Katholieke Stichting Medische Ethiek
22 oktober 2021

Advies: verruim wet op embryo’s

Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en SportPersbericht Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Sport, 9 maart 2006

De Embryowet, die op 1 september 2002 in werking is getreden, werkt goed. De doelstelling om grenzen te stellen aan handelingen met geslachtscellen en embryo’s wordt bereikt. De systematiek van de wet voldoet in grote lijnen. Wel blijkt dat de wet onvoldoende is toegesneden op wetenschappelijke ontwikkelingen en belemmeringen oproept voor de voortgang van onderzoek op het gebied van belangrijke gezondheidsproblemen. Het tijdelijke verbod op het tot stand brengen van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek moet worden opgeheven.

Dit staat in de Evaluatie Embryowet die vandaag is aangeboden aan staatssecretaris Clémence Ross-van Dorp van het ministerie van VWS. De evaluatie is in opdracht van het ministerie uitgevoerd door een team van onafhankelijke onderzoekers.

De Embryowet geeft regels voor handelingen met embryo’s en geslachtscellen. Met de wet is beoogd een goed evenwicht te vinden tussen respect voor de menselijke waardigheid en de belangen van gezondheidsbevordering van zieken en hulp aan onvruchtbare mensen bij het krijgen van kinderen. De wet wordt periodiek geëvalueerd. Het vandaag verschenen rapport is de eerste evaluatie in die reeks.

Uit het rapport blijkt dat de wetenschappelijk onderzoekers zich goed aan de wet houden en dat ook de praktijk in de Nederlandse centra voor in vitro fertilisatie (IVF) redelijk goed spoort met de doelstellingen van de wet. Toch zijn er wel degelijk knelpunten. Zo heerst onduidelijkheid over de precieze betekenis van wettelijke termen als ‘embryo’ en ‘geslachtscel’. Hierdoor kunnen sommige (toekomstige) vormen van wetenschappelijk onderzoek buiten de wet te vallen. Anderzijds is de wet soms te belemmerend voor het verwerven van meer inzicht in bepaalde ernstige ziekten en de eventuele therapeutische mogelijkheden daarvoor.

De onderzoekers schrijven verder dat de Embryowet te weinig bestendigheid heeft bij sommige snelle wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. De toetsingsprocedure voor medische ingrepen ter verkrijging van donorgeslachtscellen is volgens de onderzoekers vatbaar voor vereenvoudiging. De toelaatbaarheid van wetenschappelijk onderzoek met foetussen verdient verruiming. Vooral in de IVF-praktijk klemt de vraag in hoeverre de wet ruimte biedt voor het gebruik van geslachtscellen of (rest)embryo’s voor kwaliteitsbewaking en onderwijs. Het is ook onduidelijk welke ruimte de wet laat voor grensoverschrijdende uitwisseling van onderzoeksmateriaal, een activiteit die wenselijk is voor internationale samenwerking op wetenschappelijk en technologisch gebied.

De Embryowet verbiedt nu om een embryo tot stand te brengen voor elk ander doel dan het bewerkstelligen van een zwangerschap. Dit betekent dat het verboden is embryo’s tot stand te brengen speciaal voor wetenschappelijk onderzoek. Het verbod is tijdelijk. De wet bepaalt dat uiterlijk op 1 september 2007 bij Koninklijk Besluit het tijdstip moet worden bepaald waarop dit verbod vervalt. Het opnemen van deze opheffingsbepaling in de wet berustte destijds op verwachte vorderingen in belangrijk medisch wetenschappelijk onderzoek. Zulke vorderingen zijn inderdaad gemaakt. Ook verschuiven in Europa de opvattingen over wetenschappelijk onderzoek met embryo’s en is de wetgeving in diverse omringende landen verruimd. Het verbod om embryo’s tot stand te brengen blokkeert volgens de onderzoekers veelbelovend wetenschappelijk onderzoek. De Embryowet is al toegesneden op de situatie ná de opheffing van het verbod. De opstellers van het evaluatierapport bevelen daarom aan om zonder verder uitstel tot die opheffing over te gaan.

In haar dankwoord zei staatssecretaris Ross-van Dorp dat het kabinet in het najaar van 2006 een kabinetsstandpunt zal formuleren.


Toespraak van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Clémence Ross-van Dorp, bij het in ontvangst nemen van de evaluatie van de Embryowet op 9 maart 2006 in Den Haag (VWS)

Hartelijk dank mw. Olsthoorn en de andere leden van de evaluatiecommissie voor uw rapport. Uit de conceptversie van het rapport is mij wel duidelijk geworden dat u de evaluatie van de Embryowet erg gedegen hebt uitgevoerd. U gaat in uw onderzoek in op de vele aspecten van de wet en u doet ook een hele serie even relevante als interessante aanbevelingen.

