Katholieke Stichting Medische Ethiek
6 december 2021

De pijnloze bevalling

Tot een groep medici van het “Internationaal secretariaat van Katholieke medici”

Paus Pius XII
8 januari 1956

1. Wij hebben inlichtingen ontvangen over een nieuwe methode in de gynaecologie, en men heeft Ons gevraagd om daartegenover van zedelijk en godsdienstig standpunt uit stelling te nemen. Het gaat over de natuurlijke, pijnloze bevalling, waarbij geen kunstmatige middelen worden gebruikt, maar alleen op de natuurlijke krachten van de moeder beroep wordt gedaan.

2. Herinnering aan vroegere verklaringen In Onze toespraak tot de deelnemers aan het Vierde Internationaal Congres voor katholieke medici, op 29 september 1949, zeiden Wij dat het doel van de medicus minstens is, de pijn en het lijden van de mensen te verzachten. Wij spraken toen over de chirurg, die er bij zijn operaties zoveel mogelijk naar streeft om pijn te vermijden; en over de gynaecoloog, die de smarten van de geboorte tracht te verminderen, zonder het leven van moeder of kind in gevaar te brengen en zonder schade te berokkenen aan de affectieve banden die – zegt men – gewoonlijk op dat ogenblik tussen moeder en kind worden gelegd. Deze laatste opmerking had betrekking op een methode die indertijd in de kraaminrichting van een grote moderne stad werd gevolgd: om te voorkomen dat de moeder pijn zou lijden, had men haar in een toestand van diepe hypnose gebracht, maar men moest vaststellen dat die methode een affectieve onverschilligheid ten opzichte van het kind tot gevolg had. Sommigen menen dit feit echter anders te kunnen verklaren.

3. Door deze ervaring wijs geworden, zorgde men er naderhand voor, de moeder in de loop van het proces nu en dan enige ogenblikken wakker te maken; zodoende slaagde men erin om het gevreesde effect te voorkomen. Iets dergelijks kon men vaststellen tijdens een langdurige narcose.

4. De nieuwe methode, waarover Wij nu willen spreken, kent dit gevaar niet; zij laat de moeder tijdens de bevalling, van het begin tot het einde, haar volle bewustzijn en het volle gebruik van haar psychische krachten (verstand, wil, affectiviteit); zij neemt alleen de pijn weg of, volgens anderen, vermindert deze alleen.

5. Welke houding moet men nu van zedelijk en godsdienstig standpunt hiertegenover aannemen?

I. Schets van de nieuwe methode
1. Haar betrekkingen met de ervaringen van het verleden

6. Allereerst is de pijnloze bevalling, als algemene regel beschouwd, in duidelijke tegenspraak met de menselijke ervaring, zowel van tegenwoordig als van het verleden, sinds de alleroudste tijden.

7. De meest recente onderzoekingen wijzen uit, dat sommige moeders in staat zijn om zonder pijn kinderen ter wereld te brengen, ook wanneer er geen gebruik wordt gemaakt van pijnstillende of verdovende middelen. Zij tonen verder aan, dat de graad van intensiteit van de pijn geringer is bij primitieve volken dan bij beschaafde; heeft men in vele gevallen te doen met een middelmatige pijn, voor de meeste moeders is zij toch hevig, en zelfs komt het niet zelden voor dat zij ondraaglijk is. Dit zijn de feiten die tegenwoordig bij het onderzoek worden vastgesteld.

8. Voor zover men in de geschiedkundige bronnen kan nagaan, moet voor het verleden hetzelfde worden opgemerkt. De pijnen van de vrouw in barensnood waren spreekwoordelijk; men verwees ernaar wanneer men een zeer hevige, benauwende pijn wilde aanduiden: zowel uit de profane als uit de godsdienstige literatuur kunnen daarvoor bewijzen worden aangehaald. Inderdaad is deze wijze van spreken algemeen verbreid, en men vindt haar zelfs in de Bijbelse teksten van het Oude en Nieuwe Testament, vooral in de geschriften van de profeten. Wij zullen er hier enkele voorbeelden uit citeren. Isaias vergelijkt zijn volk met de vrouw die op het ogenblik van de geboorte lijdt en kermt 1 ; Jeremias, die de nadering van het oordeel Gods voor zich ziet, zegt: “Ik hoor het gillen als van een vrouw in haar weeën; angstkreten als van een vrouw die baart voor de eerste maal” (Jer. 4, 31). De avond voor Zijn dood vergelijkt de Heer de toestand waarin Zijn Apostelen verkeren met die van de moeder die wacht op het ogenblik van de geboorte: “Een vrouw in barensnood heeft smart omdat haar uur is gekomen. Maar wanneer zij het kind heeft gebaard, denkt zij niet meer aan haar weeën, van blijdschap dat er een mens is geboren” (Joh. 16, 21).

9. Uit dit alles kan worden afgeleid, dat het onder de mensen van vroeger en van tegenwoordig als een feit is aanvaard, dat de moeder baart in pijnen. Hiertegen nu komt de nieuwe methode in verzet.

1.1. Algemene beschouwingen vooraf door haar aanhangers
10. Twee algemene beschouwingen, welke door haar aanhangers worden gemaakt, kunnen als gids dienen voor degene die de hoofdtrekken van de nieuwe methode wil schetsen; de eerste heeft betrekking op het verschil tussen pijnloze en pijnlijke activiteit van organen en ledematen; de tweede op de oorsprong van de pijn en op haar verband met de organische functie.

11. Als de functies van het organisme, zo zegt men, normaal en op de juiste wijze worden verricht, gaan zij niet vergezeld van pijnlijke gewaarwordingen; zijn deze laatste aanwezig dan wijst dit erop dat er een zekere complicatie is ingetreden; anders zou de natuur zichzelf tegenspreken, want zij doet bij een dergelijk proces de pijn optreden met de bedoeling om een reactie van verdediging en bescherming op te roepen tegen datgene wat schadelijk voor haar zou kunnen zijn. De normale geboorte is een natuurlijke functie en zou dus zonder pijn plaats moeten hebben. Waar komt die pijn dan vandaan?

12. Pijngevoel, zo antwoordt men, wordt opgeroepen en gecontroleerd door de hersenschors, waar de prikkels en de signalen van heel het organisme samenkomen. Het centrale orgaan reageert hierop op zeer verschillende manieren; sommige van die reacties (of reflexen) geeft de natuur een precies omschreven karakter en worden door haar met bepaalde processen geassocieerd (absolute reflexen); voor andere heeft de natuur noch het karakter noch de associaties vastgesteld, maar die worden uit anderen hoofde bepaald (geconditioneerde reflexen).

13. Pijngevoel nu is een van de (absolute of geconditioneerde) reflexen welke hun oorsprong vinden in de hersenschors. De ervaring heeft bewezen dat het mogelijk is, door middel van kunstmatig aangebrachte associaties, gevoelens van pijn teweeg te brengen, zelfs wanneer de prikkel die ze oproept daartoe op zichzelf volkomen ongeschikt is.

