Katholieke Stichting Medische Ethiek
22 oktober 2021

Leven na de pandemie

Een verzameling interventies van Paus Franciscus, waarin hij ons zijn visie geeft op de wereld die opkomt na de pandemie en die we moeten vergezellen.

Lees de volledige tekst van Paus Franciscus

“U bent dichtbij mensen op een cruciaal moment van hun bestaan”

Message of His Holiness Pope Francis to mark International Nurses Day

Dear brothers and sisters,

Today we celebrate International Nurses Day, in the context of the International Year of Nurses and Midwives officially declared by the World Health Organization. At this same time, we observe the bicentennial of the birth of Florence Nightingale, the pioneer of modern nursing.

At this critical moment, marked by the global health emergency caused by the Covid-19 pandemic, we have rediscovered the fundamental importance of the role being played by nurses and midwives. Every day we witness the testimony of courage and sacrifice of healthcare workers, and nurses in particular, who, with professionalism, self-sacrifice, and a sense of responsibility and love for neighbour, assist people affected by the virus, even to the point of putting their own health at risk. Sadly, this can be seen in the high number of healthcare workers who have died as a result of their faithful service. I pray for them – the Lord knows each of them by name – and for all the victims of this epidemic. May the Risen Lord grant to each of them the light of heaven and to their families the consolation of faith.

Nurses have historically played a central role in health care. Every day, in their contact with the sick, they experience the trauma caused by suffering in people’s lives. They are men and women who have chosen to say “yes” to a very special vocation: that of being good Samaritans who are concerned for the life and suffering of others. They are guardians and preservers of life, who, even as they administer necessary treatments, offer courage, hope and trust.[1]

Dear nurses, moral responsibility is the hallmark of your professional service, which cannot be reduced to scientific-technical knowledge alone, but must be constantly inspired by your human and humanizing relationship with the sick. “Taking care of women and men, of children and elderly, in every phase of their life, from birth to death, you are tasked with continuous listening, aimed at understanding what the needs of that patient are, in the phase that he or she is experiencing. Before the uniqueness of each situation, indeed, it is never enough to follow a protocol, but a constant – and tiresome! – effort of discernment and attention to the individual person is required”.[2]

You – and here I think too of midwives – are close to people at crucial moments in their existence – birth and death, disease and healing – helping them deal with traumatic situations. Sometimes you find yourself at their side as they are dying, giving comfort and relief in their last moments. Because of your dedication, you are among the “saints next door”.[3] You are an image of the Church as a “field hospital” that continues to carry out the mission of Jesus Christ, who drew near to and healed people with all kinds of sickness and who stooped down to wash the feet of his disciples. Thank you for your service to humanity!

In many countries, the pandemic has also brought to light a number of deficiencies in the provision of health care. For this reason, I would ask leaders of nations throughout the world to invest in health care as the primary common good, by strengthening its systems and employing greater numbers of nurses, so as to ensure adequate care to everyone, with respect for the dignity of each person. It is important to recognize in an effective way the essential role your profession plays in patient care, local emergency activity, disease prevention, health promotion, and assistance in family, community and school settings.

Nurses, as well as midwives, deservedly have the right to be better and more fully valued and involved in processes concerning the health of individuals and communities. It has been shown that investing in them improves overall care and health. Their professionalism should thus be enhanced by providing suitable scientific, human, psychological and spiritual tools for their training, by improving their working conditions and by guaranteeing their rights, so that they can carry out their service in full dignity.

In this regard, associations of healthcare workers play an important role. In addition to offering comprehensive training, they support their individual members, making them feel part of a larger body, never dismayed and alone as they face the ethical, economic and human challenges that their profession entails.

I would like to say a special word to midwives who assist women in their pregnancies and help them give birth to their children. Your work is among the most noble of professions, for it is directly dedicated to the service of life and of motherhood. In the Bible, the names of two heroic midwives, Shiphrah and Puah, are immortalized in the Book of Exodus (cf. 1:15-21). Today, too, the heavenly Father looks to you with gratitude.

Dear nurses, dear midwives, may this annual celebration highlight the dignity of your work for the benefit of the health of society as a whole. With the assurance of my prayers for you, your families and those for whom you care, I cordially impart to all of you my Apostolic Blessing.

Rome, from Saint John Lateran, 12 May 2020


Urbi et Orbi tijdens de Corona-pandemie: “Waarom ben je bang? Heb je nog geen vertrouwen?”

Portaal van de Sint Pieter

Evangelielezing: Marcus 4, 35-41:

Op diezelfde dag tegen het vallen van de avond sprak Jezus tot hen: “Laten we oversteken.” Zij stuurden het volk weg en namen Hem mee zoals Hij daar in de boot zat; andere boten begeleidden Hem. Er stak een hevige storm op en de golven sloegen over de boot, zodat hij al vol liep. Intussen lag Hij aan de achtersteven op het kussen te slapen. Ze maakten Hem wakker en zeiden Hem: “Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?” Hij stond op, richtte zich met een dwingend woord tot de wind en sprak tot het water: “Zwijg, stil!” De wind ging liggen en het werd volmaakt stil. Hij sprak tot hen: “Waarom zijn ge zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?” Zij werden door een grote vrees bevangen en vroegen elkaar: “Wie is Hij toch, dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen?”

De Paus geeft zijn meditatie:

“Tegen het vallen van de avond” (Mc. 4, 35). Zo begint de passage uit het Evangelie dat we zojuist hebben gehoord. [1Vgl. Mc. 4, 35-41. Zee en wind gehoorzamen. Op diezelfde dag tegen het vallen van de avond sprak Jezus tot hen: “Laten we oversteken.” …] Het lijkt nu al wekenlang of de avond is gevallen. Het duister is neergedaald over onze pleinen, onze straten en onze steden; het heeft zich meester gemaakt van ons leven. Het vult alles met een oorverdovende stilte en een troosteloze leegte, die alles op haar weg verlamt. Je voelt het in de lucht, je ziet het aan de gebaren, je ziet het aan hoe mensen kijken. We zijn bang en verward. Zoals de discipelen in het evangelie zijn wij ineens gegrepen door een onverwacht opgekomen razende storm. We merken dat we allemaal in hetzelfde schuitje zitten. We zijn kwetsbaar en we zijn de weg kwijt, en toch zijn we allemaal heel belangrijk en nodig. We moeten allemaal samen roeien en elkaar troost bieden. In die boot zitten wij met z’n allen. Net zoals die discipelen, die met één stem spreken en angstig zeggen: “We vergaan” (Mc. 4, 38). Zo merken ook wij dat we niet ieder voor zich verder kunnen, maar alleen gezamenlijk.