De Embryowet, dat zal u tijdens de evaluatie wel duidelijk zijn geworden, is geen eenvoudige wet. De wet gaat over een onderwerp dat fundamentele ethische vragen oproept. Bovendien gaat hij over ingewikkelde techische materie die ook nog eens voortdurend in ontwikkeling is. Juist omdát het hier gaat om complexe materie, materie die letterlijk raakt aan de kern van het leven, wil ik de
inhoud van uw rapport eerst heel goed bestuderen voordat ik er een standpunt over inneem. Ik zal vandaag dus nog niet inhoudelijk reageren op uw bevindingen. Ik ben van plan om dat na de zomer te doen.

Ik ben overigens blij dat het algemene beeld uit het evaluatieonderzoek positief is. De invoering van de wet is naar verwachting verlopen. Dit vind ik een belangrijke constatering. Bovendien is uit het evaluatie-onderzoek gebleken dat de grenzen die de Embryowet stelt duidelijk zijn. Ook dat vind ik van groot belang.

Toch heeft u, onderzoekers, bij de evaluatie op sommige onderdelen ook knelpunten geconstateerd. Soms gaat het daarbij om moeilijke en fundamentele kwesties. Kwesties waar je gewoon niet lichtvaardig over kán en mág denken. Dat zal ik dus ook niet doen. Ik doel bijvoorbeeld op het pleidooi voor opheffing van het tijdelijke verbod op het creëren van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek. Dat tijdelijke verbod zou een belemmering vormen voor de voortgang van onderzoek op het gebied van onder meer de voortplantingsgeneeskunde en celtherapie.

Het zal u waarschijnlijk wel bekend zijn dat in het Regeerakkoord is afgesproken dat dit tijdelijke verbod gedurende deze kabinetsperiode niet wordt opgeheven. Voor mij zal dit punt dus één van de lastigste kwesties worden om daarover tot een afgewogen oordeel te komen.

Maar dat geldt ook voor andere punten. Bijvoorbeeld voor het voorstel om geslachtsselectie bij dragerschap, door de onderzoekers aangeduid als selectie om indirectmedische redenen, toe te staan. Of om het gebruik van geslachtscellen en embryo’s voor onderwijs en kwaliteitsverbetering vaker toe te staan dan nu volgens de Embryowet mag. Nogmaals: ik kan en wil vandaag nog niet inhoudelijk reageren op deze punten. Daarvoor is deze materie, zoals ik al zei, te complex. Ik wil er eerst goed over nadenken voordat ik met een officiële reactie kom.

Dat neemt niet weg dat ik veel waardering heb voor het werk van de evaluatiecommissie. U heeft in uw rapport duidelijk aangegeven waar er eventueel veranderingen of verbeteringen in de Embryowet mogelijk zijn. Later dit jaar laat ik weten of uw aanbevelingen voor mij aanleiding vormen maatregelen te nemen. U hoort dus nog van mij.


Euthanasie ook in katholieke ziekenhuizen in Vlaanderen

RorateRorate, 8 maart 2006

De Vlaamse katholieke ziekenhuizen volgen Rome niet meer inzake euthanasie. Dat is het besluit van het eerste onderzoek over de materie door het Centrum voor Biomedische ethiek en recht van de Katholieke Universiteit Leuven. Het bericht staat woensdag in Het Nieuwsblad.

Het rapport slaat op 2003. Maar één ziekenhuis uit het staal en zes rusthuizen wezen euthanasie toen nog helemaal af. De meeste ziekenhuizen (tachtig procent) hadden integendeel al een geschreven ethische code waarin euthanasie voorzien was. In de rusthuizen was dit veel minder (30 procent). Van de ziekenhuizen die nog geen code hadden, was drie kwart op dat moment een code aan het uitwerken, bij de rusthuizen de helft. Verondersteld mag worden dat intussen alle ziekenhuizen zo’n code hebben, zo meent Het Nieuwsblad.


Wereldziekendag: de geesteszieke, een gelovig beeld van God

ZenitZenit, 18 februari 2006

Here is an excerpt of an address Cardinal Javier Lozano Barragán, president of the Pontifical Council for Health Care Workers, prepared for World Day of the Sick. The main events of the World Day were held Feb. 9-11 in Adelaide.

Is the Mentally Ill Patient a Deformed Image of God?

Some Data on Mental Illnesses

1. Current Situation
According to the World Health Organization there are 450 million people in the world affected by neurological or behavioral mental disorders, of which 873,000 commit suicide each year. Mental illness is a true health and social emergency. Twenty-five percent of countries do not have laws concerning mental health, 41% have no defined policy on the issue and in over 25% of health centers patients do not have access to basic psychiatric medication; among 70% of the world population there is less than one psychiatrist for every 100,000 people.

