” whilst a large part of the world is condemned to remain without basic health care, leading to high rates of maternal and infant mortality and shortened life expectancy.
  • We condemn pressures exerted by international organizations which link aid to the acceptance of unethical reproductive health practices, such as abortion, contraception, and sterilization.
  • We applaud the kind of globalisation which promotes positive values, such as respect for life, and the solidarity between peoples, countries, and classes. This results in breaking down the barriers of marginalization and leads to true promotion of health.
  • We acknowledge that many developing countries have cultural and family values and respect for life which should be accepted by western culture.
  • FIAMC intends to cooperate with international bodies, distance learning programs, and health education programs which promote positive globalisation, which leads to true equity among nations.
  • We will continue to exert pressure on international organizations so that they truly respect human rights.

  • Geselecteerde baby moet behalve nuttig ook gewenst zijn

    NRC HandelsbladNRC Handelsblad, 27 mei 2006

    NRC Handelsblad belicht het verschil dat er m.b.t. embryoselectie tussen België en Nederland kan ontstaan wanneer de Tweede Kamer het huidige kabinetstandpunt overneemt. Het ethische probleem dat bij embryoselectie vele embryo´s die tot gezonde kinderen hadden kunnen uitgroeien worden weggegooid c.q. gedood, komt in dit artikel niet ter sprake. Het argument van de Nederlander prof. Geraedts dat het slechts om enkele gevallen per jaar gaat is niet valide: een ethisch verkeerde handeling wordt niet “minder verkeerd” wanneer deze slechts sporadisch wordt uitgevoerd. (Webredactie SME)


    Euthanasiedebat in België laait op

    RorateRorate, 11 mei 2006

    De afgelopen weken is in België het euthanasiedebat weer in alle hevigheid losgebarsten. Sommigen vinden de tijd rijp voor een uitbreiding van de wet van 2002. Naar aanleiding van de recente ontwikkelingen in het debat laat Braambos op 14 mei (op Eén om 9 uur en op Canvas omstreeks 23 uur) een andere stem horen.

    Kardinaal Danneels, Chris Gastmans, hoofddocent gezondheidsethiek aan de KU-Leuven en Jacky Bottterman, diensthoofd van de afdeling palliatieve zorg van het Sint-Lucasziekenhuis in Gent geven hun mening.

    Kardinaal Danneels: “Als een wet toestaat dat men euthanasie pleegt en men dus echt iemand het leven beneemt – want dat is het toch als we de waarheid willen spreken – dan wordt er een atmosfeer gecreëerd in de maatschappij van onveiligheid, onrust en angst. Ik weet niet meer wat die met mij voorheeft. De familie wordt ook bijna gedwongen daar iets aan te doen. Maar het is veel erger voor de zieke. Die is al eenzaam op zich. Die wordt nog veel eenzamer door de bedenking: ik moet toch echt niet tot last blijven van mijn familie, laat mij er maar een eind aan maken. Hij is dan niet alleen fysisch eenzaam, hij is ook geestelijk en moreel eenzaam. Hij staat er heel alleen voor en zegt: maak het uit want ik kan het niet meer uitstaan dat mijn familie nog lijdt”.

    Chris Gastmans, hoofddocent gezondheidsethiek KU-Leuven: “Ik wil waarschuwen voor een zeer gevaarlijke maatschappelijke tendens: de boodschap geven aan ouderen, dementerenden, zorgafhankelijke ouderen dat zij vooral geen last mogen zijn, geen last voor de samenleving. Want zorg voor ouderen en zorgafhankelijke ouderen kost onze samenleving uiteraard veel geld. Maar ook geen last voor hun naasten. Want de zorg voor zorgafhankelijke ouderen is een belemmering van de autonomie van de naaste. Als we deze indruk geven – en omdat ouderen vooral geen last willen zijn, zijn ze zeer gevoelig voor dit argument – dan zou het wel eens kunnen dat we evolueren naar een plicht tot sterven. Mensen moeten, wanneer ze echt zorgafhankelijk zijn, zelf hun verantwoordelijkheid nemen. Die verantwoordelijkheid zou dan geïnterpreteerd worden als het tot uitvoering brengen van de plicht tot sterven”.