Het is gemakkelijk om ons in dit verhaal te herkennen. Wat moeilijk is, is de houding van Jezus te begrijpen. Terwijl de leerlingen van nature verontrust en wanhopig zijn, blijft Hij gewoon op de achtersteven, in het deel van de boot dat als eerste onder zal gaan. En wat doet Hij? Ondanks de commotie slaapt Hij vredig, vertrouwend op de Vader – het is de enige keer in het Evangelie dat we Jezus zien slapen. Wanneer Hij wordt gewekt, brengt Hij de wind en het water tot bedaren, en dan wendt Hij zich tot de leerlingen op een verwijtende toon: “Waarom zijn jullie bang? Heb je nog geen geloof? (Mc. 4, 40).

Laten we proberen het te begrijpen. Wat is het gebrek aan geloof van de leerlingen, dat tegengesteld is aan het vertrouwen van Jezus? Ze hadden niet opgehouden in Hem te geloven, in feite roepen ze Hem aan. Maar laten we eens kijken hoe ze Hem aanroepen: “Meester, kan het u niet schelen dat we verloren gaan?” (Mc. 4, 38). Kan het u niet schelen: ze denken dat Jezus niet geïnteresseerd is in hen, dat Hij zich niet om hen bekommert. Onder ons, in onze families, is een van de dingen die het meest pijn doen als we onszelf horen zeggen: “Geef je niet om mij?” Het is een zin die pijn doet en stormen in ons hart ontketent. Het moet Jezus ook wakker geschud hebben. Omdat niemand meer om ons geeft dan Hij. In feite redt Hij, als Hij eenmaal is aangeroepen, zijn twijfelende leerlingen.

De storm ontmaskert onze kwetsbaarheid en laat die valse en onnodige zekerheden achter waarmee we onze agenda’s, onze plannen, onze gewoontes en prioriteiten hebben opgebouwd. Het laat ons zien hoe we in slaap zijn gevallen en hebben achtergelaten wat ons leven en onze gemeenschap voedt, onderhoudt en kracht geeft. De storm brengt alle intenties aan het licht van het “inpakken” en het vergeten van wat de zielen van onze volkeren heeft gevoed; al die pogingen om te verdoven met schijnbaar “reddende” gewoontes, niet in staat om een beroep te doen op onze wortels en de herinnering aan onze voorouders op te roepen, waardoor we de immuniteit die nodig is om tegenspoed het hoofd te bieden, niet meer onder ogen kunnen zien.

Met de storm is de truc vervallen van die stereotypen waarmee we onze “ego’s”, die zich altijd zorgen maken over ons eigen imago, gecamoufleerd hebben, en opnieuw is ontdekt dat we niet los kunnen van het (gezegende) gemeenschappelijk bezit: het bestaan als broeders en zusters.

“Waarom ben je bang? Heb je nog geen vertrouwen?”. Heer, uw Woord vanavond slaat op ons en gaat ons allemaal aan. In deze wereld van ons, waar U meer van houdt dan wij, zijn we op volle snelheid doorgeschoten, voelen we ons sterk en tot alles in staat. Geleidelijk aan hebben we ons laten meeslepen door de dingen en ons laten verdoven door de haast. We zijn niet gestopt bij uw oproepen, we zijn niet ontwaakt door oorlogen en mondiale onrechtvaardigheden, we hebben niet geluisterd naar de kreet van de armen, en van onze ernstig zieke planeet. We gingen onverschrokken verder, met de gedachte dat we wel altijd gezond zouden blijven in een zieke wereld. Nu, terwijl we op zee in beroering zijn, smeken we U, “Word wakker, Heer!”

“Waarom ben je bang? Heb je nog geen geloof?” Heer, Gij doet een beroep op ons, een beroep op ons geloof. Dat het niet zozeer gaat om te geloven dat U bestaat, maar om naar U toe te komen en U te vertrouwen. In deze Vastentijd klinkt uw dringende oproep: “Bekeer je,” “keer met heel je hart naar Mij terug” (Joel 2, 12). U roept ons op om deze tijd van de beproeving aan te grijpen als een tijd van keuze. Het is niet de tijd van uw oordeel, maar van ons oordeel: de tijd om te kiezen voor wat belangrijk is en wat voorbij gaat, om te onderscheiden wat nodig is en wat niet. Het is de tijd om de koers van het leven naar U, Heer, en naar de anderen te resetten. En we kunnen kijken naar zoveel voorbeeldige metgezellen die, in angst, hebben gereageerd door hun leven te geven. Het is de werkkracht van de Geest die wordt uitgestort en gegoten in moedige en edelmoedige toewijding. Het is het leven van de Geest dat in staat is om te verlossen, te waarderen en te laten zien hoe ons leven geweven en in stand gehouden wordt door gewone mensen – meestal vergeten – die niet verschijnen in de krantenkoppen en tijdschriften of op de grote catwalks van de laatste show, maar vandaag de dag zonder twijfel de beslissende gebeurtenissen van onze geschiedenis schrijven: artsen, verpleegkundigen en verplegers, supermarktmedewerkers, schoonmakers, verzorgers, vervoerders, wetshandhavers, vrijwilligers, priesters, religieuzen en vele, vele anderen die hebben begrepen dat niemand zich kan redden. Tegenover het lijden, waaraan de ware ontwikkeling van onze volkeren wordt afgemeten, ontdekken en ervaren we het hogepriesterlijk gebed van Jezus: “opdat allen één zijn” (Joh. 17, 21). Hoeveel mensen oefenen geduld uit en geven elke dag hoop, waarbij ze ervoor zorgen dat ze niet in paniek raken maar medeverantwoordelijk zijn. Hoeveel vaders, moeders, grootouders en grootmoeders, leerkrachten laten onze kinderen met kleine en dagelijkse gebaren zien hoe ze een crisis onder ogen moeten zien en hoe ze die moeten doorstaan door hun gewoontes aan te passen, hun ogen te verheffen en het gebed te stimuleren. Hoeveel mensen bidden, offeren en bemiddelen voor het welzijn van iedereen. Gebed en stille dienst: dat zijn onze wapens om te overwinnen.

“Waarom ben je bang? Heb je nog geen vertrouwen?” Het begin van het geloof is dat we weten dat we redding nodig hebben. We zijn niet zelfvoorzienend, eenlingen; op onszelf zullen we zinken: we hebben de Heer nodig zoals de oude zeelieden de sterren. We nodigen Jezus uit in de boten van ons leven. Laten we Hem onze angsten geven, zodat hij ze kan overwinnen. Net als de leerlingen zullen we ervaren dat we met Hem aan boord geen schipbreuk zullen lijden. Want dit is Gods kracht: alles wat ons overkomt, zelfs slechte dingen, ten goede te keren. Hij brengt gemoedsrust in onze stormen, want bij God sterft het leven nooit.