As to dealing with mental disorders, it maybe asserted that in the past 50 years great strides forward have been made, evidence of which are the technological advances in the field, of new psychotic and mental health medicines, which have considerably improved the quality of life of the mentally ill. Nevertheless, the conditions of assistance to mentally ill patients are quite deficient as a result of limited funding, the lack of understanding among authorities, the serious problem of the social stigma that the patients and their families have to face, all of which have serious repercussions on the social support networks in many countries that consequently deteriorate.

The number of “homeless” mentally ill patients has considerably increased in wealthy countries. It is alarming to see how serious mental disorders are simply dealt with using bureaucratic and juridical or legal solutions without in the least taking into consideration the daily needs and the quality of life of patients and their families.

Mental disorders affect more frequently those populations that are less fortunate economically culturally and intellectually. Millions of individuals have to bear on their body and mind the psychological consequences of malnutrition, armed conflicts or natural disasters with their heavy burden of morbidity and mortality. …

What Can Be Done?

1. Mental Disorder in Christian Thought
In Christian thought it is said that these severe mental illnesses reduce man to sad conditions, like a deformed image of God, which is compared to the suffering servant of Isaiah (Isaiah 53:1-7). Yet, apart from that deformation, or rather due to it, the mentally ill person resembles our Lord on the cross; and since the cross is the only way to the resurrection, the mentally ill person, has so to say a superior level, is worthier and reaches such a level of excellence because of the magnitude of his love and the suffering he endures.

2. Is He a Deformed Image of God?
If the above holds true, I would like to move a step further and venture a statement that might shed light on the issue, from the point of view of moral theology. The statement is that: the mentally ill person is not a deformed image of God but, rather, a faithful image of God, our Lord.

Such a statement intuitively finds confirmation in the thought of our Lord when he says: “The Kingdom of God is within you” (Luke 17:21) and “what comes out of the mouth proceeds from the heart, and this defiles man” (Matthew 15:18). “For from within, out of the heart of man, come evil thoughts, fornication, theft, murder, adultery, coveting, wickedness, deceit, licentiousness, envy, slander, pride, foolishness. All these evil things come from within, and they defile a man” (Mark 7:20).

The Kingdom of God, the existence of the Holy Trinity in each one of us, may be found in our heart, the heart seen as the ultimate source of decisions that give form to our whole existence; not only that which was previously defined as the fundamental option, but also the whole meaning of this option, with all the actions we perform to realize it. In other words, the heart represents all our dynamism at the service of the mission that God has entrusted to us.

The Kingdom of God enters into the loving knowledge and in the decision made in the deepest intimacy of our person, which are then realized by the power of the Holy Spirit, who leads us by the hand like Children of God, and by the total collaboration that give form to our existence, according to the Law of God. If we want to separate from the Kingdom of God, we can do so only with an evil heart, to which Christ our Lord refers, and from which all the sins come.

3. Faithful Image of God
Therefore, once the mental illness has caused such a disorder as to take away from the mentally ill patient any responsibility for his actions — qualifying them as separation from the divine will, as a sin — the mental patient cannot separate from God. In other words, the image of God in him cannot be distorted. In this case his knowledge or his volitive option is no longer sufficient to motivate any human action that separates him from God. His bodily and psychic conditions do not allow him to commit a grave sin, given that in his state of disequilibrium he does not have that full knowledge and ability of assent required to sin.

If we approach the argument from this point of view, whereby the mentally ill patient does not have the knowledge or the faculty of full consent required to commit a mortal sin, his is not a deformed image of God, since that image can only be deformed by sin. Certainly, it is the suffering image of God, but not a deformed image. He is a reflection of the mystery of the victorious Cross of the Lord. Inspired by the image of the Suffering Servant of Yahweh (Isaiah 53:1-7) we are drawn to a conscious act of faith in the suffering Christ.

It is not by chance that in the old popular Mexican language, a mad person was called “bandito,” that is, “blessed”; […] without the full use of reasoning, he was unable to commit sin and was, therefore, destined to eternal life. It is true that the objective disorder of sin and its consequences are manifest in the mentally ill patient; however, at the same time, there is in him the historical equilibrium of the only possible order, the order and equilibrium of the Redemption.

This is not comprehensible to a secularized mentality; it is only understood within the context of Christian optimism, which stems from a reasoned faith that tells us how in such circumstances our obligations towards a mentally ill person, on one hand, satisfy our duty to see the suffering Christ in the poor and less protected; and on the other hand the idea of seeing in the patient the love of God who has indicated him as his chosen one, in the sense that he shall not be separated from Him.

He is therefore a proof of the crucified love of God. Hence, the best thing we can do is to give them a treatment of love. Since the mentally ill patient is also the image of the resurrected Christ, we have the obligation of being the “Good Samaritan,” that is, providing all that is necessary for his care.

