Katholieke Stichting Medische Ethiek
5 juli 2022

Wat nu te denken van orgaandonatie?

Katholiek NieuwsbladKatholiek Nieuwsblad, 23 februari 2018
door Kardinaal dr. W.J. Eijk, namens de Nederlandse bisschoppenconferentie referent voor medische ethiek

Wat valt er vanuit de katholieke leer te zeggen over de wijziging van de Wet op de orgaandonatie, en over orgaandonatie in het algemeen?

Volgens de Wet op de orgaandonatie uit 1996 mogen de organen van een overledene in principe alleen uit zijn lichaam worden verwijderd voor transplantatiedoeleinden, wanneer hij daar bij leven toestemming voor heeft gegeven en zich als donor heeft laten registreren. Dit zogeheten ’toestemmingssysteem’ heeft echter in ons land een teleurstellend aantal donororganen opgeleverd afkomstig van overledenen. In sommige landen bleek het aantal beschikbare donororganen te stijgen na invoering van het ‘geen-bezwaar-systeem’, tegenwoordig Automatisch Donor Registratie Systeem genoemd: dit houdt in dat iedereen na overlijden als orgaandonor wordt beschouwd, wanneer hij bij leven daartegen geen bezwaar heeft gemaakt en dat heeft laten registreren.

Een belangrijke concessie
Het wetsvoorstel van Pia Dijkstra dat op 13 februari ook in de Eerste Kamer is aangenomen, is in principe gebaseerd op het geen-bezwaar-systeem. Zij heeft echter een belangrijke concessie moeten doen om haar wetsvoorstel veilig door de Eerste Kamer te loodsen: wanneer een overledene geen bezwaar heeft gemaakt tegen orgaandonatie geldt hij weliswaar als orgaandonor, maar is altijd nog toestemming van de nabestaanden vereist om organen en weefsels uit het lichaam te kunnen verwijderen voor transplantatiedoeleinden.

Twee belangen
In de Tweede Kamerdebatten die voorgingen aan de wet uit 1996, waren er al voorstanders van het geen-bezwaar-systeem, onder wie – toen tot ieders grote verrassing – de CDA’er Lansink. Zijn argument was: “Wij zijn niet van onszelf maar van elkaar.” In de discussie over orgaandonatie na de dood staan twee belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang van mensen met ziekten die levensbedreigend zijn of de kwaliteit van leven ernstig aantasten en waarvoor alleen orgaantransplantatie een adequate therapie is; aan de andere kant het recht van mensen om te bepalen wat er na de dood met hun stoffelijk overschot gebeurt. Weegt het eerste belang niet zo zwaar dat de samenleving het recht heeft om organen en weefsels van mensen desnoods tegen hun wil na hun dood te vorderen?

Daad van naastenliefde en solidariteit
De rooms-katholieke Kerk prijst het doneren van organen na de dood aan als een daad van naastenliefde en solidariteit. Anderen kunnen echter geen recht op onze organen claimen, ook niet na de dood. Na de dood is het lichaam geen essentiële waarde meer. Er bestaan daarom geen principiële bezwaren tegen het uitnemen van organen voor transplantatiedoeleinden, wetenschappelijk onderzoek of onderwijs. Het stoffelijk overschot houdt echter een bijzondere band met de overledene. De piëteit voor de menselijke persoon aan wie het lichaam heeft behoord, en het respect voor de nabestaanden sluiten een vrij en onbeperkt beschikkingsrecht van de gemeenschap over de organen na de dood uit. De band tussen de overledene en zijn stoffelijk overschot ligt op een bijzondere wijze besloten in het christelijk geloof in de verrijzenis van de mens naar lichaam en ziel aan het einde der tijden.

In vrijheid kunnen besluiten
Omdat orgaandonatie na de dood geen plicht uit rechtvaardigheid, maar een daad van naastenliefde is, moet iemand in vrijheid kunnen besluiten om zijn lichaam na de dood voor orgaandonatie ter beschikking te stellen. Die vrijheid biedt zowel het toestemmingssysteem als het geen-bezwaar-systeem. Hooguit zou men zeggen dat het toestemmingssysteem meer dan het geen-bezwaar-systeem tot uitdrukking brengt dat orgaandonatie een daad van naastenliefde is. Essentiële bezwaren bestaan er echter niet tegen het Automatisch Donor Registratie Systeem, waarop het wetsvoorstel van Pia Dijkstra is gebaseerd. Dat mensen als ze geen bezwaar maken automatisch als orgaandonor na de dood zijn geregistreerd, vergt uiteraard de nodige inspanningen van de overheid om de burgers daarover adequaat voor te lichten. Daar heeft het wetsvoorstel van Dijkstra ook oog voor. Het behelst naast de bepaling dat aan iedere Nederlander die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt een donorformulier wordt toegestuurd, waarin hem uitdrukkelijk wordt gevraagd of hij wel of geen bezwaar heeft tegen het uitnemen van zijn organen na de dood voor transplantatiedoeleinden. Tevens legt het wetsvoorstel van Dijkstra aan de gemeenten de verplichting op om bij afgifte van paspoort en rijbewijs aanvragers te informeren over orgaandonatie.