De Heer daagt ons uit en nodigt ons uit om, te midden van onze storm, solidariteit en hoop te wekken en te activeren die in staat zijn om stevigheid, steun en betekenis te geven aan deze uren waarin alles schipbreuk lijkt te hebben geleden. De Heer ontwaakt om ons Paasgeloof te wekken en te doen herleven. We hebben een anker: in Zijn kruis zijn we gered. We hebben een roerganger: in Zijn kruis zijn we verlost. We hebben hoop: in Zijn kruis zijn we genezen en omarmd, zodat niets en niemand ons kan scheiden van Zijn verlossende liefde. Te midden van het isolement waarin we lijden onder het gebrek aan genegenheid en ontmoetingen, waarbij we het gebrek aan veel dingen ervaren, luisteren we opnieuw naar de aankondiging die ons redt: Hij is opgestaan en leeft naast ons. De Heer roept ons vanaf Zijn kruis op om het leven dat ons te wachten staat te herontdekken, om te kijken naar hen die ons claimen, om de genade die ons bewoont te versterken, te erkennen en te bemoedigen. Laten we de kwijnende vlam niet doven. [2Vgl. Jes. 42, 3. Het gekwetste riet zal hij niet breken en de kwijnende vlaspit blaast hij niet uit. Waarlijk, het recht maakt hij openbaar.], die nooit ziek wordt, en laten we de hoop weer aanwakkeren.

Zijn kruis omarmen betekent de moed vinden om alle tegenslagen van de huidige tijd te omarmen en even afstand te doen van ons verlangen naar almacht en bezittingen om ruimte te geven aan de creativiteit die alleen de Geest kan wekken. Het betekent de moed vinden om ruimtes te openen waar iedereen zich geroepen voelt en nieuwe vormen van gastvrijheid, broederschap en solidariteit toe te laten. In Zijn kruis zijn we gered om de hoop te verwelkomen en het te laten zijn om alle mogelijke maatregelen en manieren die ons kunnen helpen om onszelf te behouden en te bewaken, te versterken en te ondersteunen. De Heer omarmen om de hoop te omarmen: dat is de kracht van het geloof, die ons bevrijdt van angst en ons hoop geeft.

“Waarom ben je bang? Heb je nog geen vertrouwen?” Beste broeders en zusters, vanuit deze plaats, die het rotsachtige geloof van Petrus verhaalt, wil ik jullie vanavond allemaal aan de Heer toevertrouwen, op voorspraak van Onze Lieve Vrouw, heil van Gods volk, ster van de stormachtige zee. Vanaf deze colonnade die Rome en de wereld omarmt, daalt Gods zegen op u neer als een troostende omhelzing. Heer, zegen de wereld, geef gezondheid aan het lichaam en troost aan het hart. U vraagt ons niet bang te zijn. Maar ons geloof is zwak en we zijn bang. Maar U, Heer, laat ons niet aan de greep van de storm over. En nogmaals: “Wees niet bang” (Mt 28, 5). En wij, samen met Petrus, “werpen al onze zorgen op U, want Gij hebt zorg voor ons”. [3Vgl. 1 Pt. 5, 7. “Schuift al uw zorgen op Hem af, want Hij heeft zorg voor u.”]

Vertaling met toestemming overgenomen van R.K. Documenten.nl

Waarde en onschendbaarheid van het menselijk leven

Paus Franciscus
25 maart 2020

Beste broeders en zusters, goedemorgen!

Vijfentwintig jaar geleden, op dezelfde datum van 25 maart, die in de Kerk het plechtige feest van de Aankondiging van de Heer is, heeft de heilige Johannes Paulus II de Encycliek Evangelium Vitae uitgevaardigd over de waarde en onschendbaarheid van het menselijk leven.

De band tussen de Aankondiging en het “Evangelie van het leven” is sterk en diep. De heilige Johannes Paulus benadrukt dat in zijn Encycliek. Op onze dagen hernieuwen we dit onderricht in de context van een pandemie die een bedreiging vormt voor het menselijk leven en de wereldeconomie. Een situatie die de woorden waarmee de encycliek begint nog indringender maakt: “Het evangelie van het leven behoort tot de kern van Jezus’ boodschap. Dag na dag ontvangt de Kerk het met liefde en moet zij het moedig en trouw als goed nieuws voor de mensen van alle tijden en culturen verkondigen.” [4H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven, Evangelium Vitae (25 mrt 1995), 1: Het Evangelie van het Leven staat in het hart van de boodschap van Jezus. Dagelijks door de Kerk met liefde ontvangen, moet zij met moedige trouw verkondigd worden als het goede nieuws aan de mensen van ieder tijdperk en elke …]

Zoals elke verkondiging van het Evangelie moet ook hiervan in de eerste plaats getuigenis worden gegeven. En ik denk met dankbaarheid aan het stille getuigenis van zoveel mensen die op verschillende manieren hun best doen om zieken, bejaarden, eenzamen en behoeftigen te dienen. Ze brengen het Evangelie van het leven in praktijk, zoals Maria die, nadat ze de aankondiging van de engel had vernomen, haar nicht Elizabeth ging helpen die het nodig had.

In feite is het leven dat we moeten bevorderen en verdedigen geen abstract begrip. Het wordt altijd zichtbaar in een persoon van vlees en bloed: een pas verwekt kind, een arme verschoppeling, een zieke die alleen en ontmoedigd is of terminaal, iemand die zijn baan kwijt is of geen werk kan vinden, een afgewezen migrant verbannen in een ghetto… Het leven openbaart zich concreet in mensen.

Ieder mens is door God geroepen om van de volheid van het leven te genieten. Omdat elke mens is toevertrouwd aan de moederlijke zorg van de Kerk, kan het niet anders dan dat iedere bedreiging van de menselijke waardigheid en het leven in haar hart, in haar moederlijke “binnenste” wordt gevoeld. De verdediging van het leven is voor de Kerk geen ideologie, het is een werkelijkheid, een menselijke werkelijkheid waarbij alle christenen betrokken zijn, precies omdat ze Christenen zijn en omdat ze mensen zijn.

De aanslagen op de waardigheid en het leven van de mensen gaan helaas in onze tijd nog steeds verder, in het tijdperk van de Universele Rechten van de Mens. Meer nog, we staan voor nieuwe bedreigingen en nieuwe slavernijen, en de wetgeving beschermt niet steeds de zwakste en meest kwetsbare mensen.

De boodschap van de Encycliek Evangelium Vitae is dus meer dan ooit actueel. Naast noodsituaties, zoals die we nu meemaken, is het een kwestie van handelen op cultureel en educatief vlak. Het komt erop aan een houding van solidariteit, zorg en aanvaarding over te brengen aan de toekomstige generaties, in het besef dat de cultuur van het leven niet het exclusieve erfgoed van Christenen is, maar eigen is aan allen die werken aan de opbouw van broederlijke relaties en de waarde erkennen van ieder mens, zelfs wanneer die kwetsbaar is en lijdt.

Beste broeders en zusters, elk menselijk leven, enig en onherhaalbaar, is op zich waardevol en van onschatbare waarde. Dit moet altijd opnieuw worden verkondigd, met de moed van het woord en de moed van de actie. Het is een oproep tot broederlijke liefde voor de grote mensenfamilie en voor elk van haar leden.