    Dr. Jacky Botterman, Hoofd Palliatieve Zorg, Sint Lucas Gent: “Ik moet toegeven dat mijn visie over euthanasie geëvolueerd is. De palliatieve eenheid van ons ziekenhuis bestaat dertien jaar. Bij de oprichting had ik voor mezelf uitgemaakt dat legalisering van euthanasie maatschappelijk geen goede zaak was. Maar ik dacht toen bij mezelf dat er zeker patiënten zouden zijn waarbij we geen andere optie zouden hebben, dan hen – laat het ons noemen zoals het is – te doden om hun lijden een halt toe te roepen. We zijn nu dertien jaar en meer dan 2000 patiënten verder. Die situatie heeft zich nog niet voorgedaan. Ik ga ervan uit dat die zich waarschijnlijk niet zal voordoen. Dit vraagt heel veel energie. Dit vraagt infrastructuur, maar vooral mensen en middelen”. (tb)


    Kabinet houdt vast aan bedenktijd abortus

    Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 28 april 2006

    Voor vrouwen die een abortus willen, blijft de bedenktijd van minstens vijf dagen gehandhaafd.

    Door aan deze wettelijke bepaling vast te houden heeft een vrouw gegarandeerd genoeg tijd om de gevolgen van haar beslissing voor het ongeboren kind én voor zichzelf te overwegen. Staatssecretaris Ross schrijft dit vandaag aan de Tweede Kamer. Het kabinet stemde vandaag in met de reactie van Ross en minister Donner van Justitie op het evaluatierapport van de Wet afbreking zwangerschap (Waz), dat ZonMw in november 2005 uitbracht.

    In het evaluatierapport stelden de onderzoekers voor om de wettelijke beraadtermijn, de bedenktijd, te laten vervallen. Hoewel voor sommige vrouwen zo’n termijn niet nodig is, laten Ross en Donner ‘het belang van de vrouw die meer dagen nodig heeft om tot een weloverwogen beslissing te komen prevaleren boven het belang van de vrouw die hiervoor minder tijd nodig heeft. Dit te meer omdat de praktijk laat zien dat de termijn van vijf dagen niet tot problemen leidt.’

    Het relatief grote aantal afgebroken zwangerschappen onder allochtone vrouwen blijft voor de staatssecretaris een punt van zorg. In een beleidsbrief die eind 2006 verschijnt, zal Ross aangeven hoe ze wil omgaan met ongewenste zwangerschap bij allochtone vrouwen.

    Kabinetsreactie op evaluatie Wet afbreking zwangerschap (persbericht)
    De ministerraad heeft op voorstel van staatssecretaris Ross van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens minister Donner van Justitie ingestemd met toezending aan de Tweede Kamer van de kabinetsreactie op het evaluatierapport Wet afbreking zwangerschap (Waz). Het evaluatierapport over de Waz is in november 2005 aangeboden aan de staatssecretaris. Uit het onderzoek kwam naar voren dat de wet in het algemeen goed wordt nageleefd.

    De wettelijke vastgelegde beraadtermijn voordat een zwangerschap mag worden afgebroken blijft bestaan. Door het handhaven van deze minimale beraadtermijn van vijf dagen is er de garantie dat de vrouw voldoende tijd krijgt om de gevolgen van de uiteindelijke beslissing voor het ongeboren kind en voor zichzelf te overwegen. In de praktijk blijkt dat deze wachttijd niet tot problemen leidt.

    Tot nu toe valt de afbreking van zwangerschappen tot 16 dagen na het uitblijven van de (verwachte) menstruatie niet onder de Wet afbreking zwagerschap. Toen de wet werd opgesteld, kon in dit vroege stadium nog niet met zekerheid worden vastgesteld of er sprake was van een zwangerschap. Nu kan door een echo wel worden geconstateerd of een vrouw zwanger is. Ongeveer 20 procent van de zwangerschapsafbrekingen is een overtijdbehandeling. De onderzoekers bevelen daarom aan om de overtijdbehandeling onder de wet te brengen. Dit heeft als gevolg dat de vaste beraadtermijn ook gaat gelden voor de overtijdbehandelingen. Deze aanbeveling wordt door het kabinet overgenomen.

    Het aantal vrouwen van allochtone afkomst dat een abortus laat uitvoeren neemt toe. Uit de registratie blijkt dat het abortuscijfer onder Surinamers en Antillianen veel hoger is dan onder de rest van de bevolking. Eind dit jaar verschijnt een beleidsbrief over de preventie op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid. Daarin zal onder andere worden aangegeven hoe ongewenste zwangerschap bij allochtone vrouwen wordt aangepakt.