Bijzondere aandacht
Twee aspecten verdienen nog bijzondere aandacht. Op de eerste plaats dat een aantal organen, zoals hart en longen, alleen voor transplantatie geschikt is, als die uit het lichaam worden genomen op een moment dat de ademhaling en de bloedcirculatie nog intact zijn. Dan moet echter wel met zekerheid vaststaan dat de donor overleden is. Het uitnemen van vitale organen zou bij een levende donor immers betekenen dat hij werd gedood. Maar bestaat zo’n situatie wel dat iemand al overleden is terwijl ademhaling en bloedsomloop nog intact zijn? Van oudsher zien wij adem en hartstilstand als tekenen van de dood en gaan we ervan uit dat de patiënt nog leeft zolang hij ademhaalt en zijn hart klopt. Bij kunstmatige beademing kan er zich echter een moment voordoen dat de patiënt overleden is, terwijl de ademhaling kunstmatig op gang wordt gehouden en de bloedscirculatie nog intact is, doordat het hart mede met behulp van medicamenten nog enige uren blijft kloppen. Dit moment doet zich voor bij een totale hersendood, dat wil zeggen een onomkeerbare uitval van de hersenen, inclusief de hersenstam en het verlengde merg (het gedeelte tussen de hersenstam en het ruggenmerg).

Scheiding tussen lichaam en ziel
Volgens de rooms-katholieke leer is de dood de scheiding tussen ziel en lichaam. De ziel is als levensprincipe verantwoordelijk zowel voor de geestelijke en de sensitieve levensverrichtingen van de mens als voor de vegetatieve. Onder de laatste valt de ademhaling. Een onomkeerbare uitval van de hersenstam waar zich het ademcentrum bevindt dat de ademhaling aanstuurt, brengt het definitieve verlies met zich mee van het vermogen tot spontane ademhaling. Dit betekent dat het lichaam niet meer als een geïntegreerd geheel kan functioneren, waardoor het geen levend menselijk lichaam meer is. De totale hersendood is daarom een zeker teken dat de scheiding tussen ziel en lichaam zich heeft voltrokken. Bijgevolg mogen na het vaststellen van een totale hersendood de organen uit het lichaam worden verwijderd, ook al zijn ademhaling en bloedscirculatie door medisch ingrijpen nog intact.

Totale hersendood
De totale hersendood wordt in praktisch alle landen, ook in Nederland, als criterium voor de dood van de patiënt gehanteerd. In zijn toespraak tot de deelnemers aan het achttiende Internationale Congres van de Transplantation Society op 29 augustus 2000, bevestigde paus Johannes Paulus II dat het criterium van de totale hersendood – mits met de nodige zorgvuldigheid toegepast – gehanteerd kan worden om de dood vast te stellen. Genoemde zorgvuldigheid vereist dat de totale hersendood wordt vastgesteld met een aantal adequate diagnostische testen. Hierin voorziet het Nederlandse Hersendoodprotocol. De totale hersendood wordt als doodscriterium gehanteerd in de Wet op de orgaandonatie uit 1996. Hierin brengt het wetsvoorstel van Dijkstra geen verandering.

Niet alle organen komen in aanmerking
Een tweede aspect dat bijzondere aandacht verdient is dat vanuit katholiek perspectief niet alle organen voor donatie en transplantatie in aanmerking komen. Bezwaar moet worden gemaakt tegen de donatie voor transplantatiedoeleinden van hersenen of hersendelen omdat deze een nauwe band hebben met de persoonlijke identiteit. Hetzelfde geldt voor de donatie van voortplantingsorganen ten behoeve van transplantatie vanwege het feit dat die een bijzondere rol spelen bij het doorgeven van – althans een deel – van de persoonlijke identiteit.

Overgenomen met toestemming van Katholiek Nieuwsblad.


Kritiek op nieuwe donorwet ‘Geen keuze kunnen of willen maken, is niet hetzelfde als toestemmen’

Katholiek Nieuwsblad, 23 februari 2018
door Francesco Paloni

Met de nieuwe donorwet hoopt D66 het tekort aan orgaandonoren in ons land terug te dringen. De katholieke Kerk is voorstander van orgaandonatie, mits er sprake is van volledige keuzevrijheid. In hoeverre respecteert de nieuwe wet het recht op zelfbeschikking?

Met een nipte meerderheid (38 stemmen voor en 36 tegen) nam de Eerste Kamer vorige week dinsdag de nieuwe donorwet aan. Vanaf de zomer van 2020 is iedereen in Nederland die geen bezwaar maakt, automatisch orgaandonor. De initiatiefwet van Pia Dijkstra (D66) was al in 2016 door de Tweede Kamer aangenomen, ook toen met een krappe meerderheid (75 stemmen voor en 74 tegen). De ongewilde afwezigheid van een Kamerlid – dat nota bene van plan was tegen te stemmen – gaf toen de doorslag. De hoofdelijke stemming van dinsdag werd daarom omschreven als een van de spannendste in jaren, met een verrassende en onverwachte uitkomst. Saillant detail was het stemgedrag van het CDA: terwijl in 2016 de hele Tweede Kamerfractie tegen stemde, steunden vier van de twaalf senatoren de nieuwe wet. De senatoren van ChristenUnie en SGP stemden wel allen tegen. Zij vinden dat de wet indruist tegen het recht op onaantastbaarheid van het lichaam, dat is vastgelegd in artikel 11 van de Nederlandse grondwet.