Daarom herhaal ik met hernieuwde overtuiging de oproep van de heilige Johannes Paulus II die vijfentwintig jaar geleden deze encycliek schreef: “respecteer, verdedig, bemin en dien het leven, ieder menselijk leven! Alleen op die weg zul je gerechtigheid, ontwikkeling, echte vrijheid, vrede en geluk vinden!” [5H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven, Evangelium Vitae (25 mrt 1995), 5 “Aan het probleem van de bedreigingen van het menselijk leven in onze tijd was het Buitengewoon Consistorie van de kardinalen gewijd, dat plaatsvond in Rome van 4 tot 7 april 1991. Na een uitvoerige en diepgaande bespreking van het probleem …]

Overgenomen met toestemming van RK Documenten

Ethiek van Artificiële Intelligentie

Address prepared by Pope Francis, read by H.E. Archbishop Paglia, President of the Pontifical Academy for Life

28 February 2020

Distinguished Authorities, Ladies and Gentlemen, Dear Brothers and Sisters,

I offer you a cordial greeting on the occasion of the General Assembly of the Pontifical Academy for Life. I thank Archbishop Paglia for his kind words. I am grateful too for the presence of the President of the European Parliament, the FAO Director-General and the other authorities and leaders in field of information technology. I also greet those who join us from the Conciliazione Auditorium. And I am heartened by the numerous presence of young people: I see this as a sign of hope.

The issues you have addressed in these days concern one of the most important changes affecting today’s world. Indeed, we could say that the digital galaxy, and specifically artificial intelligence, is at the very heart of the epochal change we are experiencing. Digital innovation touches every aspect of our lives, both personal and social. It affects our way of understanding the world and ourselves. It is increasingly present in human activity and even in human decisions, and is thus altering the way we think and act. Decisions, even the most important decisions, as for example in the medical, economic or social fields, are now the result of human will and a series of algorithmic inputs. A personal act is now the point of convergence between an input that is truly human and an automatic calculus, with the result that it becomes increasingly complicated to understand its object, foresee its effects and define the contribution of each factor.

To be sure, humanity has already experienced profound upheavals in its history: for example, the introduction of the steam engine, or electricity, or the invention of printing which revolutionized the way we store and transmit information. At present, the convergence between different scientific and technological fields of knowledge is expanding and allows for interventions on phenomena of infinitesimal magnitude and planetary scope, to the point of blurring boundaries that hitherto were considered clearly distinguishable: for example, between inorganic and organic matter, between the real and the virtual, between stable identities and events in constant interconnection.

On the personal level, the digital age is changing our perception of space, of time and of the body. It is instilling a sense of unlimited possibilities, even as standardization is becoming more and more the main criterion of aggregation. It has become increasingly difficult to recognize and appreciate differences. On the socio-economic level, users are often reduced to “consumers”, prey to private interests concentrated in the hands of a few. From digital traces scattered on the internet, algorithms now extract data that enable mental and relational habits to be controlled, for commercial or political ends, frequently without our knowledge. This asymmetry, by which a select few know everything about us while we know nothing about them, dulls critical thought and the conscious exercise of freedom. Inequalities expand enormously; knowledge and wealth accumulate in a few hands with grave risks for democratic societies. Yet these dangers must not detract from the immense potential that new technologies offer. We find ourselves before a gift from God, a resource that can bear good fruits.

The issues with which your Academy has been concerned since its inception present themselves today in a new way. The biological sciences are increasingly employing devices provided by artificial intelligence. This development has led to profound changes in our way of understanding and managing living beings and the distinctive features of human life, which we are committed to safeguarding and promoting, not only in its constitutive biological dimension, but also in its irreducible biographical aspect. The correlation and integration between life that is “lived” and life that is “experienced” cannot be dismissed in favour of a simple ideological calculation of functional performance and sustainable costs. The ethical problems that emerge from the ways that these new devices can regulate the birth and destiny of individuals call for a renewed commitment to preserve the human quality of our shared history.

For this reason, I am grateful to the Pontifical Academy for Life for its efforts to develop a serious reflection that has fostered dialogue between the different scientific disciplines indispensable for addressing these complex phenomena.

I am pleased that this year’s meeting includes individuals with various important roles of responsibility internationally in the areas of science, industry and political life. I am gratified by this and I thank you. As believers, we have no ready-made ideas about how to respond to the unforeseen questions that history sets before us today. Our task is rather one of walking alongside others, listening attentively and seeking to link experience and reflection. As believers, we ought to allow ourselves to be challenged, so that the word of God and our faith tradition can help us interpret the phenomena of our world and identify paths of humanization, and thus of loving evangelization, that we can travel together. In this way we will be able to dialogue fruitfully with all those committed to human development, while keeping at the centre of knowledge and social praxis the human person in all his or her dimensions, including the spiritual. We are faced with a task involving the human family as a whole.

In light of this, mere training in the correct use of new technologies will not prove sufficient. As instruments or tools, these are not “neutral”, for, as we have seen, they shape the world and engage consciences on the level of values. We need a broader educational effort. Solid reasons need to be developed to promote perseverance in the pursuit of the common good, even when no immediate advantage is apparent. There is a political dimension to the production and use of artificial intelligence, which has to do with more than the expanding of its individual and purely functional benefits. In other words, it is not enough simply to trust in the moral sense of researchers and developers of devices and algorithms. There is a need to create intermediate social bodies that can incorporate and express the ethical sensibilities of users and educators.

There are many disciplines involved in the process of developing technological equipment (one thinks of research, planning, production, distribution, individual and collective use…), and each entails a specific area of responsibility. We are beginning to glimpse a new discipline that we might call “the ethical development of algorithms” or more simply “algor-ethics” (cf. Address to Participants in the Congress on Child Dignity in the Digital World, 14 November 2019). This would have as its aim ensuring a competent and shared review of the processes by which we integrate relationships between human beings and today’s technology. In our common pursuit of these goals, a critical contribution can be made by the principles of the Church’s social teaching: the dignity of the person, justice, subsidiarity and solidarity. These are expressions of our commitment to be at the service of every individual in his or her integrity and of all people, without discrimination or exclusion. The complexity of the technological world demands of us an increasingly clear ethical framework, so as to make this commitment truly effective.

The ethical development of algorithms – algor-ethics – can be a bridge enabling those principles to enter concretely into digital technologies through an effective cross-disciplinary dialogue. Moreover, in the encounter between different visions of the world, human rights represent an important point of convergence in the search for common ground. At present, there would seem to be a need for renewed reflection on rights and duties in this area. The scope and acceleration of the transformations of the digital era have in fact raised unforeseen problems and situations that challenge our individual and collective ethos. To be sure, the Call that you have signed today is an important step in this direction, with its three fundamental coordinates along which to journey: ethics, education and law.