14. In de menselijke betrekkingen hebben deze geconditioneerde reflexen tot krachtigste en meest voorkomende oorzaak: de taal, het gesproken of geschreven woord, of, als men wil, de opvatting die overheersend is in een milieu, door iedereen wordt gedeeld en uitgedrukt wordt in de taal.

1.2. Elementen van de nieuwe methode

15. Zodoende valt de oorsprong van de hevige pijnlijke gewaarwordingen te verklaren welke bij de geboorte optreden: door sommige auteurs worden zij beschouwd als voortkomend uit geconditioneerde contrast-reflexen, opgeroepen door valse complexen van wereldbeschouwelijke en affectieve aard.

16. De leerlingen van de Rus Pavlov (fysiologen, psychologen, gynaecologen), die de onderzoekingen van hun meester omtrent de geconditioneerde reflexen voor verder onderzoek hebben benut, stellen de kwestie in grote lijnen voor als volgt:

a) haar basis
17. De bevalling is niet altijd pijnlijk geweest, maar zij is het in de loop der tijden geworden ten gevolge van de “geconditioneerde reflexen”. Deze vonden wellicht hun oorsprong in een eerste pijnlijke bevalling; misschien heeft ook de erfelijkheid een rol gespeeld, maar dit zijn slechts bijkomende factoren. Het hoofdmotief is gelegen in de taal en in de opvatting van de omgeving die in de taal tot uiting komt: de geboorte, zegt men, is “het moeilijke uur voor de moeder”, zij is een kwelling die door de natuur wordt opgelegd en de moeder weerloos overlevert aan ondraaglijke pijnen. Deze associatie onder invloed van de omgeving heeft een angst Voor de geboorte tot gevolg, een angst voor de verschrikkelijke smarten die met de geboorte gepaard gaan. Wanneer dan bij het begin van de bevalling de samentrekking van de spieren van de baarmoeder zich doet gevoelen, zet de defensieve reactie tegen de pijn in; deze pijn roept een kramp in de spieren op, en deze kramp op haar beurt heeft een verergering van de pijnen tot gevolg. De pijnen zijn dus reëel, maar komen voort uit een verkeerd geïnterpreteerde oorzaak. Wat bij de geboorte een feit is, dat zijn de normale samentrekkingen van de baarmoeder en de gevoelens in het organisme die daarmee gepaard gaan; maar deze gevoelens worden door de centrale organen niet geïnterpreteerd voor wat zij zijn: eenvoudige natuurlijke functies; ten gevolge van de geconditioneerde reflexen, en vooral ten gevolge van de hevige “angst”, drijven zij af naar het gebied van de pijngevoelens.

b) haar doel
18. Daar zou dan de oorsprong van de barensweeën gelegen zijn.

19. Nu is ook duidelijk wat doel en taak van de pijnloze verloskunde zijn. Allereerst moet zij, met toepassing van de nieuwe wetenschappelijke kennis, de associaties losmaken welke er reeds bestaan tussen de normale gevoelens die bij de contractie van de uterus optreden, en de pijnreacties van de hersenschors. Zodoende neemt men de negatieve geconditioneerde reflexen weg. Tegelijkertijd moeten er nieuwe, positieve, reflexen worden aangebracht, die de negatieve vervangen.

c) haar praktische toepassing
20. Wat de praktische toepassing betreft: deze bestaat hierin dat eerst aan de moedere (lang voor de tijd van de geboorte) terdege onderricht wordt gegeven – aangepast aan haar intellectuele capaciteiten – omtrent de natuurlijke processen die zich tijdens de zwangerschap en in het bijzonder tijdens de bevalling in haar voltrekken. Deze natuurlijke processen kenden zij in zekere zin reeds, maar meestal zonder dat zij er duidelijk de samenhang van begrepen. Vele zaken bleven dan ook nog in een geheimzinnig duister gehuld en gaven zelfs aanleiding tot valse interpretaties. De karakteristieke geconditioneerde reflexen wonnen daardoor aanzienlijk in kracht, terwijl angst en vrees er onophoudelijk voedsel in vonden. Al deze negatieve elementen zouden door het onderricht, waarvan hier boven sprake was, opgeheven kunnen worden.

21. Tevens doet men een herhaaldelijk beroep op de wil en op het gevoel van de moeder, opdat niet die ongegronde angstgevoelens ontstaan waarop men haar tevoren gewezen heeft. Ook moet de indruk voorkomen worden dat er misschien pijn zou kunnen optreden: die indruk is in ieder geval niet gerechtvaardigd en berust slechts, zoals men haar heeft geleerd, op een valse interpretatie van de natuurlijke, organische gewaarwordingen, gepaard gaande met de samentrekking van de uterus. De moeders worden vooral gebracht tot waardering voor de natuurlijke grootheid en waardigheid van wat zij in het uur van de bevalling verrichten. Men geeft haar ook gedetailleerde technische aanwijzingen omtrent hetgeen zij moeten doen om een goed verloop van de geboorte te verzekeren; men leert haar bijvoorbeeld precies op welke wijze zij het spierstelsel in beweging moeten zetten, hoe zij moeten ademhalen. Dit onderricht neemt vooral de vorm van praktische oefeningen aan, opdat haar op het moment van de geboorte de techniek vertrouwd’ geworden zal zijn. Het gaat er dus om, de moeders leiding te geven en ze in staat te stellen, de bevalling niet zuiver passief als een fataal proces te ondergaan, maar een actieve houding aan te nemen, deze houding door verstand, wil en gevoel te beïnvloeden, en de bevalling tot een goed einde te brengen in de door de natuur gewilde zin en met behulp van de natuur.

22. Tijdens de bevalling wordt de moeder niet aan zichzelf overgelaten; zij kan gebruik maken van de assistentie en het voortdurende toezicht van een personeel dat volgens de eisen van de nieuwe techniek is gevormd, dat haar herinnert aan wat zij heeft geleerd, haar op het juiste ogenblik aanwijst wat zij moet doen, moet vermijden, moet veranderen, en dat eventueel’ onmiddellijk haar fouten verbetert en de onregelmatigheden corrigeert die zich voordoen.

23. Aldus luidt in hoofdzaak, volgens de Russische onderzoekers, de theorie en de praktijk van de pijnloze bevalling. De Engelsman Grantly Dick Read heeft van zijn kant een theorie en een techniek ontworpen die in een bepaald aantal punten met de bovenstaande overeenstemmen; in zijn filosofische en metafysische vooronderstellingen echter wijkt hij er wezenlijk van af, want hij steunt niet, gelijk zijn Russische collega’s, op de materialistische wereldbeschouwing.

d) verbreiding en succes
24. Wat betreft de verbreiding en het succes van de nieuwe methode (psycho-profylactische methode genoemd), beweert men dat zij in Rusland en China reeds voor honderdduizenden gevallen gebruikt is. Ook heeft zij in verschillende westerse landen ingang gevonden; verscheidene gemeentelijke kraaminrichtingen zouden er speciale afdelingen voor ter beschikking hebben gesteld. Kraaminrichtingen, uitsluitend op deze beginselen gebaseerd, zouden in het Westen nog weinig talrijk zijn; in Frankrijk onder andere bestaat er een (een communistische) in Parijs; eveneens in Frankrijk hebben twee katholieke instellingen, te Jallieu en te Cambrai, de methode geheel en al bij hun verpleging overgenomen, zonder op te offeren wat vroeger zijn degelijkheid had bewezen.