Niet per se moreel verwerpelijk
De overstap naar een geen-bewaarsysteem of opt-outsysteem voor orgaandonatie is door deskundigen verschillend beoordeeld. Terwijl de een het omschreef als een zwarte dag, noemde de ander de goedkeuring van de wet een historische doorbraak. Moraaltheoloog Lambert Hendriks noemt de donorwet “misschien niet per se moreel verwerpelijk”, maar heeft wel ernstige bedenkingen. Het nieuwe systeem heeft volgens de voorzitter van de Katholieke Stichting Medische Ethiek “zeker niet de voorkeur”. “Geen keuze kunnen of willen maken, is nu eenmaal nooit hetzelfde als toestemmen”, stelt Hendriks. Volgens hem geeft het moeizame proces waarmee de wet werd aangenomen goed weer hoe verdeeld men in ons land is over dit onderwerp. “Iemand zei ineens een heel ander beeld te krijgen bij het woord ‘overheidsorgaan’, de overheid zou nu wel een erg grote claim op het lichaam van een overledene leggen.”

Daad van edelmoedige solidariteit
Maar “er mag geen misverstand over bestaan dat orgaandonatie een edele en verdienstelijke daad is”, vindt Hendriks. “Het gaat om een uiting van edelmoedige solidariteit, zoals de Catechismus van de Katholieke Kerk leert. Tegelijkertijd zijn er bij alle lovende woorden over orgaandonatie ook enkele bedenkingen. Zo is volgens de Catechismus orgaandonatie alleen acceptabel als de donor of de rechthebbenden uitdrukkelijk hun toestemming hebben gegeven (nr. 2296). In 2008 sprak paus Benedictus XVI tot de leden van de Pauselijke Academie voor het Leven over de noodzakelijke vrijheid bij de keuze voor het ter beschikking stellen van organen en het respect voor de waarde van het menselijk leven.”

Volgens Hendriks mogen elementen als dwang, commercie of instrumentalisering van het lichaam “nooit een rol spelen”. Hoewel daar volgens de moraaltheoloog in de nieuwe wet geen sprake van is, roept deze toch veel weerstand op in de maatschappij. “Een weerstand die precies uitdrukt dat orgaandonatie niets anders kan zijn dan een vrije keuze uit naastenliefde. Als iemand donor wordt, heeft dat te maken met solidariteit, niet met rechtvaardigheid. Het ‘oude’ systeem van het toestemmen in orgaandonatie drukt dit veel beter uit, en zou daarom van kracht moeten blijven.”

Uitschrijvingen uit het register
Hendriks vraagt zich af vanuit welk perspectief D66 de regels omtrent orgaandonatie heeft willen wijzigen. Het zou volgens hem vanzelfsprekend moeten zijn dat de overheid geen claim mag leggen op de lichamen van overleden mensen, zelfs niet wanneer dezen zich niet hebben willen uitspreken over orgaandonatie. Hendriks vindt dat de rol van de overheid veel meer ligt op het vlak van bewustwording en het voeren van campagne. “Er is een groot gebrek aan vertrouwen. De vele uitschrijvingen uit het donorregister die plaatsvonden na het aannemen van de wet in de Tweede Kamer, zijn daar het bewijs van. Uitschrijvingen die je nu overigens opnieuw ziet. De argwaan die men heeft mag grotendeels irrationeel en ongegrond zijn, maar het is wel een feit dat het niet op te lossen is door mensen in een bepaalde richting te forceren.”

Zelfgave
Jan-Jaap van Peperstraten sluit zich bij Hendriks aan. Hij is theoloog, gepromoveerd filosoof en ethicus en pastoor in het bisdom Haarlem-Amsterdam. “Er is een tekort aan donororganen. Er staan heel veel mensen heel lang op een wachtlijst, die leven in angst en onzekerheid. Mensen komen er ook door te overlijden. Tegelijkertijd moet de donatie van een orgaan een zelfgave zijn.” Iets wat volgens Van Peperstraten wel expliciet moet zijn. “Het mag niet zomaar worden aangenomen. Met een opt-outsysteem gebeurt dat wel: als je niets zegt, ben je automatisch donor. Is er dan nog sprake van een gave?”

Keuzes kunnen maken
Velen vielen de afgelopen week over de interpretatie van het zelfbeschikkingsrecht in de kwestie. Met de donorwet beoogt D66 dit juist te vergroten. Van Peperstraten: “Het is paradoxaal: aan de ene kant wordt er steeds meer een beroep gedaan op persoonlijke autonomie, maar nu komt de autonomie even niet goed uit. En dan gaan we de andere kant op. Men wordt geconfronteerd met een probleem en wil daar een beleidsoplossing voor bieden. Het eerste dat een beter resultaat zou kunnen leveren, wordt het dan. Dat is een houding die zich moeilijk verdraagt met respect voor het menselijk leven, respect voor de lichamelijke integriteit, respect voor de beschermwaardigheid van het leven van conceptie tot natuurlijke dood.” Een ander argument van de critici is hoe mensen die niets van de nieuwe wet begrijpen, ermee om zullen gaan. Van Peperstraten: “Men is ervan overtuigd dat iedereen goed geïnformeerd is en eigen keuzes kan maken. Maar er zullen ook mensen zijn die geen keuze kunnen maken. Dan kan een opt-outsysteem heel kwalijke gevolgen hebben. Als je instemming aanneemt die nergens uit kan worden afgeleid, lijkt het mij heel riskant. We verwachten erg veel van mensen, ook in dit dossier. Misschien wel te veel.”