Dear friends, I express my support for the generosity and energy with which you have committed yourselves to launching this courageous and challenging process of reassessment. I invite you to continue with boldness and discernment, as you seek ways to increase the involvement of all those who have the good of the human family at heart. Upon all of you, I invoke God’s blessings, so that your journey can continue with serenity and peace, in a spirit of cooperation. May the Blessed Virgin assist you. I accompany you with my blessing. And I ask you please to remember me in your prayers. Thank you.

Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken.

Message of His Holiness Pope Francis for the XXVIII World Day of the Sick 2020 – 11 February 2020

“Come to me, all you who labour and are burdened, and I will give you rest” (Mt 11:28)

Dear brothers and sisters,

1. Jesus’ words, “Come to me, all you who labour and are burdened, and I will give you rest” (Mt 11:28) point to the mysterious path of grace that is revealed to the simple and gives new strength to those who are weary and tired. These words of Christ express the solidarity of the Son of Man with all those who are hurt and afflicted. How many people suffer in both body and soul! Jesus urges everyone to draw near to him – “Come to me!” – and he promises them comfort and repose. “When Jesus says this, he has before him the people he meets every day on the streets of Galilee: very many simple people, the poor, the sick, sinners, those who are marginalized by the burden of the law and the oppressive social system… These people always followed him to hear his word, a word that gave hope! Jesus’ words always give hope!” (Angelus, 6 July 2014).

On this XXVIII World Day of the Sick, Jesus repeats these words to the sick, the oppressed, and the poor. For they realize that they depend entirely on God and, beneath the burden of their trials, stand in need of his healing. Jesus does not make demands of those who endure situations of frailty, suffering and weakness, but offers his mercy and his comforting presence. He looks upon a wounded humanity with eyes that gaze into the heart of each person. That gaze is not one of indifference; rather, it embraces people in their entirety, each person in his or her health condition, discarding no one, but rather inviting everyone to share in his life and to experience his tender love.

2. Why does Jesus have these feelings? Because he himself became frail, endured human suffering and received comfort from his Father. Indeed, only those who personally experience suffering are then able to comfort others. There are so many kinds of grave suffering: incurable and chronic diseases, psychological diseases, situations calling for rehabilitation or palliative care, numerous forms of disability, children’s or geriatric diseases… At times human warmth is lacking in our approach to these. What is needed is a personalized approach to the sick, not just of curing but also of caring, in view of an integral human healing. In experiencing illness, individuals not only feel threatened in their physical integrity, but also in the relational, intellectual, affective and spiritual dimensions of their lives. For this reason, in addition to therapy and support, they expect care and attention. In a word, love. At the side of every sick person, there is also a family, which itself suffers and is in need of support and comfort.

3. Dear brothers and sisters who are ill, your sickness makes you in a particular way one of those “who labour and are burdened”, and thus attract the eyes and heart of Jesus. In him, you will find light to brighten your darkest moments and hope to soothe your distress. He urges you: “Come to me”. In him, you will find strength to face all the worries and questions that assail you during this “dark night” of body and soul. Christ did not give us prescriptions, but through his passion, death and resurrection he frees us from the grip of evil.

In your experience of illness, you certainly need a place to find rest. The Church desires to become more and more the “inn” of the Good Samaritan who is Christ (cf. Lk 10:34), that is, a home where you can encounter his grace, which finds expression in closeness, acceptance and relief. In this home, you can meet people who, healed in their frailty by God’s mercy, will help you bear your cross and enable your suffering to give you a new perspective. You will be able to look beyond your illness to a greater horizon of new light and fresh strength for your lives.

A key role in this effort to offer rest and renewal to our sick brothers and sisters is played by healthcare workers: physicians, nurses, medical and administrative professionals, assistants and volunteers. Thanks to their expertise, they can make patients feel the presence of Christ who consoles and cares for the sick, and heals every hurt. Yet they too are men and women with their own frailties and even illnesses. They show how true it is that “once Christ’s comfort and rest is received, we are called in turn to become rest and comfort for our brothers and sisters, with a docile and humble attitude in imitation of the Teacher” (Angelus, 6 July 2014).

4. Dear healthcare professionals, let us always remember that diagnostic, preventive and therapeutic treatments, research, care and rehabilitation are always in the service of the sick person; indeed the noun “person” takes priority over the adjective “sick”. In your work, may you always strive to promote the dignity and life of each person, and reject any compromise in the direction of euthanasia, assisted suicide or suppression of life, even in the case of terminal illness.

When confronted with the limitations and even failures of medical science before increasingly problematic clinical cases and bleak diagnoses, you are called to be open to the transcendent dimension of your profession that reveals its ultimate meaning. Let us remember that life is sacred and belongs to God; hence it is inviolable and no one can claim the right to dispose of it freely (cf. Donum Vitae, 5; Evangelium Vitae, 29-53). Life must be welcomed, protected, respected and served from its beginning to its end: both human reason and faith in God, the author of life, require this. In some cases, conscientious objection becomes a necessary decision if you are to be consistent with your “yes” to life and to the human person. Your professionalism, sustained by Christian charity, will be the best service you can offer for the safeguarding of the truest human right, the right to life. When you can no longer provide a cure, you will still be able to provide care and healing, through gestures and procedures that give comfort and relief to the sick.

Tragically, in some contexts of war and violent conflict, healthcare professionals and the facilities that receive and assist the sick are attacked. In some areas, too, political authorities attempt to manipulate medical care for their own advantage, thus restricting the medical profession’s legitimate autonomy. Yet attacking those who devote themselves to the service of the suffering members of society does not serve the interests of anyone.

5. On this XXVIII World Day of the Sick, I think of our many brothers and sisters throughout the world who have no access to medical care because they live in poverty. For this reason, I urge healthcare institutions and government leaders throughout the world not to neglect social justice out of a preoccupation for financial concerns. It is my hope that, by joining the principles of solidarity and subsidiarity, efforts will be made to cooperate in ensuring that everyone has access to suitable treatments for preserving and restoring their health. I offer heartfelt thanks to all those volunteers who serve the sick, often compensating for structural shortcomings, while reflecting the image of Christ, the Good Samaritan, by their acts of tender love and closeness.

To the Blessed Virgin Mary, Health of the Sick, I entrust all those who bear the burden of illness, along with their families and all healthcare workers. With the assurance of a remembrance in my prayers, I cordially impart my Apostolic Blessing.

From the Vatican, 3 January 2020

Memorial of the Most Holy Name of Jesus


Maak de wereld meer humaan door de waardigheid van gehandicapten te garanderen

Message for International Day of Persons with Disabilities

Pope Francis
3 december 2019

On the occasion of the International Day of Persons with Disabilities, we renew our gaze of faith, which sees in each brother and sister the presence of Christ Himself, Who considers every gesture of love towards one of His least brothers to have been made to Himself (cf. Gospel of Matthew 25: 40). On this occasion, I would like to recall how today the promotion of the right to participation plays a central role in combating discrimination and promoting the culture of encounter and quality of life.