25. Het succes, zo verzekert men, is zeer groot: 85 tot 90 percent van de geboorten die op deze wijze plaats vonden zouden werkelijk zonder pijn zijn verlopen.


II. Waardering van de nieuwe methode
1. Wetenschappelijke waardering

26. Nadat Wij aldus een schets van deze methode hebben gegeven, gaan Wij er thans toe over, er de waarde van te bepalen. In het materiaal dat Ons ter hand is gesteld, kan men deze typische opmerking lezen: “Voor het personeel is de eerste volstrekt noodzakelijke eis: een onvoorwaardelijk geloof in de methode”. Kan een dergelijk absoluut geloof worden geëist op basis van, de bereikte wetenschappelijke resultaten?

27. Zonder twijfel bevat de methode elementen, waarvan men mag aannemen, dat zij wetenschappelijk zijn vastgesteld; andere zijn slechts in hoge mate probabel; weer andere blijven (tenminste voor het ogenblik) problematisch. Wetenschappelijk is vastgesteld, dat er in het algemeen geconditioneerde reflexen bestaan; dat: bepaalde voorstellingen of affectieve toestanden kunnen worden geassocieerd met zekere gebeurtenissen, en dat dit ook kan opgaan voor pijngevoel. Maar dat reeds bewezen is (of dat door het bovenstaande bewezen kan worden) dat de barensweeën alleen aan die oorzaak toe te schrijven zijn, is op het ogenblik nog niet voor iedereen duidelijk. Serieuze critici staan ook gereserveerd ten opzichte van het bijna a priori geformuleerde axioma: “Alle normale fysiologische verrichtingen, dus ook de normale geboorte, moeten geschieden zonder pijn, anders zou de natuur zichzelf tegenspreken”. Zij nemen niet aan dat dit in het algemeen en zonder uitzondering zou gelden, noch dat de natuur zich zou tegenspreken als zij de bevalling tot een zeer pijnlijke functie zou hebben gemaakt. Het zou zowel fysiologisch als psychologisch volkomen verklaarbaar zijn, zo zeggen zij, als de natuur, vol zorg voor de moeder die ter wereld brengt en voor het ter wereld gebrachte kind, langs die weg op onontwijkbare wijze begrip wil bijbrengen voor het belang van die daad en wil dwingen tot het nemen van de maatregelen welke voor moeder en kind noodzakelijk zijn.

28. Laten Wij de wetenschappelijke verificatie van beide axioma’s, die volgens sommigen vaststaan en volgens anderen discutabel zijn, over aan de ter zake kundige specialisten; maar om waarheid van valsheid te kunnen onderscheiden is het noodzakelijk als beslissend objectief criterium aan te houden: “Het wetenschappelijk karakter en de waarde van een ontdekking moeten uitsluitend worden afgemeten naar hun overeenstemming met de objectieve werkelijkheid”. Het is van belang om hier niet de distinctie te verwaarlozen tussen “waarheid” en “affirmatie” (“interpretatie”, “subsumptie”, “systematisatie”) van de waarheid. Als de pijnloze bevalling door de natuur onder de reële feiten is gerangschikt, als zij naderhand ten gevolge van de geconditioneerde reflexen pijnlijk is geworden, als men haar opnieuw pijnloos kan maken, als dat alles niet alleen wordt beweerd, geïnterpreteerd, systematisch geconstrueerd, maar als werkelijk wordt aangetoond, dan volgt daaruit dat de wetenschappelijke resultaten waar zijn. Als het niet of tenminste nog niet mogelijk is om dienaangaande volledige zekerheid te verkrijgen, dient men zich van elke absolute uitspraak te onthouden en de getrokken conclusies als wetenschappelijke “hypothesen” te beschouwen.

29. Voor het ogenblik zien Wij er dus van af, een definitief oordeel uit te spreken over de graad van wetenschappelijke zekerheid van de psycho-profylactische methode, maar Wij gaan haar nader onderzoeken van zedelijk standpunt uit.

2. Ethische waardering
30. Valt er op deze methode in moreel opzicht niets aan te merken? Het antwoord, dat voorwerp, doel en motief van de methode in de beschouwing moet opnemen, luidt kort samengevat: “In zichzelf beschouwd bevat zij niets wat van zedelijk standpunt uit aanvechtbaar is”.

31. Het onderricht over de functie van de natuur bij de bevalling; de correctie van de valse interpretatie der organische gewaarwordingen en het verzoek om deze interpretatie te verbeteren; de invloed die aangewend wordt om ongegronde angst en vrees opzij te stellen; de hulp welke wordt verleend opdat de moeder op de juiste wijze met de natuur medewerkt, haar kalmte en zelfbeheersing bewaart; een dieper bewustzijn van de grootheid van het moederschap in het algemeen en van het uur waarop de moeder haar kind ter wereld brengt in het bijzonder: dat alles zijn positieve waarden waar niets op te zeggen valt, weldaden voor de moeder in barensnood die geheel en al in overeenstemming zijn met de wil van de Schepper. Zo opgevat is de methode een natuurlijke ascese, die de moeder voor oppervlakkigheid en lichtzinnigheid behoedt; zij beïnvloedt haar persoonlijkheid in positieve zin, opdat zij in het zo belangrijke uur van de bevalling de sterkte en de vastheid van haar karakter toont. Ook onder andere opzichten bezien kan de methode tot positieve zedelijke resultaten leiden. Wanneer men erin slaagt om de barensweeën en de angst voor de geboorte te verwijderen, zal men er daardoor in vele gevallen toe bijdragen, dat er minder immorele daden worden bedreven bij het gebruik van de huwelijksrechten.

32. Wat de motieven en het doel van de hulp betreft die aan de moeder in barensnood wordt verleend, in de materiële daad als zodanig ligt geen enkele morele kwalificatie besloten, positief noch negatief; de kwalificatie hangt af van degene die de hulp verleent. De methode kan en moet worden aangewend om onberispelijke motieven en met een onberispelijk doel: zoals het belang van een zuiver wetenschappelijk onderzoek; het natuurlijke en edele gevoel dat in de moeder de menselijke persoon doet waarderen en beminnen, dat haar goed wil doen en haar wil helpen; een diep godsdienstige en christelijke mentaliteit, die zich inspireert op de idealen van het levende christendom. Maar het kan ook voorkomen dat het personeel een doel nastreeft en onder motieven handelt die immoreel zijn; in dat geval wordt de persoonlijke daad van degene die de hulp verleent geviciëerd; het immorele motief verandert de bijstand die in zich goed is niet in iets verkeerds, tenminste niet voor zover het de objectieve structuur betreft, en omgekeerd kan een bijstand welke in zich goed is niet een slecht motief rechtvaardigen of als bewijs gelden voor de goedheid van dit motief.