    Oordeel euthanasie voortaan openbaar

    NRC HandelsbladNRC Handelsblad, 27 april 2006

    door Esther Rosenberg

    De beoordelingen van alle sterfgevallen waarbij euthanasie is toegepast, worden openbaar. Daarmee wordt voor het eerst inzichtelijk gemaakt wanneer artsen euthanasie toepassen en hoe dat gebeurt.


    Advies: verruim wet op embryo’s

    Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en SportPersbericht Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Sport, 9 maart 2006

    De Embryowet, die op 1 september 2002 in werking is getreden, werkt goed. De doelstelling om grenzen te stellen aan handelingen met geslachtscellen en embryo’s wordt bereikt. De systematiek van de wet voldoet in grote lijnen. Wel blijkt dat de wet onvoldoende is toegesneden op wetenschappelijke ontwikkelingen en belemmeringen oproept voor de voortgang van onderzoek op het gebied van belangrijke gezondheidsproblemen. Het tijdelijke verbod op het tot stand brengen van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek moet worden opgeheven.

    Dit staat in de Evaluatie Embryowet die vandaag is aangeboden aan staatssecretaris Clémence Ross-van Dorp van het ministerie van VWS. De evaluatie is in opdracht van het ministerie uitgevoerd door een team van onafhankelijke onderzoekers.

    De Embryowet geeft regels voor handelingen met embryo’s en geslachtscellen. Met de wet is beoogd een goed evenwicht te vinden tussen respect voor de menselijke waardigheid en de belangen van gezondheidsbevordering van zieken en hulp aan onvruchtbare mensen bij het krijgen van kinderen. De wet wordt periodiek geëvalueerd. Het vandaag verschenen rapport is de eerste evaluatie in die reeks.

    Uit het rapport blijkt dat de wetenschappelijk onderzoekers zich goed aan de wet houden en dat ook de praktijk in de Nederlandse centra voor in vitro fertilisatie (IVF) redelijk goed spoort met de doelstellingen van de wet. Toch zijn er wel degelijk knelpunten. Zo heerst onduidelijkheid over de precieze betekenis van wettelijke termen als ‘embryo’ en ‘geslachtscel’. Hierdoor kunnen sommige (toekomstige) vormen van wetenschappelijk onderzoek buiten de wet te vallen. Anderzijds is de wet soms te belemmerend voor het verwerven van meer inzicht in bepaalde ernstige ziekten en de eventuele therapeutische mogelijkheden daarvoor.

    De onderzoekers schrijven verder dat de Embryowet te weinig bestendigheid heeft bij sommige snelle wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. De toetsingsprocedure voor medische ingrepen ter verkrijging van donorgeslachtscellen is volgens de onderzoekers vatbaar voor vereenvoudiging. De toelaatbaarheid van wetenschappelijk onderzoek met foetussen verdient verruiming. Vooral in de IVF-praktijk klemt de vraag in hoeverre de wet ruimte biedt voor het gebruik van geslachtscellen of (rest)embryo’s voor kwaliteitsbewaking en onderwijs. Het is ook onduidelijk welke ruimte de wet laat voor grensoverschrijdende uitwisseling van onderzoeksmateriaal, een activiteit die wenselijk is voor internationale samenwerking op wetenschappelijk en technologisch gebied.

    De Embryowet verbiedt nu om een embryo tot stand te brengen voor elk ander doel dan het bewerkstelligen van een zwangerschap. Dit betekent dat het verboden is embryo’s tot stand te brengen speciaal voor wetenschappelijk onderzoek. Het verbod is tijdelijk. De wet bepaalt dat uiterlijk op 1 september 2007 bij Koninklijk Besluit het tijdstip moet worden bepaald waarop dit verbod vervalt. Het opnemen van deze opheffingsbepaling in de wet berustte destijds op verwachte vorderingen in belangrijk medisch wetenschappelijk onderzoek. Zulke vorderingen zijn inderdaad gemaakt. Ook verschuiven in Europa de opvattingen over wetenschappelijk onderzoek met embryo’s en is de wetgeving in diverse omringende landen verruimd. Het verbod om embryo’s tot stand te brengen blokkeert volgens de onderzoekers veelbelovend wetenschappelijk onderzoek. De Embryowet is al toegesneden op de situatie ná de opheffing van het verbod. De opstellers van het evaluatierapport bevelen daarom aan om zonder verder uitstel tot die opheffing over te gaan.

    In haar dankwoord zei staatssecretaris Ross-van Dorp dat het kabinet in het najaar van 2006 een kabinetsstandpunt zal formuleren.