We need to think about a series of treatments that should be devised to pull these patients out of the prostration that is all the more painful the deeper the psychic suffering is. In fact these patients often lose the sense of human relations and feel persecuted by a hostile surrounding environment; or the subjectivity of the environment disappears and for them people become many objects, or are indifferent or even real threats to their security.

4. Treating the Mentally Ill
The treatment for a mentally ill patient should be a treatment of loving care, tenderness and kindness, in order to help him cope with his imaginary world, perceived as an enemy, a world in which he often drowns.

The treatment, which should be personalized and of maximum quality, requires also maximum diligence in prescribing treatments and most appropriate medicines. It will draw from all the resources made available by science, be it from medical and technical arts or from the research that is always progressive looking for the most adequate medicaments from the psychosomatic point of view.

Practical Lines of Action
In this perspective, allow me to suggest some guidelines for practical interventions, which will help us offer a loving care to the mentally ill:

General Interventions:

— Establish, in the education systems, solid religious foundations that help one to work out clear and stable horizons, to be followed for a lifetime.
— Be aware of the system of values underpinning the whole human life and make reference to it, especially to avoid that mental illness is lived with anxiety, sadness and desperation.
— Fight against relativism, consumerism, pseudo-culture of instinctive desires and pansexualism.
— Promote the dignity of mentally ill patients.
— Foster a healthy development of the child, including his brain functions.
— Make awareness programs on mental illnesses for the society so that people may know about them and prevent them.
— Exhort religious orders and congregations, whose charisma it is to take care of these patients, not to waver in their commitment and to dedicate particular care to them, given the particular emergency that this illness presents.
— Support these patients with the administration of sacraments where this is possible.
— Enlighten and console the mentally ill with the Word of God, if their mental and physical condition allows it.
— Be aware of the fact that the rehabilitation of a mentally ill patient is a duty of the whole society together, within the context of solidarity that shows preference for those who are most in need.
— Promote a social and physical environment that favors human relations and for the mentally ill patients a sense of belonging to a concrete community. …

Conclusion
Remembering that sentence engraved on the lintel of a German hospital “Infirmis sicut Christo” — to the sick as to Christ — I would like to conclude my reflection insisting on this image of Christ suffering in the depth of his soul, full of pain and affliction, yet he succeeds in transforming this evil into a source of life, since his pain and suffering constitute the nucleus of his Resurrection, and therefore our salvation.

Our way of approach to the mentally ill is a difficult test for our faith. Handling them effectively means professing our faith in the agonizing and suffering Christ, but at the same time victorious. This is the sense of today’s celebration of the World Day of the Sick, dedicated to the mentally ill patients.


Mgr. A. Hurkmans noemt beschermwaardigheid van het leven wezenlijk

Kersttoespraak mgr.drs. A.L.M. Hurkmans na het kerstconcert op 19 december in de Sint-Jan te ’s-Hertogenbosch

U heeft dit weekend kunnen vernemen dat CDA minister Donner van Justitie door de parlementaire pers is gekozen is tot politicus van het jaar 2005. Donner is recht door zee, standvastig en goed in debatten, aldus het juryrapport. Hij houdt zijn rug recht en is onverstoorbaar. Dat wil overigens niet zeggen dat de minister een teruggetrokken leven leidt. Het aantal spoeddebatten waar hij ogenschijnlijk op zijn gemak naar toe fietst, is niet van de lucht.

Aan het einde van dit indrukwekkende kerstconcert wil ik u niet lastig vallen met politieke beschouwingen. Maar wat mij opviel bij de verkiezing van minister Donner is, dat blijkbaar niet zijn imago doorslaggevend is maar zijn consistente manier van optreden. En wat imago betreft vertonen politiek en kerk op dit moment overeenkomsten, zij het dat er ook duidelijke verschillen zijn.

Zoals u weet waren deze zomer de Wereldjongerendagen in Keulen. Meer dan een miljoen jongeren kwamen in hun vakantie samen rond paus Benedictus XVI. Uit Nederland gingen er zo’n 4.000 jongeren naar Keulen. Voor mij als bisschop is dat een hoopvol teken. Jongeren die tegen alle beeldvorming in, gewoon hun hart volgen en op reis gaan. Identiteit wint het hier van imago.

De katholieke Kerk wil in onze samenleving een tegenbeweging van liefde zijn. Voor velen wringt dat met de moraal die de katholieke kerk verkondigt. Ze komt op voor de beschermwaardigheid van al het menselijk leven, ondanks wetgeving in Nederland die daar fundamenteel anders over denkt. Tegen maatschappelijke tendensen in, pleit ze voor huwelijk en gezin. Datzelfde geldt voor haar visie op seksualiteit. Velen noemen dit traditionele waarden, ik noem ze wezenlijk. Ik ben ervan overtuigd dat ze de mens gelukkiger maken.