3. Theologische waardering

33. Er moet nu nog een enkel woord gewijd worden aan de theologische en godsdienstige waardering, voor zover deze onderscheiden wordt van de morele waardering in strikte zin. De nieuwe methode wordt dikwijls voorgesteld in het kader van een materialistische filosofie en beschaving, en in tegenstelling met de Heilige Schrift en het christendom.

34. De ideologie van een onderzoeker en van een geleerde is op zichzelf geen bewijs voor de waarheid en voor de waarde van wat hij heeft gevonden en uiteengezet. De stelling van Pythagoras of (om op het terrein van de geneeskunde te blijven) de beschouwingen van Hippocrates waarvan men heeft moeten erkennen dat zij juist zijn, de ontdekkingen van Pasteur, de erfelijkheidswetten van Mendel danken de waarheid van hun inhoud niet aan de zedelijke en godsdienstige opvattingen van hun ontdekkers. Zij zijn noch “heidens” omdat Pythagoras en Hippocrates heidenen waren, noch “christelijk” omdat Pasteur en Mendel christenen waren. Deze wetenschappelijke ontdekkingen zijn waar omdat en in de mate waarin zij beantwoorden aan de objectieve werkelijkheid.

35. Zelfs een materialistisch onderzoeker kan een werkelijke en waardevolle wetenschappelijke ontdekking doen; maar deze ontdekking kan op geen enkele manier als een argument voor zijn materialistische opvattingen gelden.

36. Dezelfde redenering gaat op voor de beschaving waartoe een geleerde behoort. Zijn ontdekkingen zijn niet waar of vals naargelang hij uit deze of gene beschaving voortkomt die hem heeft geïnspireerd en een stempel op hem heeft gedrukt.

37. De wetten, de theorie en de techniek van de natuurlijke, pijnloze bevalling zijn zonder twijfel aanvaardbaar, maar werden uitgewerkt door geleerden die grotendeels een materialistische ideologie belijden en tot een materialistische beschaving behoren; ideologie en beschaving zijn niet waar omdat genoemde wetenschappelijke resultaten waar zijn. Nog minder juist is het te zeggen, dat de wetenschappelijke resultaten waar zijn en als waar konden worden aangetoond, omdat de geleerden en de beschaving waaruit zij voortkomen materialistisch georiënteerd zijn. De criteria voor de waarheid liggen elders.

38. De overtuigde christen vindt in zijn filosofische opvattingen en in zijn beschaving niets wat hem verhindert om zich in theorie en in praktijk ernstig met de psycho-profylactische methode bezig te houden; hij weet dat in het algemeen de realiteit en de waarheid niet identiek zijn met hun interpretatie, subsumptie en systematisatie, en dat hij dientengevolge tegelijk het een geheel en al kan aanvaarden en het ander geheel en al verwerpen.

4. De nieuwe methode en de Heilige Schrift
39. Een kritiek op de nieuwe methode van theologisch standpunt uit moet in het bijzonder rekening houden met de Heilige Schrift, want de materialistische propaganda beweert, tussen de waarheid van de wetenschap en die van de Schrift een in het oog lopende tegenstelling te bespeuren. In Genesis (Gen. 3, 16) leest men: “In dolore paries filios” (“In smarten zult gij kinderen baren”). Om dit woord goed te begrijpen, moet men de gehele door God uitgesproken veroordeling beschouwen in verband met de context. Door deze straf aan het eerste ouderpaar en aan hun nageslacht op te leggen, wilde God de mensen niet verbieden, en heeft Hij hen niet verboden, om op zoek te gaan naar alle rijkdommen der schepping en deze te gebruiken; om stap voor stap bij te dragen tot de vooruitgang van de beschaving; om het leven op deze wereld draaglijker en mooier te maken; om het werk en de vermoeienis; de pijn, de ziekte en de dood te verlichten, kortom, om de aarde aan zich te onderwerpen 1 .

40. Zo heeft God ook, toen Hij Eva strafte, de moeders niet willen verbieden, en heeft Hij haar niet verboden, om gebruik te maken van de middelen die de bevalling gemakkelijker en minder pijnlijk doen verlopen. Wij hoeven voor de woorden van de Schrift geen uitvlucht te zoeken: zij blijven waar in de zin zoals de Schepper dit heeft verstaan en uitgedrukt: het moederschap zal oorzaak zijn dat de moeder veel te verduren krijgt. Op welke wijze precies heeft God deze straf opgevat en hoe zal Hij ze uitvoeren? De Schrift zegt het niet. Sommigen beweren dat de bevalling in de oudste tijden volkomen pijnloos was en eerst later pijnlijk werd (misschien ten gevolge van een verkeerde interpretatie van het oordeel Gods), doordat men zichzelf iets aanpraatte of zich door anderen iets aan liet praten, onder invloed van willekeurige associaties, van geconditioneerde reflexen en van foutieve gedragingen van moeders in barensnood; tot nu toe echter werden deze beweringen in hun geheel genomen nog niet bewezen. Anderzijds kan het waar zijn dat een psychisch of fysiek verkeerde reactie van een moeder in barensnood in staat is om de moeilijkheden van de geboorte sterk te doen toenemen, en ze in feite ook heeft doen toenemen.

41. De wetenschap en de techniek mogen dus gebruik maken van de conclusies van de experimentele psychologie, van de fysiologie en van de gynaecologie (zoals bij de psycho-profylactische methode geschiedt), ten einde de bronnen van dwaling en de pijnlijke geconditioneerde reflexen weg te nemen en de geboorte zo pijnloos mogelijk te maken; de Schrift verbiedt zulks niet.


III. Slotbeschouwing over de Christelijke verloskunde
42. Bij wijze van conclusie willen Wij nog enkele opmerkingen over de christelijke verloskunde maken.

43. De christelijke naastenliefde heeft zich van oudsher beziggehouden met het lot van de moeders in het uur der bevalling; zij heeft altijd getracht, en tracht nog steeds, haar een doelmatige bijstand te verlenen, zowel psychisch als fysiek, volgens de stand van wetenschap en de techniek. Het is mogelijk, dat deze bijstand zich tegenwoordig concretiseert in de nieuw-bereikte resultaten van de psycho-profylactische methode, in de mate waarin ernstige geleerden daaraan hun goedkeuring hechten. De christelijke verloskunde mag dienaangaande in haar beginselen en methoden alles opnemen wat juist en gerechtvaardigd is.