Concrete keuze maken
Ondanks zijn bedenkingen staat Van Peperstraten toch open voor orgaandonatie. “Deze wet gaat er komen. Ze legt op iedereen verantwoordelijkheid om een keuze te maken. Tegelijkertijd moet deze keuze persoonlijk zijn. We moeten ons nooit onder druk voelen om de keuze te maken. Ik zou mensen wel willen waarschuwen om niet uit kwaadheid of irritatie een ‘nee’ te laten vastleggen. Dat is een gemiste kans. Je kan tegen deze wet zijn, maar wel positief tegenover orgaandonatie staan. Uiteindelijk is het maken van die concrete keuze het belangrijkste. Maar de wet is een gemankeerd middel om dat doel te bereiken.” +

Wat gaat er veranderen?
Na het van kracht worden van de nieuwe donorwet krijgt iedereen van 18 jaar en ouder een brief met vier keuzemogelijkheden: • Ja, ik geef toestemming voor orgaandonatie • Nee, ik geef geen toestemming • Mijn partner of familie beslist • De door mij gekozen persoon beslist Als iemand geen keuze maakt, komt er in het Donorregister te staan dat deze persoon ‘geen bezwaar’ heeft tegen orgaandonatie. Familieleden moeten dit respecteren. De wet laat wel een mogelijkheid om dat tegen te houden, als nabestaanden kunnen bewijzen dat de overledene geen donor had willen zijn. (FP)

NPV: ‘Schending lichamelijke integriteit’
De Nederlandse Patiënten Vereniging noemt de nieuwe donorwet een “belangrijke schending van het recht op lichamelijke integriteit”. In een persbericht van 13 februari stelt de christelijke organisatie dat “met deze wet wordt getornd aan het fundament van individuele vrijheid. Een keuze over orgaandonatie is niet een zaak van de overheid, maar van burgers onderling”. Beleidsmedewerkster Charlotte Ariese benadrukt tegenover KN dat de NPV niet tegen orgaandonatie is. “Het doneren van organen uit naastenliefde is waardevol en betekenisvol. Wij roepen juist mensen op om het gesprek over orgaandonatie te voeren met familie en naasten en een keuze te maken en dat vast te leggen. Wij zijn wel kritisch over het nieuwe systeem. In hoeverre mag de overheid ‘geen bezwaar’ zien als toestemming voor orgaandonatie? Orgaandonatie moet een actieve daad van mensenliefde zijn.” (FP)

Overgenomen met toestemming van Katholiek Nieuwsblad.


Ontwikkeling donorregistraties 2016

Centraal Bureau voor de Statistiek, 26 juli 2017

Het aantal personen dat expliciet geen toestemming tot orgaandonatie geeft is per 1 maart 2017 gestegen tot 1,71 miljoen, 152 duizend meer dan begin 2016. In september en oktober 2016 waren er vergeleken met eerdere maanden veel meer Nederlanders die zich inschreven in het donorregister (al dan niet als donor) of hun gegevens wijzigden. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van het CBS.

Donorregistratie 2014-2017

 

Ook meer mensen geven toestemming
Niet alleen waren er meer mensen die expliciet geen toestemming gaven, ook waren er meer mensen die juist wel toestemming gaven voor orgaandonatie (al dat niet met donatiebeperkingen). Hun aantal was op 1 maart 2017, vergeleken met 1 januari 2016, met 36 duizend mensen gestegen naar meer dan 3,6 miljoen. Iets meer dan 700 duizend mensen laten de beslissing voor orgaandonatie over aan nabestaanden of een aangewezen persoon.

Veel mutaties in donorregister na aanname wetswijziging
Tussen 14 september en 31 december 2016 veranderden meer dan 240 duizend personen voor het laatst iets in het donorregister; dit waren nieuwe registraties of wijzigingen in een eerdere registratie. Dit is een relatief hoog aantal in vergelijking met voorgaande jaren. In september 2016 nam de Tweede Kamer een wijziging aan van de Wet op de Orgaandonatie. Het aantal (laatste) wijzigingen bedroeg in september 2016 meer dan 117 duizend, een jaar daarvoor waren dat in dezelfde maand minder dan 5 duizend.

Behalve over het totale aantal mensen die geregistreerd staan (al dan niet als donor) beschikt het CBS over gegevens over de laatste wijziging die iemand in het register heeft aangebracht. Dit kan gaan om een nieuwe registratie, maar het kan ook een wijziging zijn van een eerdere beslissing. Het CBS beschikt alleen over informatie van de laatste wijziging in een jaar. Over de aard van wijziging kan op dit moment nog niets worden vastgesteld.


KNMG attendeert Eerste Kamer problemen wetsvoorstel orgaandonatie

KNMGKNMG, 24 februari 2017

Artsenfederatie KNMG attendeert de Eerste Kamer op uitvoeringsknelpunten in het voorstel van D66 voor actieve donorregistratie. René Héman, KNMG-voorzitter: “Hoe kunnen artsen zeker stellen dat de overledene tijdens de registratie wilsbekwaam was? Het voorstel noemt dit als eis. Ook de positie van wilsonbekwamen en nabestaanden is diffuus, wat kan leiden tot onduidelijkheid en spanningen.”