De Nederlandse samenleving van nu is multicultureel en multireligieus van aard. Dat is de realiteit. Het vraagt ook van de katholieke kerk een herpositionering. Te beginnen bij ons zelf. Voor veel katholieken is hun katholieke identiteit levensvreemd geworden. We praten er als ‘katholieken-van-huis-uit’ nog wel over, maar het raakt ons vaak niet wezenlijk meer. Er wringt blijkbaar iets tussen identiteit en imago. Toch wil de kerk van nu graag met u blijven meedenken over maatschappelijke, ethische en religieuze vraagstukken. Wat is de waarde van het menselijk leven? Ben ik maar een vergankelijk stipje in het heelal of is er werkelijk leven na de dood? Wie is God en waar is Hij dan? Zijn alle godsdiensten en levensovertuigingen eigenlijk niet een pot nat? Ook wil de Kerk concreet naast u staan op de knooppunten van het leven. Bij geboorte, huwelijk en in tijden van ziekte en sterven.

Kerstmis staat voor de deur. God is ruim 2000 jaar geleden voor ons mens geworden. Uit liefde voor ons stuurde hij zijn Zoon Jezus Christus naar ons toe. Hij ging ons voor in lijden en dood en verrees uit die dood om eeuwig te leven. Dat eeuwige leven is ook voor u en mij weggelegd. Gelooft u nog in de hemel of denkt u dat alles voorbij is wanneer u overleden bent? In het christendom liggen de wortels van onze beschaving. Laten we daar niet achteloos mee omgaan of doen alsof ze maar van geringe betekenis zijn. Of het nu gaat om de toekomst van Europa, de menswaardigheid van het nieuwe zorgstelsel of de beschermwaardigheid van het menselijk leven. Ik hoop dat u van dit prachtige concert heeft genoten en dat u zich na afloop in een ontspannen sfeer kunt onderhouden over de christelijke wortels van onze cultuur. Het zou mij een genoegen zijn wanneer u niet alleen het imago van die cultuur een rol laat spelen, maar zeker ook uw eigen identiteit inbrengt in het debat.

Dank voor uw aandacht!


Vaticaan veroordeelt omstreden experiment

VATICAANSTAD – RKnieuws.net Het Vaticaan heeft vrijdag de plannen veroordeeld van wetenschappers om in Groot-Brittannië een menselijke embryo te maken met het DNA van twee moeders.

Volgens Mgr. Elio Sgreccia, de voorzitter van de Pauselijke Academie voor Wetenschappen, gaat het om een experiment waarvan het nut nog moet bewezen worden. Vanuit moreel standpunt is het strijdig met minstens drie geboden.

Wetenschappers van de Universiteit van Newcastle kregen donderdag groen licht om het experiment uit te voeren. Volgens Mgr Elio Sgreccia is er bij dit experiment echt sprake van klonen. “Men gaat een nieuw embryo scheppen en inplanten bij een vrouw, die een vervangmoeder wordt. Daardoor neemt men vanuit ethisch standpunt een loopje met een hele boel verboden. Daarom is het experiment, niet alleen vanuit een katholieke invalshoek, afkeurenswaardig.”


Sterfwens in helft gevallen ingewilligd

NRC HandelsbladNRC Handelsblad, 9 augustus 2005

Van de patiënten die hun dokter om euthanasie of hulp bij zelfmoord vragen, sterft uiteindelijk bijna de helft (44 procent) op die manier.


Abortus steen des aanstoots Millenniumdoelen Verenigde Naties

Stichting Medische EthiekDe afgelopen weken hebben de acht milleniumdoelen van de Verenigde Naties veel belangstelling getrokken. De topconferentie van de G8 was voor het Nederlandse Platform Millenium Doelen aanleiding een actie te starten met witte armbandjes en witte vlaggen. Het onderwerp dat met name de media haalde was de armoedebestrijding; dat ook het recht op abortus onderdeel van een doelstellingen is, kwam minder vaak voor het voetlicht.

Het vijfde milleniumdoel betreft “universele toegang tot reproductieve gezondheidsdiensten”. Reproductieve gezondheidsdiensten staan voor vrije toegang tot (veilige) abortus en anticonceptieve middelen. De Verenigde Staten en het Vaticaan worden met name genoemd als tegenstanders van seksuele en reproductieve rechten. Hen wordt verweten dat men weerstand biedt tegen abortus en dat men met het promoten van de zogenaamde ABC-methode verbetering van seksuele en reproductieve gezondheid in de weg staat. De ABC-methode staat voor Abstinence, Be Faithful, Condomise: onthouding is voor iedereen die niet is getrouwd, huwelijkse trouw voor iedereen die dat wel is en condooms alleen voor risicogroepen. “Voor veel vrouwen en meisjes is onthouding geen optie. Zij kunnen seks vaak niet weigeren noch het gebruik van een condoom eisen. Onthoudingsprogramma’s geven meestal geen informatie over veilig seksueel gedrag. Soms verspreiden ze zelfs foutieve informatie, bijvoorbeeld dat condooms niet beschermen tegen HIV of zwangerschap”, aldus het Platform Millenium Doelen.