44. Toch mag zij zich, tegenover personen die meer kunnen ontvangen, daarmee niet tevreden stellen, en niets mag zij laten varen van de religieuze waarden welke zij tot nu benutte. In Onze toespraak tot het Congres van de Italiaanse Vereniging van katholieke vroedvrouwen, op 29 oktober 1951, hebben Wij in bijzonderheden gesproken over het apostolaat dat de katholieke vroedvrouwen kunnen uitoefenen en dat zij geroepen zijn uit te oefenen in hun beroep; o.a. hebben Wij daar gewezen op het persoonlijk apostolaat, d.w.z. het apostolaat dat zij uitoefenen door middel van hun kennis en hun kunde, en door de degelijkheid van hun christelijk geloof 1; vervolgens op het apostolaat van het moederschap, dat zij verrichten door de moeders te herinneren aan de waardigheid, de ernst en de grootheid van dat moederschap. Hier is van toepassing wat Wij vandaag hebben gezegd: zij staan immers de moeder bij in het uur van de geboorte. De christelijke moeder put uit haar geloof en haar genadeleven het licht en de kracht om in God haar volle vertrouwen te stellen, om zich onder de bescherming van de Voorzienigheid te weten en ook om gaarne te aanvaarden wat God haar te lijden zal overzenden; het zou dus jammer zijn wanneer de christelijke verloskunde zich ertoe beperkte, haar slechts zuiver natuurlijke, psycho-profylactische hulp te verlenen.

45. Twee punten moeten hier beklemtoond worden: het christendom interpreteert het lijden en het kruis niet zuiver negatief.

Als de nieuwe techniek de barensweeën van de moeder wegneemt of verzacht, mag zij dit zonder enig gewetensbezwaar aanvaarden; maar zij is er niet toe verplicht. In geval van een gedeeltelijk succes of van een mislukking weet zij, dat het lijden een bron van goed kan worden als men het draagt met God en uit gehoorzaamheid aan Zijn wil. Het leven en lijden van de Heer, de pijnen die zoveel grote mannen hebben verdragen en zelfs gezocht en door middel waarvan zij zijn gerijpt en gestegen tot hoogtepunten van christelijk heldendom, de voorbeelden van berustende aanvaarding van het kruis die wij dagelijks onder ogen hebben, dat alles maakt de zin duidelijk van het lijden, van de geduldige aanvaarding van het leed in de heilseconomie van het ogenblik, voor de tijd van ons aardse leven.

46. Een tweede opmerking. De christelijke gedachte en het christelijke leven, dus ook de christelijke verloskunde, hechten geen absolute waarde aan de vooruitgang van de wetenschap en aan de laatste vervolmakingen van de techniek. Voor de materialistische gedachtegang en levensopvatting echter is een dergelijke houding vanzelfsprekend: zij put daaruit als uit een godsdienst, of als uit een vervangingsmiddel voor de godsdienst. Ofschoon de christen de nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen toejuicht en er gebruik van maakt, verwerpt hij alle materialistische ophemeling van wetenschap en cultuur. Hij weet dat zij in de objectieve scala van waarden een plaats innemen, maar dat deze plaats, ofschoon niet de laatste, toch ook niet de eerste is. Zelfs tegenover wetenschap en cultuur herhaalt hij vandaag” zoals vroeger en zoals altijd: “Zoekt eerst het Rijk Gods en zijn gerechtigheid” (Mt. 6, 33). De laatste waarde van de mens is niet gelegen in zijn wetenschap en in zijn technisch vermogen, maar in de liefde tot God en in de toewijding in Zijn dienst. Om deze redenen hoedt de christen er zich voor, staande tegenover de wetenschappelijke ontdekking van de pijnloze bevalling, om ze kritiekloos te bewonderen en er met overdreven haast gebruik van te maken; hij beoordeelt ze positief en bezadigd, in het licht van het gezonde natuurlijke verstand, en in het scherpere licht van geloof en liefde, dat uitstraalt van God en van het Kruis van Christus.

Met toestemming overgenomen van R.K. Documenten
Bekijk deze tekst in de context van andere documenten


Over de grondslagen van de medische moraal

Nous sommes

Tot de deelnemers aan het achtste congres van de Wereldvereniging van Medici (World Medical Association, WMA)

Paus Pius XII
30 september 1954

Inleiding
Welkom. Het is ons een vreugde, weer, gelijk de laatste jaren zo dikwijls het geval was, te vertoeven te midden van de artsen en hun in enkele woorden toe te spreken.

De resultaten van zeven jaar
Gij hebt ons ingelicht omtrent het doel van de wereldvereniging van medici en omtrent de resultaten, die zij in de loop van haar zevenjarig bestaan heeft behaald. Met grote belangstelling hebben wij kennis genomen van deze gegevens en van de veelvoudige taak, waaraan gij uw aandacht en uw krachten hebt gewijd: contact met en vorming van nationale artsenverenigingen; uitwisseling van ervaringen; onderzoek van de actuele problemen in de verschillende landen; formele overeenkomsten met verschillende verwante organisaties; stichting van een algemeen secretariaat te New-York; oprichting van een eigen orgaan “World Medical Journal”. Naast deze meer administratieve resultaten, het vaststellen en het uitvoeren van verschillende gewichtige punten in het beroep en de stand van de arts; het verdedigen van de goede naam en de eer van de corporatie der artsen; het uitwerken van een internationale code van medische ethiek, die reeds door 42 landen is aanvaard; het aannemen van een nieuwe formule van de eed van Hippocrates (eed van Geneve); het officieel veroordelen van de euthanasie. En onder vele andere kwesties nog die, welke betrekking hebben op de vorming en ontwikkeling van het universitair onderwijs voor de opleiding van jonge artsen en vooral voor het medisch onderzoek. Wij hebben hier slechts enkele punten aangestipt. Op het program van dit achtste congres hebt gij o.a. er nog aan toegevoegd: de plichten van de arts in tijd van oorlog en vooral in tijd van een bacteriologische oorlog; de houding van de arts tegenover de chemische en atomische oorlog en de proeven op mensen.

De paus over de morele en juridische problemen van de medische wetenschap
Het medisch, technisch en administratief aspect van deze problemen is uw terrein; maar met betrekking tot het morele en juridische aspect willen wij uw aandacht vragen voor enkele punten. Verschillende problemen, die u bezighouden, hebben ook ons bezig gehouden en wij hebben daarover gesproken in verschillende toespraken. Zo hebben wij op 13 September 1952 tot de deelnemers aan het eerste internationaal congres over histopathologie van het zenuwstelsel overeenkomstig hun eigen wens gesproken over de morele grenzen van de moderne methoden van onderzoek en behandeling. Wij hebben onze uiteenzetting gegeven in verband met het onderzoek van de drie beginselen, waarin de geneeskunde de rechtvaardiging ziet van haar methoden van onderzoek en behandeling: het wetenschappelijk belang van de geneeskunde, het belang van de patiënt, het belang van de gemeenschap of, zoals men het uitdrukt, het algemeen welzijn, het “bonum commune”. In een toespraak tot de leden van het zestiende internationale congres voor militaire geneeskunde gaven wij een uiteenzetting van de essentiële beginselen van het medisch recht en de medische moraal, hun oorsprong, inhoud en hun toepassing. Het zesentwintigste congres van de Italiaanse vereniging voor urologie legde ons de omstreden vraag voor: is het zedelijk geoorloofd, een gezond orgaan weg te nemen om het voortwoekeren van een kwaal, die het leven bedreigt, tegen te gaan? Het antwoord hierop hebben wij gegeven in een toespraak van 8 October van het vorig jaar. Tenslotte hebben wij de vraagstukken, die u op dit congres bezig houden, nl. over de morele qualificatie van de moderne oorlog en zijn methoden behandeld in een toespraak van 3 October 1953 tot de deelnemers aan het zesde internationaal congres voor strafrecht.