    Toespraak van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Clémence Ross-van Dorp, bij het in ontvangst nemen van de evaluatie van de Embryowet op 9 maart 2006 in Den Haag (VWS)

    Hartelijk dank mw. Olsthoorn en de andere leden van de evaluatiecommissie voor uw rapport. Uit de conceptversie van het rapport is mij wel duidelijk geworden dat u de evaluatie van de Embryowet erg gedegen hebt uitgevoerd. U gaat in uw onderzoek in op de vele aspecten van de wet en u doet ook een hele serie even relevante als interessante aanbevelingen.

    De Embryowet, dat zal u tijdens de evaluatie wel duidelijk zijn geworden, is geen eenvoudige wet. De wet gaat over een onderwerp dat fundamentele ethische vragen oproept. Bovendien gaat hij over ingewikkelde techische materie die ook nog eens voortdurend in ontwikkeling is. Juist omdát het hier gaat om complexe materie, materie die letterlijk raakt aan de kern van het leven, wil ik de
    inhoud van uw rapport eerst heel goed bestuderen voordat ik er een standpunt over inneem. Ik zal vandaag dus nog niet inhoudelijk reageren op uw bevindingen. Ik ben van plan om dat na de zomer te doen.

    Ik ben overigens blij dat het algemene beeld uit het evaluatieonderzoek positief is. De invoering van de wet is naar verwachting verlopen. Dit vind ik een belangrijke constatering. Bovendien is uit het evaluatie-onderzoek gebleken dat de grenzen die de Embryowet stelt duidelijk zijn. Ook dat vind ik van groot belang.

    Toch heeft u, onderzoekers, bij de evaluatie op sommige onderdelen ook knelpunten geconstateerd. Soms gaat het daarbij om moeilijke en fundamentele kwesties. Kwesties waar je gewoon niet lichtvaardig over kán en mág denken. Dat zal ik dus ook niet doen. Ik doel bijvoorbeeld op het pleidooi voor opheffing van het tijdelijke verbod op het creëren van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek. Dat tijdelijke verbod zou een belemmering vormen voor de voortgang van onderzoek op het gebied van onder meer de voortplantingsgeneeskunde en celtherapie.

    Het zal u waarschijnlijk wel bekend zijn dat in het Regeerakkoord is afgesproken dat dit tijdelijke verbod gedurende deze kabinetsperiode niet wordt opgeheven. Voor mij zal dit punt dus één van de lastigste kwesties worden om daarover tot een afgewogen oordeel te komen.

    Maar dat geldt ook voor andere punten. Bijvoorbeeld voor het voorstel om geslachtsselectie bij dragerschap, door de onderzoekers aangeduid als selectie om indirectmedische redenen, toe te staan. Of om het gebruik van geslachtscellen en embryo’s voor onderwijs en kwaliteitsverbetering vaker toe te staan dan nu volgens de Embryowet mag. Nogmaals: ik kan en wil vandaag nog niet inhoudelijk reageren op deze punten. Daarvoor is deze materie, zoals ik al zei, te complex. Ik wil er eerst goed over nadenken voordat ik met een officiële reactie kom.

    Dat neemt niet weg dat ik veel waardering heb voor het werk van de evaluatiecommissie. U heeft in uw rapport duidelijk aangegeven waar er eventueel veranderingen of verbeteringen in de Embryowet mogelijk zijn. Later dit jaar laat ik weten of uw aanbevelingen voor mij aanleiding vormen maatregelen te nemen. U hoort dus nog van mij.


    Euthanasie ook in katholieke ziekenhuizen in Vlaanderen

    RorateRorate, 8 maart 2006

    De Vlaamse katholieke ziekenhuizen volgen Rome niet meer inzake euthanasie. Dat is het besluit van het eerste onderzoek over de materie door het Centrum voor Biomedische ethiek en recht van de Katholieke Universiteit Leuven. Het bericht staat woensdag in Het Nieuwsblad.

    Het rapport slaat op 2003. Maar één ziekenhuis uit het staal en zes rusthuizen wezen euthanasie toen nog helemaal af. De meeste ziekenhuizen (tachtig procent) hadden integendeel al een geschreven ethische code waarin euthanasie voorzien was. In de rusthuizen was dit veel minder (30 procent). Van de ziekenhuizen die nog geen code hadden, was drie kwart op dat moment een code aan het uitwerken, bij de rusthuizen de helft. Verondersteld mag worden dat intussen alle ziekenhuizen zo’n code hebben, zo meent Het Nieuwsblad.