De Eerste Kamer behandelt momenteel het initiatiefwetsvoorstel van D66 tot invoering van een actief donorregistratiesysteem. In dit systeem worden mensen die niet reageren op een brief van de overheid in het Donorregister geregistreerd als orgaandonor onder de noemer ‘geen bezwaar’. De KNMG spreekt zich niet uit voor of tegen het systeem van actieve donorregistratie, maar maakt zich wel zorgen over de werkbaarheid voor artsen op onderdelen van het voorstel. René Héman, voorzitter: “Artsen willen graag een grotere beschikbaarheid van organen. Maar als dit voorstel ongewijzigd wordt ingevoerd, vrezen wij complexe situaties voor artsen en nabestaanden. Ik vind dit vooral ook onwenselijk omdat het gaat om een emotionele situatie waarin nabestaanden afscheid moeten nemen van een naaste. En er moeten op dat moment vaak onder tijdsdruk beslissingen worden genomen. Dan is duidelijkheid van het grootste belang.”

De knelpunten op een rij:
– Hoe kan een arts zich ervan vergewissen dat de overledene wilsbekwaam was ten tijde van zijn registratie, een eis in het voorstel? Ook nabestaanden zullen dit niet altijd kunnen. De KNMG vreest discussies en praktische problemen.
– De positie van wilsonbekwamen is diffuus. In het voorstel staat enerzijds dat geen donatie plaatsvindt bij twijfel over de vraag of iemand wilsbekwaam was of echt in staat was de overheidsinformatie te begrijpen. Anderzijds kunnen nabestaanden van volwassenen die hun hele leven wilsonbekwaam waren wél toestemming geven voor orgaandonatie. Hoe moeten artsen handelen bij twijfel over de wilsbekwaamheid van de overledene?
– Het wetsvoorstel geeft nabestaanden de ruimte om aannemelijk te maken dat hun familielid wel degelijk bezwaar had tegen orgaandonatie, ook al staat die als ‘donor’ of ‘geen bezwaar’ in het donorregister vermeld. Hoe moeten artsen in dat geval vaststellen of ze dit voldoende hebben onderbouwd? Dit wordt niet uitgewerkt, wat kan leiden tot verwarring en spanningen tussen artsen en nabestaanden.


Wetsvoorstel orgaandonatie onverstandig

Medisch Contact, 5 januari 2017

Pieter Fokkink keert zich in Medisch Contact tegen het recente wetsvoorstel Orgaandonatie. met name omdat orgaandonatie een vrijwillige gift moet blijven.

Lees het commentaar van dr. L.J.M. Hendriks over dit onderwerp vanuit katholiek perspectief


Donor zijn: niet omdat het moet, maar omdat het kan

Katholiek NieuwsbladKatholiek Nieuwsblad, 23 september 2016
door dr. L.J.M. Hendriks, moraaltheoloog en voorzitter van de Katholieke Stichting Medische Ethiek

De nieuwe wet op de orgaandonatie is vorige week door de Tweede Kamer aangenomen. Hiermee hoopt de overheid het aantal orgaandonoren te doen toenemen. Echter, er kleven veel bezwaren aan de wet. Het dwingende karakter ervan roept veel weerstand op in de samenleving. Moraaltheoloog Lambert Hendriks pleit voor orgaandonatie uit naastenliefde, en niet omdat de overheid het wil.

Vorige week werd er in de Tweede Kamer gestemd over een nieuwe wet voor de registratie van orgaandonoren. Ternauwernood haalde het voorstel een meerderheid, dat regelt dat van iedereen die zich niet registreert om al dan niet orgaandonor te zijn, de toestemming verondersteld wordt. Al snel bleek dat de extreem kleine meerderheid van één enkele stem in de Kamer, nota bene door de ongewilde afwezigheid van een kamerlid dat tegen had willen stemmen, goed overeenkwam met de sterk verdeelde gevoelens in de samenleving. “Ik krijg nu een heel ander beeld bij het woord ‘overheidsorgaan’”, zo drukte iemand uit dat de overheid nu wel een erg grote claim legt op het lichaam van een overledene.

Weerstand
Er mag geen misverstand over bestaan dat orgaandonatie in principe iets goeds is. Het is “een edele en verdienstelijke daad [die] als een uiting van edelmoedige solidariteit bevorderd [moet] worden”, zoals de Catechismus van de Katholieke Kerk zegt (nr. 2296). Meerdere keren heeft de Kerk benadrukt dat het een goede uiting van naastenliefde is, wanneer iemand na zijn dood diens organen ter beschikking stelt voor transplantatie. Tegelijkertijd zijn er bij alle lovende woorden over orgaandonatie ook altijd wel enkele bedenkingen, reserves en randvoorwaarden. In 2008 sprak paus Benedictus tot de leden van de Pauselijke Academie voor het Leven over de noodzakelijke vrijheid bij de keuze voor het ter beschikking stellen van organen en het respect voor de waarde van het menselijk leven die onaantastbaar is. Nooit mogen er elementen van dwang, commercie of instrumentalisering van het lichaam een rol spelen. Commerciële elementen zijn er in het huidige wetsvoorstel zeker niet en dwang of instrumentalisering ook niet per se, maar toch roept het donorplan veel weerstand op.

Vrijwillige daad
Deze weerstand drukt precies uit dat orgaandonatie niets anders kan zijn dan een vrije keuze uit naastenliefde. Als iemand donor wordt, dan heeft dat te maken met solidariteit, maar niet met rechtvaardigheid. In dit laatste geval zou iemand immers moreel verplicht zijn om zich als orgaandonor te registreren, terwijl het tegendeel het geval is. Het huidige systeem van het toestemmen in orgaandonatie drukt veel beter uit dat het gaat om een vrijwillige daad van naastenliefde en heeft daarom de voorkeur.