Als wij vandaag enkele van deze punten, hoe ge. wichtig en verstrekkend ook, slechts kort vermelden, dan hopen wij, dat de vroeger gegeven uiteenzettingen als aanvulling kunnen dienen; om deze toespraak niet te lang te maken, zullen wij die uiteenzettingen telkens volledig in een noot vermelden.

I. Oorlog en vrede
1. De arts in oorlogstijd

Dat de arts in de oorlog een taak heeft, en wel een bevoorrechte taak, is duidelijk. Nooit vragen er zoveel om verzorging en genezing als juist dan, zowelonder soldaten als onder burgers, onder vrienden en vijanden. De arts moet dan zonder enige beperking gebruik kunnen maken van het natuurrecht om overal op te treden, waar zijn hulp nodig is, en men moet hem dit recht garanderen door internationale overeenkomsten. Het zou een afwijking zijn van verstand en hart, als men aan de vijand medische hulp zou willen weigeren en hem zou willen laten omkomen.

2. De kwestie van de geoorloofdheid van de A. B. C.-oorlog
Heeft de arts ook een taak bij het uitwerken, het t vervolmaken en het vermeerderen van de middelen van de moderne oorlog, vooral van de middelen van de A.B.C.-oorlog? Op deze vraag kan men slechts antwoorden, als men eerst die andere kwestie heeft opgelost: is de moderne “totale oorlog”, speciaal de A.B.C.oorlog in princiep geoorloofd? Er kan, vooral vanwege de verschrikkingen en het onnoemelijk lijden, door de moderne oorlog veroorzaakt, geen twijfel over bestaan, dat het ontketenen van zo’n oorlog zonder rechtvaardige reden (d.w.z. zonder dat hij wordt opgedrongen door een duidelijk en uiterst zwaar onrecht, waaraan men anders niet kan ontkomen) een “misdaad” is, die de strengste nationale en internationale sancties verdient. Men kan zelfs in beginsel de kwestie van de geoorloofdheid van de atomische, chemische en bacteriologische oorlog alleen maar stellen voor het geval, dat hij onvermijdelijk geacht moet worden om zich in de genoemde omstandigheden te verdedigen. En ook dan nog moet men al het mogelijke doen om hem te vermijden door internationale verdragen, of om het voeren er van binnen scherp en nauw omschreven grenzen te houden, opdat zijn gevolgen beperkt blijven tot de zuivere eisen van de verdediging. Als het aanwenden van dit middel dan toch nog zo’n grote verbreiding van het kwaad met zich sleept, zodat de mens er volstrekt geen controle meer over heeft, dan moet het aanwenden er van als im. moreel veroordeeld worden. Hier zou dan geen sprake meer zijn van “verdediging” tegen onrecht en van noodzakelijke “bescherming” van wettige bezittingen, maar louter en alleen van het vernietigen van ieder menselijk leven binnen het gebied van de strijd. En dit is onder geen enkele voorwaarde geoorloofd.

3. De arts en de A. B. C.-oorlog
Om op de arts terug te komen, als ooit binnen de aangegeven grenzen een moderne oorlog (A.B.C.) rechtvaardig kan zijn en in feite rechtvaardig is, dan kan men de kwestie stellen omtrent de morele geoorloofdheid van de medewerking van de arts. Maar gij zult het met ons eens zijn: men ziet de arts liever niet met zo’n werk bezig; het is te zeer in strijd met zijn allereerste plicht: helpen en genezen, niet schaden en doden.

Hierdoor zal u duidelijk worden, wat de zin was van onze vroegere verklaringen en hoe gerechtvaardigd deze waren; nl. wat wij gezegd hebben over de veroordeling van de oorlog in het algemeen en over de plaats en de taak van de militaire arts.


II. Proefnemingen op de mens
1. De behandeling van dit onderwerp op uw congres

Volgens de gegevens die wij van u ontvingen, hebt gij aan het oorspronkelijk program van uw congres de kwestie toegevoegd van de proefnemingen op de levende mens.

2. Misbruiken op dit gebied
Hoe talrijk deze proeven kunnen worden en tot welke misbruiken zij kunnen leiden, hebben de naoorlogse processen tegen de artsen duidelijk gemaakt.

3. Verwijzing naar vroegere toespraken
Voor dit onderwerp verwijzen wij naar een passage uit een van onze vroegere toespraken.

4. Voorwaarden voor proefneming op de mens
Dat het medisch onderzoek en de medische pr actijk niet geheel kunnen buiten proefnemingen op levende mensen, is duidelijk. Maar het gaat over de kwestie, welke de noodzakelijke voorwaarden voor die proefnemingen zijn en welke haar grenzen, wat er tegen is, en welke beslissende grondbeginselen hier gelden. In gevallen, die hopeloos zijn, als de zieke zonder ingrijpen verloren is en als er een geneesmiddel bestaat, een mogelijkheid, een operatie, die, ofschoon zij niet alle gevaar uitsluiten, toch nog een zekere kans op succes bieden, dan geeft een rechtschapen en bezadigd mens zonder meer toe, dat de arts met stilzwijgend of uitdrukkelijk verlof van de patiënt, tot die behandeling mag overgaan. Maar het onderzoek, het leven en de praktijk blijven niet tot dergelijke gevallen beperkt, doch gaan veel verder. Zelfs ernstige en gewetensvolle artsen hoort men zeggen, dat men de vooruitgang remt, ja zelfs totaal stillegt, wanneer men geen nieuwe wegen aandurft en nieuwe methoden toepast. Vooral op het terrein van het chirurgisch ingrijpen legt men er de nadruk op, dat talloze operaties, die thans geen enkel speciaal gevaar opleveren, een lang verleden en een lange ervaring achter zich hebben de tijd die de arts nodig heeft om te leren en zich te oefenen – en dat het begin van die methodes gekenmerkt is door een min of meer groot aantal sterfgevallen.

5. De morele en juridische kant van dit probleem
De beantwoording van de vragen omtrent de medische veronderstellingen en de indicaties voor proeven op de levende mens, behoort tot de bevoegdheid van uw beroep. Toch maakt het probleem van een juiste morele en juridische stellingname enkele aanwijzingen blijkbaar noodzakelijk. In onze toespraak tot de militaire artsen hebben wij beknopt de wezenlijke richtlijnen omtrent dit punt geformuleerd.

6. De fundamentele morele beginselen, waarop men zich beroept
Bij de behandeling en de oplossing van deze problemen beroept men zich, gelijk uit de geciteerde tekst blijkt, op een serie morele beginselen van fundamenteel belang: de kwestie van de verhouding tussen het individu en de gemeenschap, van de inhoud en de grenzen van het recht om andermans eigendom te benutten, de kwestie van de veronderstellingen en de uitgebreidheid van het totaliteitsbeginsel, van de verhouding tussen de individuele en sociale doelstelling van de mens, en andere dergelijke. Ofschoon deze vragen niet tot het specifieke terrein van de geneeskunde behoren, moet deze in ieder geval rekening er mee houden evenals iedere andere menselijke activiteit.