Great progress has been made towards people with disabilities in the medical and welfare fields, but still today we see the presence of the throwaway culture, and many of them feel that they exist without belonging and without participating. All this calls not only for the rights of people with disabilities and their families to be protected, but it also exhorts us to make the world more human by removing everything that prevents them from having full citizenship, the obstacles of prejudice, and by promoting the accessibility of places and quality of life, taking into account of all the dimensions of the human being.

It is necessary to care for and accompany persons with disabilities in every condition of life, also making use of current technologies but without regarding them as absolute; with strength and tenderness, to take on board situations of marginalization; and to make way alongside them and to “anoint” them with dignity for an active participation in the civil and ecclesial community. It is a demanding, even tiring journey, which will increasingly contribute to forming consciences capable of recognizing that each one of us is a unique and unrepeatable person.

And let us not forget the many “hidden exiles”, who live within our homes, our families, our societies (cf. Angelus, 29 December 2013; Address to the Diplomatic Corps, 12 January 2015). I think of people of every age, especially the elderly who, also due to disabilities, are at times considered a burden, a “cumbersome presence”, and risk being discarded, of being denied concrete job prospects for the construction of their future.

We are called to recognize in every person with disabilities, even with complex and grave disabilities, a unique contribution to the common good through his or her own original life story. To acknowledge the dignity of each person, well aware that this does not depend on the functionality of the five senses (cf. Discussion with the participants in the Convention of the CEI on disability, 11 June 2016). This conversion is taught by the Gospel. It is necessary to develop antibodies against a culture that considers some lives to be “League A” and others “League B”: this is a social sin! To have the courage to give a voice to those who are discriminated against for their condition of disability, since unfortunately in some countries, still today, they are not recognized as persons of equal dignity, as brothers and sisters in humanity.

Indeed, making good laws and breaking down physical barriers is important, but it is not enough, if the mentality does not change, if we do not overcome a widespread culture that continues to produce inequalities, preventing people with disabilities from actively participating in ordinary life.

In recent years inclusive processes have been put in place and implemented, but this is still not enough, as prejudices generate, in addition to physical barriers, also limits to access to education for all, to employment and to participation. A person with disabilities, in order to build himself up, needs not only to exist but also to belong to a community.

I encourage all those who work with people with disabilities to continue with this important service and commitment, which determines the degree of civilization of a nation. And I pray that each person may feel the paternal gaze of God, who affirms his full dignity and the unconditional value of his life.

Tot ziekenhuispersoneel: ‘Jullie laten het moederlijke gezicht van God zien’

Meeting with the medical staff of St. Louis Hospital

Pope Francis
Bangkok, 21 November 2019

Dear Friends,

I am happy to have this opportunity to meet you, the medical, nursing and support staff of St. Louis Hospital and other Catholic hospitals and charitable agencies. I thank the Director for his kind words of introduction. It is a blessing for me to witness at first hand this valuable service that the Church offers to the Thai people, especially to those most in need. With affection, I greet the Sisters of Saint Paul of Chartres and all the other women religious present today, and I thank them for their quiet and joyful dedication to this apostolate over these many years. You enable us to contemplate the maternal face of God who bends down to anoint and raise up his children: thank you.

I was pleased to hear the Director speak of the principle by which this Hospital operates: Ubi caritas, Deus ibi est – where love is, there God is. It is precisely in the exercise of charity that we Christians are called not only to demonstrate that we are missionary disciples, but also to take stock of our own fidelity, and that of our institutions, to the demands of that discipleship. “Truly, I say to you”, says the Lord, “all that you have done to one of these my little brothers, you did it to me” (Mt 25:40). You are missionary disciples in the field of health care, for you open your hearts to “a mystical fraternity, a contemplative fraternity, capable of seeing the sacred grandeur of our neighbour, of finding God in every human being, of tolerating the nuisances of life in common by clinging to the love of God, of opening the heart to divine love and seeking the happiness of others, just as their heavenly Father does”(Evangelii Gaudium, 92).

Seen in this way, you carry out one of the greatest works of mercy, for your commitment to health care goes far beyond the simple and praiseworthy practice of medicine. This is not only a matter of procedures and programs; rather, it has to do with our readiness to embrace whatever each new day sets before us. It is about welcoming and embracing human life as it arrives at the Hospital’s emergency room, needing to be treated with the merciful care born of love and respect for the dignity of each human person. The healing process should rightly be seen as a powerful anointing capable of restoring human dignity in every situation, a gaze that grants dignity and provides support.

All of you, as members of this hospital community, are missionary disciples whenever you look at your patients and you learn to call them by name. I know that at times your service can prove burdensome and tiring; you work under extreme circumstances, and for this reason you need to be accompanied and supported in your work. This speaks to us of the need for a health care ministry in which not only patients but every member of this community can feel cared for and supported in his or her mission. Please know that your efforts and the work of the many institutions that you represent are a living testimony of the care and concern that all of us are called to show to everyone, especially the elderly, the young and those most vulnerable.

This year St. Louis Hospital celebrates the 120th anniversary of its foundation. How many people have received relief from their pain, comfort in their sorrow and companionship in their loneliness! As I give thanks to God for the gift of your presence over these years, I ask you to ensure that this and similar apostolates may increasingly become a sign and emblem of a Church on the move, which, in carrying out her mission, finds the courage to bring Christ’s healing love to all those who suffer.

At the end of this meeting, I will be visiting the sick and the disabled, as a way of accompanying them, however briefly, in their pain.

Each of us knows how illness brings with it questions that dig deep. Our first reaction may be to rebel and even experience moments of bewilderment and desolation. We cry out in pain, and rightly so: Jesus himself shared in that suffering and made it his own. With prayer, we too want to join in his own cry of pain.

By uniting ourselves to Jesus in his passion, we discover the power of his closeness to our frailty and our wounds. We are invited to cling to him and to his sacrifice. If at times we feel deeply “the bread of adversity and the water of affliction”, let us also pray that we can find, in an outstretched hand, the help needed to discover the comfort that comes from “the Lord who does not hide himself” (cf. Is 30:20), but remains ever close to us and accompanies us at every moment.

Let us place this meeting and our lives under the protective mantle of Mary. May she turn her eyes of mercy toward you, especially at times of pain, illness and vulnerability. May she obtain for you the grace of encountering her Son in the wounded flesh of all those whom you serve.

I bless all of you and your families. And I ask you, please, not to forget to pray for me.

Thank you!

Geneeskunde is een dienst aan de mens, euthanasie niet

Toespraak van Paus Franciscus tot de Nationale Federatie van de Ordes van chirurgen en kaakchirurgen

Paus Franciscus
20 september 2019

Dierbare broeders en zusters, 

Het is mijn vreugde u te ontvangen, u allen die tot de Nationale Orde van Geneesheren behoort van chirurgen en tandartsen, en ik dank u vicevoorzitter voor zijn vriendelijke woorden. 