Niet per se verwerpelijk
In verschillende landen bestaat er al een geen-bezwaarsysteem voor orgaandonatie: in o.a. België en Luxemburg, Frankrijk en ook Italië. In dit laatste land wordt daar overigens in de praktijk weinig mee gedaan. Alhoewel iemand die geen bezwaar maakt, daar in principe toestemt in het doneren van organen na de dood, wordt in de praktijk nog steeds de familie geraadpleegd als iemand zelf geen keuze heeft geregistreerd. Aangezien ook in het wetsvoorstel in ons land duidelijk blijkt of iemand heeft toegestemd, of dat hij eenvoudigweg niet gereageerd heeft, zou het weleens op dezelfde praktijk kunnen uitlopen. Het moet gezegd zijn, dat ook bij het voorgestelde geen-bezwaarsysteem de vrijheid natuurlijk in principe gewaarborgd blijft. De overheid zal er zeker alles aan doen om vooral het aantal actief toestemmenden omhoog te krijgen; iets waar het nieuwe systeem net zo goed in voorziet. Bovendien is het voorstel zo aangepast, dat altijd duidelijk is wie zich actief heeft geregistreerd als donor en wie eenvoudigweg nooit bezwaar heeft gemaakt. Op deze wijze is het donorplan, absoluut gezien, niet per se moreel verwerpelijk, maar zoals gezegd heeft het zeker niet de voorkeur. Geen keuze kunnen of willen maken, is nu eenmaal nooit hetzelfde als toestemmen.

Gebrek aan vertrouwen
In de reacties op dit wetsvoorstel wordt goed duidelijk dat er niet zozeer een probleem zit bij de onbekendheid met orgaandonatie, maar dat mensen eerder een probleem zien in de toepassing ervan. Dat de overheid zorg heeft voor het aantal orgaandonoren is prijzenswaardig. Het is ook haar taak om de voorwaarden te scheppen waarin burgers het goede kunnen doen en daartoe ook aangespoord worden. Tegelijkertijd kan ze voor diezelfde burgers niet zelf beslissingen nemen en daar wringt de schoen. Vanuit welk perspectief wil D66 de regels rondom orgaandonatie wijzigen? Het zou voor zich moeten spreken dat de overheid niet kan beschikken over de lichamen van overleden mensen, zelfs als het kwalijk zou zijn dat ze zich niet hebben willen uitspreken over orgaandonatie. De rol van de overheid ligt veel meer op het vlak van bewustwording en het voeren van campagne. Dat deze talloze campagnes niet werken, duidt op het eigenlijke probleem: er is een groot gebrek aan vertrouwen. De vele uitschrijvingen uit het donorregister die hebben plaatsgevonden naar aanleiding van dit wetsvoorstel zijn het duidelijke bewijs daarvan. Er is een gebrek aan vertrouwen in de overheid en wellicht ook in de medische stand als het gaat om de doodscriteria. Deze twijfel mag dan grotendeels irrationeel en ongegrond zijn, maar het is wel een feit dat hij niet op te lossen is door mensen in een bepaalde richting te forceren.

Voor een ander
Het getuigenis van mensen die baat hebben gehad bij een donor of juist van mensen die wanhopig wachten op een orgaan dat hun leven kan redden, is waarschijnlijk van veel groter waarde. Naastenliefde is voor ons als christenen een groot goed, maar er is natuurlijk alleen maar sprake van naastenliefde als er ook welbewust en in volledige vrijheid voor gekozen wordt om iets voor de ander over te hebben. Hoe mooi zou het zijn als dit de motivatie wordt van een toename van het aantal orgaandonoren: niet omdat de overheid hoopt dat je er niet aan denkt om bezwaar te maken, maar omdat we in een land leven waar de een iets voor een ander overheeft.

Overgenomen met toestemming van Katholiek Nieuwsblad.


Gezondheidsraad: Overkoepelende richtlijn voor vaststellen dood bij orgaandonatie

Persbericht

GezondheidsraadGezondheidsraad, 10 juni 2015

De Gezondheidsraad adviseert de wijze waarop de dood wordt vastgesteld bij diverse vormen van postmortale orgaandonatie (donatie na overlijden) onder te brengen in een overkoepelende richtlijn. Naast het al bestaande Hersendoodprotocol geeft de richtlijn protocollen voor vaststellen van de dood na een onomkeerbare stilstand van hart en bloedsomloop (circulatiestilstand). De Gezondheidsraad biedt het advies vandaag aan de minister van VWS aan.

In 1998 is een protocol opgesteld om te garanderen dat op een zorgvuldige manier en onomstotelijk wordt vastgesteld dat iemand hersendood is, voordat orgaandonatie wordt ingezet (Hersendoodprotocol). Sindsdien komt het steeds vaker voor dat organen worden getransplanteerd van donoren die aan een circulatiestilstand zijn overleden. Daarom is het goed om ook voor die situatie een protocol op te stellen en dit in de Wet op de orgaandonatie dezelfde status te geven als het Hersendoodprotocol. Hiertoe heeft de Gezondheidsraad de procedures die in de praktijk worden gebruikt bij elkaar gebracht en getoetst aan de stand van wetenschap. Deze richtlijn vormt samen met de gedetailleerde praktische protocollen van de Nederlandse Transplantatie Stichting een standaard van handelen bij postmortale orgaandonatie.