In het Platform participeren een aantal organisaties (o.a. Cordaid) die zich – naar eigen zeggen – laten inspireren door de katholieke sociale leer. Over de katholieke moraal wordt niet gesproken.

Het is logisch dat – in bijvoorbeeld het [url=www.katholieknieuwsblad.nl]Katholiek Nieuwsblad[/url] – de discussie wordt gevoerd of bisdommen middels het laten wapperen van een witte vlag de onjuiste indruk moeten wekken dat de de R.K. Kerk integraal de Milleniumdoelen ondersteunt. Ongetwijfeld zijn onderdelen – bijvoorbeeld armoedebestrijding – nastrevenswaardig: milleniumdoel 5 over seksuele en reproductieve rechten staat haaks op de beschermwaardigheid van het ongeboren leven en de plaats van seksualiteit in het huwelijk zoals geformuleerd in de Leer van de Kerk.

 


Menselijke waardigheid niet genoemd in EU Raamwerk Wetenschappelijk Onderzoek

ComeceDe commissie van R.K. Biscchoppen in de EU (COMECE) betreurt het dat in het zevende Raamwerk Wetenschappelijk Onderzoek van de Europese Commissie geen grenzen aan onderzoek worden gesteld op basis van menselijke waardigheid. Dit betekent dat onderzoeksprojecten betreffende kloneren, embryo-onderzoek en embryonaal stamcelonderzoek niet bij voorbaat van subsidiering uitgesloten zijn.

Press release COMECE – 7 April 2005

Research in the light of human dignity
The Commission of the Bishops’ Conferences of the European Community (COMECE) is disappointed that the Commission proposal for the 7th Research Framework Programme of the 6 April does not contain any clear ethical limits for jointly funded EU research projects.

Mgr. Noël Treanor, the Secretary General of COMECE gave this initial reaction to the European Commission’s decision of 6 April: “COMECE supports the development of European research policy and underlines the importance of research both for the individual and for society. Research must serve the common good. COMECE welcomes the European Commission’s objective to co-ordinate and improve European research capacities. Thus it makes sense to significantly increase the research budget. At the same time, however, COMECE reiterates that research finds its limits in the inviolable dignity of human life. For this reason– and also in view of the legal situation in several member states –the instrumentalisation of human life, independently of its stage of development, is not acceptable.

In the 7th Research Framework Programme research areas are being determined as common priorities through joint financing. It is regrettable that the European Commission did not take into account the fundamental ethical objections regarding research areas such as cloning, human embryo and embryonic stem cell research; areas where there is no consensus about the ethical issues concerned in and among the member states. That ethical considerations were not explicitly taken into account is all the more difficult to understand as the European Parliament, in its resolution dated 10 March 2005, explicitly requested that the European Commission excludes research with human embryos and embryonic stem cells from joint financing under the 7th Research Framework Programme.

COMECE hopes that the position of the European Parliament will be fully taken on board in the course of the co-decision procedure and that the protection of human dignity will be given clear priority.”

COMECE is a commission of the Catholic Bishops’ Conferences of the member states of the European Union.


Kardinaal Simonis: Keuze Johannes Paulus II tegen ‘cultuur van de dood’ zal profetisch blijken

De aartsbisschop van Utrecht en voorzitter van de Nederlandse bisschoppenconferentie Kardinaal dr. A.J. Simonis noemt in zijn perscommuniqué naar aanleiding van het overlijden van paus Johannes Paulus II diens principiële keuze voor de beschermwaardigheid van het menselijke leven “profetisch”.

“De onvervreemdbare waarde van iedere mens vertaalde deze paus ook in een principiële keuze voor de beschermwaardigheid van het menselijke leven, van de conceptie tot het einde toe. Juist wanneer een mensenleven het meest kwetsbaar is, vraagt het doen van gerechtigheid een onvoorwaardelijke inzet voor het behoud en de bescherming van het leven. Zijn kritiek op een ‘cultuur van de dood’, waarin abortus en euthanasie als legitieme en aanvaardbare handelingen een plaats krijgen, zal in de toekomst profetisch blijken”.

Volledige tekst van het persbericht bij het overlijden van Paus Johannes Paulus II

Perscommuniqué
Naar aanleiding van het overlijden van paus Johannes Paulus II verklaren de Nederlandse bisschoppen het volgende:

Met droefheid hebben de Nederlandse bisschoppen kennis genomen van het overlijden van paus Johannes Paulus II. Tegelijk willen de bisschoppen van Nederland hun dankbaarheid uiten voor een leven dat gedragen werd door Gods genade in dienstbaarheid aan Jezus Christus en Zijn Evangelie, aan de Kerk en aan de wereld.