Ik weet dat u de drie laatste jaren gewijd heeft aan “de algemene toestand” van het medisch beroep, dat u zich namelijk gebogen heeft over de manier om uw activiteit op zijn best uit te oefenen in een veranderde sociale context, teneinde veranderingen die nodig zijn beter te onderscheiden om de behoeften van de mensen te verstaan en hun, naast professionele competentie, een goede menselijke band te bieden. 

Geneeskunde is per definitie, een dienst aan het menselijk leven en als zodanig houdt zij een essentiële en onmisbare referentie in naar de persoon in zijn spirituele en materiële integriteit, in zijn individuele en sociale dimensie: geneeskunde staat ten dienste van de mens, van heel de mens en van alle mensen. En u, geneesheren, u bent zich van deze waarheid bewust in het spoor van een zeer lange traditie die zelfs teruggaat tot de intuïtie van Hippocrates: en het is precies omwille van deze overtuiging dat u terecht bezorgd bent voor de valstrikken die de huidige geneeskunde bedreigen. 

Men dient zich altijd te herinneren dat de ziekte, die het voorwerp is van uw zorgen, meer is dan een klinisch feit dat medisch kan omschreven worden; zij is altijd de conditie van een persoon, de zieke, en het is vanuit deze integraal humane kijk dat geneesheren geroepen zijn om in relatie te treden met hun patiënt: dus door oog te hebben voor zijn eigenheid als een persoon met een ziekte, en niet alleen voor de ziekte van deze patiënt. Het gaat er voor geneesheren om, met de vereiste technische en professionele competentie, een code aan waarden en zingeving te bezitten om zin te geven aan de ziekte en hun eigen werk en van ieder klinisch geval een menselijke ontmoeting te maken. 

Bijgevolg, is het binnen iedere verandering die u in de geneeskunde en de samenleving vaststelt, belangrijk dat de geneeskunde de eigenheid van iedere zieke, met zijn waardigheid en kwetsbaarheid, niet uit het oog verliest. Een man of vrouw om gewetensvol, met begrip en met een hart te begeleiden, vooral in de meest ernstige situaties. Met deze houding kan en moet men de verleiding – eveneens ten gevolge van veranderingen in de wetgeving – afwijzen, de geneeskunde te gebruiken om een zieke bij te staan die zou willen sterven door hem bij zelfmoord te assisteren of door zijn dood rechtstreeks door euthanasie te veroorzaken. 

In tegenstelling tot wat het lijkt, zijn deze keuzes niet de uitdrukking van de vrijheid van een persoon en het is voortvarend het elimineren van een zieke als een mogelijkheid te aanzien, terwijl het een verkeerd medelijden is om toe te geven aan iemands vraag zijn levenseinde te bespoedigen. Zoals het Nieuwe Charta voor mensen in de gezondheidszorg zegt: “Er bestaat geen recht om willekeurig over zijn eigen leven te beschikken, daarom mag geen enkele arts zich opstellen als de uitvoerende voogd van een recht dat niet bestaat” (nr. 169).  

De heilige Johannes Paulus II doet opmerken dat de verantwoordelijkheid van beroepsmensen in de gezondheidszorg “vandaag aanzienlijk gegroeid (is); zij wordt ten diepste gedragen en krachtig gesteund juist vanuit de ethische dimensie van de beroepen van de gezondheidszorg: een intrinsieke dimensie ervan, die niet verwaarloosd mag worden. Dit erkent de oude, maar nog steeds actuele eed van Hippocrates, die van iedere geneesheer vraagt ermee in te stemmen het menselijk leven en de heiligheid ervan absoluut te eerbiedigen” (Enc. Evangelium vitae, 89).

Dierbare vrienden, ik roep over uw engagement Gods zegen af en vertrouw u toe aan de voorspraak van de Heilige Maagd Maria Salus Infirmorum. En vergeet alstublieft niet voor mij te bidden. 

Vert. Maranatha-gemeenschap

Address of His Holiness Pope Francis to the National Federation of the Orders of doctors and dental surgeons

Pope Francis
20 September 2019

Dear brothers and sisters,

It is with pleasure that I welcome you all, members of the National Federation of the Orders of Doctors and Dental Surgeons, and I thank your vice president for his kind words. I know you have devoted the last three years to the “general states” of the medical profession, or rather, to the exchange on how best to exercise your activity in a changed social context, to identify better the changes useful to interpret people’s needs and to offer them, along with professional competences, also a good human relationship.

Medicine is by definition service to human life, and as such in involves an essential and indispensable reference to the person in his spiritual and material integrity, in his individual and social dimension: medicine is service to man, to the whole man, every man. And you doctors are convinced of this truth on the basis of a very long tradition, which dates back to the Hippocratic intuitions; and it is precisely from this conviction that there arise your just concerns for the pitfalls to which today’s medicine is exposed.

We must always remember that illness, the object of your concerns, is more than a clinical fact, medically circumscribable; it is always the condition of a person, the sick person, and it is with this entirely human vision that doctors are called to relate to the patient: considering therefore his singularity as a person who has an illness, and not only a case of whatever illness that patient has. For doctors it is a matter of possessing, together with the due technical-professional competence, a code of values and meanings with which to give meaning to the disease and to their work, and to make each individual clinical case a human encounter.

Faced, therefore, with any change in medicine and in the society you have identified, it is important that the doctor does not lose sight of the uniqueness of each patient, with his dignity and his fragility. A man or a woman to be accompanied with conscience, intelligence and heart, especially in the most serious situations. With this attitude we can and must reject the temptation – also induced by legislative changes – to use medicine to support a possible willingness to die of the patient, providing assistance to suicide or directly causing death by euthanasia.

These are hasty ways of dealing with choices that are not, as they might seem, an expression of the person’s freedom, when they include the discarding of the patient discard as a possibility, or false compassion in the face of the request to be helped to anticipate death. As the New Charter for Health Care Workers states: “There is no right to dispose arbitrarily of one’s life, so no doctor can become an executive guardian of a non-existent right” (169).

Saint John Paul II observes that the responsibility of health care workers “today is greatly increased. Its deepest inspiration and strongest support lie in the intrinsic and undeniable ethical dimension of the health-care profession, something already recognized by the ancient and still relevant Hippocratic Oath, which requires every doctor to commit himself to absolute respect for human life and its sacredness” (Evangelium vitae, 89).

Dear friends, I invoke God’s blessing on your commitment and I entrust you to the intercession of the Virgin Mary Salus infirmorum. Please do not forget to pray for me.

Persoonlijke zorg en aandacht voor het individu dat lijdt

Paus Franciscus
2 september 2019

Dierbare broeders en zusters, goeie dag!

Mijn hartelijke groeten aan u allen: aan de Voorzitster die ik dank voor haar woorden, aan de artsen en patiënten hier op deze bijeenkomst aanwezig, en aan alle leden.