Een circulatiestilstand kan optreden na een acute hartstilstand (zonder succesvolle reanimatie) of nadat de mechanische beademing wordtgestopt bij een patiënt bij wie de medische beslissing is genomen niet langer te behandelen. Voor beide scenario’s geldt een apart protocol. Gemeenschappelijk element daarin is dat altijd een observatieperiode van vijf minuten in acht moet worden genomen nadat hart en bloedsomloop zijn stilgevallen. Dit is nodig om spontaan herstel van de bloedsomloop en ademhaling uit te sluiten. Pas daarna mag de dood worden vastgesteld en kan begonnen worden met de uitnameprocedure.

De Gezondheidsraad heeft een aantal aanpassingen aangebracht in het Hersendoodprotocol om onduidelijkheden die in de praktijk bleken te bestaan op te lossen. Een van de aanpassingen is een verduidelijking van de manier waarop de uitval van de grote hersenen vastgesteld moet worden. Een andere wijziging heeft betrekking op patiënten die medicijnen krijgen om de hersenfuncties te dempen. Bij deze groep is de hoofdregel dat gewacht moet worden met de procedure om hersendood vast te stellen tot de medicijnen zijn uitgewerkt.

Het aangepaste Hersendoodprotocol wordt vastgesteld door wijziging van het Besluit Hersendoodprotocol. Hiervoor geldt de procedure voor vaststelling van een Algemene Maatregel van Bestuur. Acht weken na publicatie in het Staatsblad treedt het aangepaste Besluit Hersendoodprotocol in werking. Over de wettelijke verankering van het protocol voor vaststellen van de dood bij circulatiestilstand moet de minister eerst een besluit nemen. De publicatie Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie – Protocollen en criteria, inclusief een geactualiseerd Hersendoodprotocol(nr.2015/13) is te downloaden van www.gr.nl.


Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie

De Gezondheidsraad adviseert de wijze waarop de dood wordt vastgesteld bij diverse vormen van postmortale orgaandonatie (donatie na overlijden) onder te brengen in een overkoepelende richtlijn. Naast het al bestaande Hersendoodprotocol geeft de richtlijn protocollen voor vaststellen van de dood na een onomkeerbare stilstand van hart en bloedsomloop (circulatiestilstand). De Gezondheidsraad biedt het advies vandaag aan de minister van VWS aan.

Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie


CBS: Bijna kwart van bevolking (12-plus) geregistreerd als orgaandonor

Centraal Bureau voor de Statistiek, 5 februari 2015

Op 1 januari 2014 staat 40 procent van de Nederlandse bevolking van 12 jaar of ouder geregistreerd in het Donorregister. Bijna een kwart van de bevolking geeft toestemming om na het overlijden de organen en weefsels af te staan voor donatie, van wie 5 procent een voorbehoud maakt voor het gebruik van bepaalde organen. Dit blijkt uit gegevens uit het Donorregister waar het CBS over beschikt.

Veel hoogopgeleide donoren
Iedereen die in Nederland woont en 12 jaar of ouder is, kan zich laten registreren in het Donorregister. Hiermee wordt een besluit om organen en weefsel te doneren vastgelegd voor nabestaanden, artsen en verpleegkundigen. Vooral herkomst en opleidingsniveau zijn onderscheidend voor registratie als donor. Niet-westerse allochtonen zijn veel minder vaak geregistreerd, en in die gevallen zelden als donor. Minder dan 1 procent van de Marokkanen wil donor zijn, 2 procent van de Turken , 6 procent van de Surinamers en 9 procent van de Antillianen/Arubanen. Van de westerse allochtonen is 18 procent als donor geregistreerd, van de autochtonen 27 procent. Donorschap neemt ook toe met het opleidingsniveau: de laagst opgeleiden zijn het minst vaak donor, de hoogstopgeleiden het vaakst.

Niet geschikt of vanwege geloof
Mensen laten zich om diverse redenen niet registreren: zij hebben nog geen besluit genomen, zij wensen geen donor te zijn of zij vinden zich niet geschikt als donor. Geloofsredenen worden ook genoemd, weer anderen laten de belissing over aan nabestaanden.

Plannen voor een alternatieve vorm van donorregistratie, bijvoorbeeld het geen-bezwaarsysteem, zijn al geruime tijd in ontwikkeling. Het geen-bezwaarsysteem zou ervoor zorgen dat iedere volwassen burger orgaandonor wordt, tenzij hij daar expliciet bezwaar tegen maakt. Uit het Belevingenonderzoek van het CBS van 2014 blijkt dat de meningen over de plannen voor het toekomstig systeem verdeeld zijn: een kleine meerderheid is voorstander van het automatisch donorschap bij niet-registratie.


Orgaandonatie na euthanasie: een dodelijke combinatie

Katholiek NieuwsbladKatholiek Nieuwsblad, 5 december 2014
door dr. Lambert Hendriks, docent moraaltheologie aan het Grootseminarie Rolduc en de Priester- en diakenopleiding Bovendonk en dr. Frans van Ittersum, internist-nefroloog, beiden bestuursleden van de Katholieke Stichting Medische Ethiek.

Het doneren van organen na euthanasie is om verschillende redenen erg problematisch.