De uit Polen afkomstige Karol Wojtyla was, na de enige Nederlandse paus Adrianus VI (1522-1531), de eerste niet-Italiaanse paus. Op 16 oktober 1978 werd hij geroepen om het Petrus-ambt op zich te nemen. Hij noemde zich naar zijn voorganger die slechts 33 dagen paus was en die als Johannes Paulus I de namen van de initiatiefnemer van het Tweede Vaticaans Concilie (paus Johannes XXIII) en de voltooier ervan (paus Paulus VI)programmatisch in zich verenigde.

Paus Johannes Paulus II nam deze naamcombinatie bewust van zijn voorganger over, omdat hij het als zijn roeping en zending zag om Vaticanum II in zijn volle breedte en diepte te doen implementeren in de Kerk, als baken op de weg naar het derde millennium. Het pontificaat van de overleden paus werd gekenmerkt door de stelselmatige en consequente verwijzing naar en uitwerking van dit Concilie. Zijn jarenlange wekelijkse catecheses, het vernieuwde kerkelijk wetboek van 1983, de Codex van de Oosterse Kerken in 1990, de Katechismus van de Katholieke Kerk en de 14 grote encyclieken van deze paus vormen er een monumentaal getuigenis van.

Schijnbare tegenstellingen
Johannes Paulus II zal zonder twijfel als één van de grote pausen de geschiedenis ingaan. Met zijn heengaan is dan ook een einde gekomen aan een pontificaat van een man, die door de katholiek geworden publicist André Frossard een ‘gigant’ werd genoemd. De talrijke publicaties over deze paus stemmen overeen in de vaststelling dat hij een bijzonder groot mens was, gezegend met zeer vele talenten en dimensies. Zo was hij een mysticus, een man van een diepe gebedscultuur en van contemplatie. Tegelijkertijd liet hij zich kenmerken door een onvermoeibare missionaire ijver en inzet, die de ondertoon vormden van de talloze pastorale en apostolische reizen naar alle delen van de wereld. Hij was een man van de traditie, maar tegelijkertijd van vele gedurfde initiatieven waarmee hij Kerk en wereld tot op hoge leeftijd bleef verbazen. Het schijnbaar tegenstrijdige in hem werd bijeen gehouden door een ijzersterk karakter en een daaruit voortkomende principialiteit en wil tot consequente dienstbaarheid aan Christus en zijn Kerk, aan het evangelie en aan de humanisering van de wereld. Zijn mariale wapenspreuk ‘Totus Tuus’, ‘Geheel de Uwe’, vat dit samen.

Profeet, herder en leraar
Johannes Paulus II was een profeet van de rechten en de plichten van de mens, van de menselijke waardigheid, van gerechtigheid en vrede. Deze waarden vormden voor hem een onlosmakelijk geheel. Het doen van gerechtigheid, verstaan als het doen van wat God voor ogen staat, beschouwde deze paus als de onmisbare voorwaarde voor het grote goed van de vrede van mensen en volkeren. Hier herinneren wij ons de encycliek Dives in misericordia (1980), waarin hij de goddelijke barmhartigheid verbond met de menselijke inzet voor gerechtigheid. Geen mens mag ooit slachtoffer zijn van uitbuiting, van armoede en onrecht.
De onvervreemdbare waarde van iedere mens vertaalde deze paus ook in een principiële keuze voor de beschermwaardigheid van het menselijk leven, van de conceptie tot het einde toe. Juist wanneer een mensenleven het meest kwetsbaar is, vraagt het doen van gerechtig-heid een onvoorwaardelijke inzet voor het behoud en de bescherming van het leven. Zijn kritiek op een ‘cultuur van de dood’, waarin abortus en euthanasie als legitieme en aan-vaardbare handelingen een plaats krijgen, zal in de toekomst profetisch blijken.

Dat paus Johannes Paulus II opkwam voor een menswaardige beleving van de seksualiteit, kwam voort uit hetzelfde principe als waarmee hij pleitte voor gerechtigheid en vrede. Dat principe was de waardigheid van de mens, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. De waardigheid van de mens, van man en vrouw als beeld van God, verdroeg naar zijn vaste overtuiging geen enkele vorm van ‘functionalisering’ van de menselijke seksualiteit, laat staan van de banalisering ervan tot louter lustbeleving en lustbevrediging.

Paus Johannes Paulus II was een idealist, die in staat bleek ook velen uit de jongere generatie aan te trekken en te bezielen. De jongeren vormden voor hem een grote bron van vitaliteit binnen de Kerk. De door hem in het leven geroepen Wereldjongerendagen groeiden uit tot de grootste religieuze jongerenmanifestatie in de wereld. Tegelijkertijd was hij een realist, die weet had van de zwakheid en zondigheid van ons mensen. Daarom werd hij niet moe om bij alle principiële stellingnamen altijd weer te wijzen op Gods barmhartigheid.