Sinds 1973, fungeert de Italiaanse Vereniging voor medische Oncologie op het vlak van de gezondheid, op een waardevolle manier door onderzoek en preventie te stimuleren en zich toe te leggen op het verbeteren van diagnostiek en verzorging, en door talrijke initiatieven uit te werken voor bijscholing en opleiding van artsen en anderen die in de sector van oncologie beroepshalve werkzaam zijn. Uw Statuten illustreren de doeleinden van de vereniging die zich, zonder winstgevend doel, voor ogen stelt “de vooruitgang op klinisch en experimenteel vlak te promoveren evenals op het vlak van de sociale hulpverlening” (art. 2), door actieve samenwerking tussen artsen van verschillende specialisaties, organismen en instituten. U engageert zich “om relaties in de hand te werken” en “wetenschappelijke banden en samenwerkingsverbanden te leggen” (ibid.) in de wetenschappelijke wereld en die van het gezondheidswezen, waarbij gestreefd wordt naar het delen van de bereikte doelen en naar samenwerking tussen verschillende disciplines, wat dikwijls belemmerd wordt door het jaloers achterhouden van kennis.

In een wereld als de onze, dikwijls gedreven door tegenstellingen op alle domeinen van het menselijk samenleven, is de inspanning om relaties aan te knopen en in de hand te werken, essentieel voor de opbouw van het algemeen welzijn. De bewuste en dikwijls veeleisende keuze van een stijl die eerder verenigt dan verdeelt , is in het leven van de Vereniging aanwezig door aandacht voor de relatie met de zieke en zij komt vandaag juist tot uiting door de aanwezigheid van enkele patiënten onder u. De keuze om samen aan deze bijeenkomst deel te nemen en naast elkaar te zitten, is een sterk beeld en welsprekend teken, niet alleen voor de wereld van het gezondheidswezen, maar voor heel de samenleving, die geroepen is om zich te vernieuwen in een solidaire en broederlijke stijl.

Het nationaal Congres dat binnen enkele weken zal plaatshebben, zal juist gewijd zijn aan de biologische en klinische eigenheid van eenieder. Zo wordt de oncologie van de precisie die u promoveert, ook een oncologie van de barmhartigheid, omdat door de verzorging te individualiseren men niet alleen blijk geeft van aandacht voor de ziekte, maar voor de zieke en wat hem eigen is, voor de manier waarop hij op geneesmiddelen, pijnlijke informatie en lijden reageert.

Technologie dient de mens niet wanneer zij hem herleidt tot een object, wanneer zij een onderscheid maakt tussen degene die nog verzorging verdient en die het niet verdient, omdat hij te dikwijls beschouwd wordt als een last of zelfs als afval. De praktijk van euthanasie, die in meerdere landen reeds wettelijk is, wil de indruk wekken – doch dit is slechts schijn – de persoonlijke vrijheid te bevorderen; in werkelijkheid baseert zij zich op een utilitaristische kijk op de persoon, die nutteloos of als een financiële last beschouwd wordt, indien er vanuit medisch standpunt geen hoop op verbetering is en pijn niet kan vermeden worden.

In tegendeel, het engagement om de zieke en zijn naaste omgeving in alle fases van de ziekte te begeleiden, waarbij geprobeerd wordt het lijden door palliatieve zorgen te verlichten, of door in rusthuizen – die steeds talrijker worden – een familiale omgeving te creëren, draagt bij tot een cultuur en praktijk die meer aandacht hebben voor de waarde van elke persoon. Raak nooit ontmoedigd ten overstaan van het onbegrip dat u kan tegenkomen of de aanhoudende voorstellen van meer radicale en voortvarende wegen. Als men voor de dood kiest, zijn de problemen in zekere zin opgelost; maar hoeveel verbittering schuilt achter deze redenering, en hoezeer wordt de hoop vernietigd door de keuze om alles af te wijzen en alle banden te breken! Soms bevinden wij ons in een soort doos van Pandora: men weet alles, men verklaart alles, men lost alles op maar één ding blijft verborgen: de hoop. En wij moeten haar gaan zoeken. Hoe de hoop vertalen, of eerder, hoe in de meest extreme gevallen hoop geven.

Zo wordt uw dienst ook een werk van sensibilisering ten opzichte van een samenleving die weinig gewetensvol en soms verstrooid is. U herinnert haar op vele manieren aan het belang van preventie, door vroegtijdig een diagnose op te maken, zodat het gevaarlijk karakter van oncologische ziekten gevoelig kan beperkt worden, hetzij door respect voor het eigen lichaam en de eisen die het stelt. De beste en meest waarachtige preventie is namelijk die van een gezond milieu en een levensstijl die respect heeft voor het menselijk lichaam en zijn wetten. Zoals wij weten, hangt dat niet alleen af van individuele keuzes, maar ook van de plaats waar men woont, vooral in de grote centra, die het lichaam voortdurend aan stress onderwerpen omwille van het levensritme en de blootstelling aan vervuiling. Dat brengt onze aandacht naar de zorg voor het natuurlijk milieu, ons gemeenschappelijk huis, waarvoor wij respect moeten opbrengen, opdat het ons op zijn beurt zou respecteren. De bescherming van het milieu en de strijd tegen tumoren worden dan twee kanten van eenzelfde probleem, twee complementaire aspecten van eenzelfde strijd om beschaving en menselijkheid.

In uw engagement ten voordele van de zieken, het gezondheidssysteem en heel de samenleving, nodig ik u uit altijd het voorbeeld van Jezus voor de geest te houden, de grootste Meester in menselijkheid, om u aan Hem te inspireren in wat u doet en Hem tot uw reisgezel te maken. Moge Zijn gelaat, waarvan de contemplatie nooit uitgeput geraakt – zo groot is het licht dat er van uitgaat – inspireert de zieken en helpt hen de kracht vinden om de banden van de liefde niet te breken, om hun lijden op te dragen voor hun broeders en hun vriendschap met God levendig te bewaren. Moge Zijn gelaat artsen inspireren – Hij die in zekere zin uw collega is, als geneesheer door de Vader gezonden om de mensheid te genezen – opdat zij altijd het welzijn van de anderen voor ogen hebben, edelmoedig zichzelf geven en strijden voor een meer solidaire wereld. Moge Hij iedereen inspireren om degene die lijden, nabij te zijn. Nabijheid, de houding die zo belangrijk en noodzakelijk is. Nabijheid, de Heer zelf heeft ze in ons midden beoefend. Moge Hij ieder inspireren om degenen die lijden nabij te zijn, vooral de kleinen, en om de zwakken de eerste plaats te geven, voor een meer menselijke samenleving en relaties die eerder doordrongen zijn van belangloosheid dan van opportunisme.

Ik smeek Gods zegen af over al uw activiteiten en vertrouw u toe aan de Heilige Maagd Maria, opdat Zij met moederlijke genegenheid over u zou waken, over de artsen en alle zieken. Ik verzeker u van mijn gebed en vraag u ook voor mij te bidden. Dank u!

Vertaling: Maranatha-gemeenschap