7. Het beschikkingsrecht over het lichaam ten dienste van de medische wetenschap
Wat voor de arts geldt ten opzichte van de patiënt, geldt ook voor de arts ten opzichte van zichzelf. Hij is gebonden aan dezelfde grote morele en juridische beginselen. Hij mag evenmin zichzelf tot voorwerp nemen van wetenschappelijke of practische proefnemingen, die een ernstig letsel met zich meebrengen of zijn gezondheid bedreigen; nog minder mag hij bij wijze van proef een ingreep toepassen, die naar het oordeel van bevoegden verminking of zelfmoord ten gevolge kan hebben. Hetzelfde moet men verder zeggen van ziekenverplegers of -verpleegsters en van een ieder, die bereid is, zich beschikbaar te stellen voor therapeutische onderzoekingen. Zij mogen zich niet voor zulke proefnemingen lenen. Deze principiële afwijzing staat buiten het persoonlijk motief van hem, die zich geeft, zich opoffert en zich wegcijfert in dienst van een zieke, en eveneens buiten het verlangen om mee te werken aan de vooruitgang van een ernstige wetenschap, die wil helpen en dienen. Ging het daarover, dan was een bevestigend antwoord vanzelfsprekend. In ieder beroep, en vooral in dat van arts en verpleger, vindt men altijd mensen bereid om zich geheel op te offeren voor anderen en voor het algemeen welzijn. Maar het gaat niet over dit motief en over deze wegschenking van zijn persoon; bij deze stap het gaat per slot van rekening om een beschikken over een goed, dat niet per soonlijk is en waar men geen recht op heeft. De mens is slechts de vruchtgebruiker, niet de onafhankelijkf bezitter en eigenaar van zijn lichaam, van zijn lever en van alles wat de Schepper hem geschonken heef1 om het te gebruiken en welovereenkomstig de doeleinden van de natuur. Het fundamenteel beginsel “Alleen hij, die het beschikkingsrecht heeft, kan er gebruik van maken en dan nog slechts binnen df grenzen, die voor hem gesteld zijn”, is een van de laatste en meest universele gedragslijnen, waaraar het spontane en gezonde oordeel onschokbaar vast houdt en zonder welke de juridische orde en de orde van het gemeenschappelijk leven van de mensen in de maatschappij niet mogelijk is.

8. Het wegnemen van lichaamsdelen bij een overledene
Wat nu de vraag betreft omtrent het wegnemen van lichaamsdelen bij een overledene voor therapeu. tische doeleinden, men kan de arts niet toestaan met het lijk te doen, wat hij wil. Het is de taak van het openbaar gezag om juiste regels op te stellen. Maar ook het openbaar gezag kan hierbij niet willekeurig te werk gaan. Er bestaan wetten, tegen wier formuleting men ernstige bezwaren kan maken. Zo is een norm, die aan de arts in een sanatorium toestaat, lichaamsdelen weg te nemen voor therapeutische doeleinden, mits het niet om geldelijk voordeel gaat, reeds niet toelaatbaar vanwege de mogelijkheid van een al te ruime interpretatie. Men moet verder ook rekening houden met de rechten en plichten van hen, op wie de zorg voor het lichaam van de overledene rust. Ten slotte moet men ook de eisen eerbiedigen van de natuurlijke moraal, die verbiedt, het lijk van een mens te beschouwen en te behandelen louter als een zaak of als het lijk van een dier.


III. Medische moraal en medisch recht
1. Het belang van een internationale code voor medische moraal

Gij begrijpt, dat bij het doorlopen van de lijst der resultaten van deze zeven jaren de uitwerking van een internationale code voor medische moraal, die reeds door 42 landen is aanvaard, onze bijzondere belangstelling heeft gewekt.

2. Het probleem van een uniforme medische wereldmoraal en een medisch wereldrecht
Men kan misschien denken, dat het gemakkelijk is, een uniforme medische wereldmoraal en een uniform medisch wereldrecht te scheppen. De menselijke natuur is ongetwijfeld over de gehele aarde dezelfde in zijn fundamentele wetten en trekken; het doel van de medische wetenschap en dus ook van de ernstige arts is eveneens overal hetzelfde: helpen, genezen en voorkomen, niet schaden en doden. Dit vooropgesteld, zijn er bepaalde dingen, die geen enkele arts doet, die geen enkele arts steunt of goedkeurt, maar die hij veroordeelt. Eveneens zijn er dingen, die geen enkele arts nalaat, maar die hij integendeel eist en uitvoert. Dit is, als gij wilt, de erecode van de arts en de code van zijn plichten.

Maar in werkelijkheid vormt de huidige medische moraal nog lang niet een uniforme en volledige wereldmoraal. Er zijn betrekkelijk weinig princiepen, die overal aanvaard worden. Maar dit betrekkelijk gering aantal is de aandacht waard en verdient een grote en positieve waardering als uitgangspunt voor verdere ontwikkeling.

A. De medische moraal
Met betrekking tot de medische moraal zouden wij de volgende drie grondideeën onder uw aandacht wlIlen brengen.

1. De medische moraal moet steunen op het zijn en de natuur
En wel omdat zij moet beantwoorden aan het wezen van de menselijke natuur, haar wetten en immanente verhoudingen. Alle morele normen ook die van de geneeskunde, vloeien noodzakelijk voort uit de overeenkomstige ontologische beginselen. Vandaar de stelling: “Weest wat gij zijt.” Dit is ook de reden, dat een louter positivistische medische moraal zichzelf verloochent.

2. De medische moraal moet overeenstemmen met de rede, met de finaliteit en zich richten naar de waarden
De medische moraal leeft niet in dingen, maar in mensen, in personen, bij artsen, in hun oordeel, hun persoonlijkheid, hun opvatting en hun verwerkelijking van de waarden. De medische moraal van de arts bestaat in deze persoonlijke gewetensvragen: “Wat legt deze gedragsnorm op? Waardoor wordt zij gerechtvaardigd?” (d.w.z. welk doel streeft zij na en stelt zij zich?) “Welke waarde drukt zij uit op zichzelf, in haar persoonlijke verhoudingen, in haar sociale structuur?”

M.a.w.: “Waarom gaat het?”, “Waarom? Met welk doel? Wat is de waarde er van?” Moreel handelende mensen mogen niet oppervlakkig zijn, en als zij het zijn, mogen zij het niet blijven.