Maar de paus schroomde niet om ook de zondigheid binnen de Kerk te benoemen. De ‘schuldbelijdenis’ van Johannes Paulus II voor de zwarte bladzijden in de geschiedenis van de Kerk in het Jubeljaar 2000 vormt een uniek moment in de geschiedenis van de Kerk; we moeten teruggaan tot de voorlaatste niet-Italiaanse paus, Adrianus VI voor een soortgelijk kerkelijk ‘mea culpa’ door een paus.

Mede geïnspireerd door zijn persoonlijke ervaringen in de Tweede Oorlog, heeft de paus bijzonder veel betekend voor de verbetering van de relatie van de Rooms-Katholieke Kerk met het jodendom. Velen zullen zich de ontroerende momenten herinneren van het bezoek van de paus aan de synagoge van Rome, aan Yad Vashem en aan de Klaagmuur. Ook voor de verbetering van de oecumenische verhoudingen en de dialoog met de nietchristelijke godsdiensten zette hij zich persoonlijk in. Op de door de paus geïnitieerde interreligieuze Gebedsdag voor de Vrede in Assisi (1986) toonden de wereldgodsdiensten dat zij een krachtbron voor vrede en verzoening in plaats van een alibi voor verdeeldheid en geweld willen zijn. Dat getuigenis heeft in deze tijd niets aan actualiteit verloren.

Uiterste dienstbaarheid
Als geen ander was paus Johannes Paulus II zich ervan bewust dat hij zijn kracht niet uit zichzelf maar uit Gods genade putte. Het leven van deze paus laat zich niet alleen typeren als een ‘succesverhaal’. Navolging van Christus betekent immers óók het aanvaarden van het lijden en het kruis, in het vertrouwen op Gods genade. Dat heeft hij op een bijzondere manier ervaren rond de moordaanslag op zijn leven in 1981, waar hij op wonderlijke wijze aan de dood ontsnapte. In de laatste jaren zagen wij deze grote paus bovendien sterk verouderen. Daarbij durfde hij zich ook openlijk te tonen in alle broosheid en zwakheid van de ouderdom. Wij zagen hem soms zichtbaar lijden, ook onder beproevingen die over de Kerk kwamen, waaraan hij heel zijn leven consequent in uiterste dienstbaarheid, in ‘liefde tot het uiterste toe’ gewijd heeft. Wij bidden van harte dat God zijn trouwe dienaar nu mag doen delen in Zijn vreugde. Moge hij rusten in vrede.

Namens de bisschoppen van Nederland,
Adrianus Kardinaal Simonis, Aartsbisschop van Utrecht en voorzitter van de Nederlandse Bisschoppenconferentie


Veel euthanasie zonder verzoek in Nederland

BERLIJN (RKnieuws.net) – Sinds de invoering van de euthanasiewet twee jaar geleden hebben in Nederland 1000 mensen euthanasie ondergaan zonder dat ze daarom gevraagd hadden. Dat zegt prof. Henk Jochemsen, directeur van het centrum voor medische ethiek in Ede. Hij baseert zijn conclusie op een anonieme rondvraag onder Nederlandse artsen.

Hij deed zijn uitspraken afgelopen vrijdag op een symposium in Berlijn. Dit werd georganiseerd door “Christdemokraten für das Leben.” Sinds 1 april 2002 is “hulp bij zelfdoding” toegestaan in Nederland. Voorwaarde is wel dat deze hulp door een arts geleverd wordt. De patient moet ondraaglijk, onuitzichtlijk lijden en uit vrije wil om levensbeëindiging vragen. Er moet altijd een tweede arts betrokken zijn bij het proces, en ieder euthanasiegeval moet gemeld worden.

Regels niet nageleefd
Jochemsen stelt dat de regels niet nageleefd worden. Uit een anonieme rondvraag onder artsen blijkt dat in een kwart van de gevallen geen tweede arts om raad gevraagd is. Ook blijkt dat minder dan de helft van de gevallen ook daadwerkelijk gemeld worden. In 15 tot 20 procent van de gevallen was er nog een behandeling mogelijk, aldus Jochemsens´ onderzoek.

Niet tot last zijn
In een derde van het aantal euthanasiegevallen, was de motivatie van de patient dat deze zijn familie niet langer tot last wilde zijn of niet afhankelijk van anderen wilde zijn.

Lindeboom instituut
Jochemsen is directeur van het prof. dr. G.A. Lindeboom instituut in Ede. Dat is een “wetenschappelijk studiecentrum op christelijke grondslag dat christelijke artsen, verpleegkundigen en instellingen ondersteunt bij ethische en levensbeschouwelijke vragen in de zorgverlening,” zo is te lezen op hun website. Het instituut is verbonden met diverse protestantse hogescholen.