Het Rotterdamse Erasmus Medisch Centrum en het Maastricht Universitair Medisch Centrum hebben een conceptrichtlijn opgesteld over het doneren van organen na euthanasie. Het lijkt een goede combinatie: als je weet dat iemand toch zal sterven, dan kun je maar beter proberen er toch nog iets positiefs aan vast te maken. Het is immers een schrijnend tekort aan donororganen. Euthanasie wordt steeds vaker uitgevoerd bij patiënten met psychische problemen of ziekten van het zenuwstelsel. Hierbij zijn organen als hart en nieren in goede conditie. Omdat bij deze euthanasieprocedure het moment van de dood vooraf bekend is, lenen dergelijke patiënten zich heel goed voor een vooraf geplande orgaandonatie, direct na de euthanasie.

Waardigheid
Voor katholieken zou het een vanzelfsprekendheid mogen zijn dat euthanasie in zichzelf al problematisch is. Niet omdat het lijden niet bestreden mag worden, maar omdat het direct doden van een mens nooit een goede oplossing kan zijn. Dit gaat namelijk radicaal in tegen de waardigheid van het menselijk leven. Terwijl men zegt met euthanasie juist te willen zorgen voor een menswaardig levenseinde, is het resultaat dat men iets doet dat daar compleet tegengesteld aan is, namelijk het doden van een onschuldig mens.

Van grote betekenis
Toch is de discussie daarmee nog niet ten einde. De combinatie van euthanasie en orgaandonatie heeft nog een andere belangrijke dimensie, die niet alleen voor de betreffende patiënt, maar ook voor de artsen en andere medewerkers van grote betekenis is.

Niet eigen
Het grote probleem van de combinatie van euthanasie en orgaandonatie is dat mensen die in hun werk gericht zijn op het helpen van mensen met orgaantransplantaties en het regelen van een goede overdracht van de organen, opeens geconfronteerd worden met een handeling die helemaal niet eigen is aan hun werk en die ze zelfs niet eens met een goed geweten zouden kunnen uitvoeren. Door de snelheid die nodig is om de organen uit te nemen, deze toe te wijzen aan patiënten die wachten op een donororgaan, en de daadwerkelijke implantaties, ontstaat de noodzaak om nauw samen te werken met de arts die de euthanasie uitvoert.

Medewerking
Zo ontstaat er medewerking aan een kwade handeling, die niet te rechtvaardigen is. Zelf kan iemand weliswaar helemaal geen bedoeling hebben om mee te werken aan de euthanasie, maar door de afspraken die hij of zij moet maken over de uitname van de organen (tijdstip, locatie, omstandigheden) wordt er wel degelijk een situatie gecreëerd waarbij men een directe betrokkenheid bij de euthanasie krijgt. Deze vorm van medewerking aan het kwaad is moreel gezien onaanvaardbaar.

Invloed
De combinatie van euthanasie en orgaandonatie is niet alleen discutabel vanuit het oogpunt van de betrokkenheid. In de richtlijn zoals die nu wordt voorgesteld, wordt benadrukt dat de procedures van euthanasie en orgaandonatie strikt van elkaar gescheiden moeten zijn om ongewenste vermenging te voorkomen. Het is dus ook voor de voorstanders niet ondenkbaar dat de orgaandonatie op een of andere manier invloed heeft op de keuze voor euthanasie.

Extra beweegreden
Dat is een ernstige vaststelling. Als iemand kiest voor euthanasie dan is dat veelal een bijzonder moeilijk en pijnlijk besluit, maar als die keuze ook nog een keer gevoed wordt door onzuivere motieven, omdat hij of zij in de orgaandonatie een extra beweegreden ziet, dan komt dat de zaak niet ten goede.

Diepgeworteld
Tenslotte speelt er nog een ander punt in een dergelijke combinatie. Het aanvoelen dat er in de keuze voor euthanasie iets niet in de haak is, is diepgeworteld. Ook voor de voorstanders van een dergelijke keuze blijft het ongemak en de moeilijkheid van zo’n keuze tegen het leven bestaan.

Weggedrukt
Wanneer de combinatie met orgaandonatie in een procedure mogelijk wordt, dan kan dit heel gezonde aanvoelen gemakkelijk worden weggedrukt doordat men de erop volgende orgaandonatie beschouwt als een goede daad die het kwaad teniet doet. De zelfgekozen dood wordt zo schijnbaar zinvol, omdat iemand anders er zo nog van kan “profiteren”. Een goede daad kan echter nooit de keuze voor het kwaad rechtvaardigen.

Een slecht idee
Om deze redenen is de combinatie van euthanasie en orgaandonatie een slecht idee. Het leidt niet alleen tot een ongewenste medewerking aan het kwaad, maar ook vereenvoudigt het de keuze voor euthanasie door de verleiding van oneigenlijke motieven. De Kerk beschouwt orgaandonatie als een daad van naastenliefde, maar als die mogelijk wordt door het kiezen voor een radicaal verkeerde daad dan blijft er van de liefde maar weinig over.

Goede bedoelingen
Er is geen twijfel over de goede bedoelingen van mensen die kiezen voor orgaandonatie na euthanasie, maar de menselijke waardigheid vraagt om meer dan alleen maar goede bedoelingen. Ook voor hen die nog vurig wachten op organen die beschikbaar komen is het niet zonder belang op welke manieren dergelijke organen beschikbaar komen.

Overgenomen met toestemming van Katholiek Nieuwsblad.

Vanuit Rooms-katholiek perspectief hebben dr. F.J. van Ittersum en dr. L.J.M. Hendriks eerder uitvoeriger beschreven wat de ethische problemen van de combinatie van euthanasie en orgaandonatie zijn.