3. De medische moraal moet wortelen in het transcendente
Wat in laatste instantie door een mens is ingesteld, kan ook in laatste instantie door een mens worden afgeschaft en hij kan zich dus, als het nodig is of als hij het wil, er van ontdoen. Dit is in strijd met het bestendige van de menselijke natuur, het bestendige van haar bestemming en doel, en ook in strijd met het absolute en onaantastbaar karakter van haar wezenlijke eisen. Deze zeggen inderdaad niet: “Wanneer gij als arts goed wilt oordelen en goed wilt handelen, doe dan zo!” Maar in het diepst van het persoonlijk geweten openbaren zij zich in een heel andere vorm: “Gij moet, koste wat het kost, goed handelen! Dus moet gij zo handelen en niet anders.” Dit absolute karakter van de zedelijke eisen blijft bestaan, of de mens er naar luistert of niet. De morele plicht hangt niet af van het welbehagen van de mens! Alleen de morele handeling is zijn zaak. Dit verschijnsel van het absolute karakter van de morele orde, dat men in alle tijden constateert, dwingt ons te erkennen, dat de medische moraal uiteindelijk een transcendente grond en regel heeft. In onze toespraak tot het congres voor militaire geneeskunde hebben wij deze beschouwingen ontwikkeld en gesproken over de controle van de medische moraal.

B. Het medisch recht
Voegen wij nog een enkel woord er aan toe over het medisch recht, dat wij vroeger meer in bijzonderheden hebben behandeld.

1. Noodzakelijkheid van het medisch recht
Het leven van de mensen in gemeenschap eist bepaalde en scherp omschreven normen, maar niet meer dan het algemeen welzijn verlangt. De morele normen daarentegen strekken zich veel verder uit, zijn veel talrijker en, onder menig opzicht, minder precies afgebakend om een noodzakelijke aanpassing aan de gerechtvaardigde eisen van de afzonderlijke gevallen mogelijk te maken. De arts dringt krachtens zijn ambt diep door in het leven van individu en gemeenschap. Hij heeft in de maatschappij een brede juridische steun nodig; en ook een bijzondere bescherming van zijn persoon en zijn medische activiteit. Van de andere kant verlangt de maatschappij een waarborg voor de bekwaamheid en de bevoegdheid van hen, die zich als artsen aandienen en als zodanig optreden. Uit dit alles blijkt, hoe noodzakelijk een medisch recht is, nationaal en zo mogelijk internationaal. Niet in de zin van een gedetailleerd reglement, vastgelegd door wetten; integendeel, de staat moet zoveel mogelijk de uitwerking van dit reglement overlaten aan {nationale of internationale) artsenkamers, door aan deze de noodzakelijke bevoegdheid en sancties te verlenen. Hij moet zich het hoogste toezicht voorbehouden, de laatste sancties, de inschakeling van de orde van de artsen en van de artsenkamers in het geheel van het nationale leven.

2. Inhoud van het medisch recht
Het medisch recht moet in zijn inhoud de medische moraal uitdrukken, minstens in zover het niets bevat wat in strijd is met de moraal; moge het eens zover komen, dat het alles bepaalt, wat nodig is om aan de eisen van de natuurlijke ethiek te voldoen, hetgeen, gezien de ervaring tot op heden, een wens is, waarvan de verwezenlijking nog ver af is.

IV Samenvatting
Kort samengevat: de medische moraal is als op haar laatste fundament gebaseerd op het zijn, op de rede en op God; het medisch recht hangt bovendien van de mensen af.

Wij hebben drie punten naar voren gebracht van het rijke program van uw congres en wij hebben een enkel woord gezegd over oorlog en vrede, over de proefnemingen op de mens, over de pogingen om een medische wereldmoraal en een medisch wereldrecht te vormen.

Zo wilden wij uw persoonlijk oordeel prikkelen en oriënteren en onzerzijds een bijdrage leveren voor de vruchtbare vooruitgang en voor de verdieping van uw werk.


Bijlagen
In de onderstaande bijlagen zijn de paragrafen genummerd. Naar deze nummering wordt verwezen in de voetnoten in bovenstaande tekst.

Bijlage I
5. Op de eerste plaats komt de misdaad van een moderne oorlog, die niet geëist wordt door de onvoorwaardelijke noodzaak om zich te verdedigen en die, – wij mogen het zonder aarzelen zeggen -, ondenkbare verwoestingen, ellende en verschrikking meebrengt. De gemeenschap der volken moet rekening houden met gewetenloze misdadigers, die om hun eerzuchtige doeleinden te bereiken, er niet voor terugschrikken een totale oorlog te ontketenen. Als dus de andere volken hun bestaan en hun kostbaarste belangen willen beschermen en aan internationale misdadigers geen vrij spel willen laten, dan blijft hun niets anders over dan zich voor te bereiden op de dag, dat zij zich moeten verdedigen. Dit recht om een verdedigende houding aan te nemen, kan men zelfs tegenwoordig aan geen enkele staat ontzeggen. Dit verandert trouwens ook absoluut niets aan het feit, dat de onrechtvaardige oorlog de eerste plaats inneemt onder de ergste misdaden, die het internationaal strafrecht brandmerkt, met de zwaarste straffen treft, en waaraan de daders in ieder geval schuldig blijven, onderhevig aan de voorziene straf.

6. Dit punt is beslissend voor het standpunt van de dokter ten opzichte van de oorlog in het algemeen en van de moderne oorlog in het bijzonder. De dokter is tegenstander van de oorlog en voorstander van de vrede. Gelijk hij bereid is om de wonden van de oorlog, die er eenmaal zijn, te genezen, zo tracht hij ze ook naar vermogen te voorkomen. Met wederzijdse goede wil kan oorlog altijd vermeden worden als laatste middel om geschillen tussen staten te beslechten. Pas enkele dagen geleden hebben wij nog de wens uitgesproken, dat men op internationaal plan elke oorlog zal straffen, die niet geëist wordt door een absolute noodzakelijkheid om zich te verdedigen tegen een zeer zwaar onrecht, de gemeenschap aangedaan, wanneer men het niet met andere middelen kan verhinderen en men het toch moet doen, wil men in de internationale betrekkingen geen vrij spel geven aan bruut geweld en gewetenloosheid. Om de gewelddadige methode van de oorlog te mogen gebruiken, is het dus niet voldoende zich te moeten verdedigen tegen onverschillig welk onrecht ook. Als de nadelen, die een oorlog meebrengt, onvergelijkelijk groter zijn dan die van het “verdragen onrecht”, kan men verplicht zijn “het onrecht te ondergaan”.
Wat wij hier hebben verklaard, geldt op de eerste plaats van de A.B.C.-oorlog, dj. de atomaire, biologische en chemische oorlog. De vraag, of deze oorlog zonder meer noodzakelijk kan worden om zich te verdedigen tegen een A.B.C.-oorlog, willen wij hier alleen maar stellen. Het antwoord moet worden afgeleid uit dezelfde princiepen, die tegenwoordig gelden voor de geoorloofdheid van een oorlog in het algemeen. In elk geval is een andere vraag eerst aan de orde: is het niet mogelijk de A.B.C.-oorlog door internationale overeenkomsten te verbieden en doeltreffend te verhinderen?

Na de gruwelen van de beide wereldoorlogen hoe ven wij er niet aan te herinneren, dat elke verheerlijking van de oorlog moet veroordeeld worden als een afwijking van geest en hart. Zielekracht en dapperheid, die tot het offer van het leven gaan, als plicht zulks vraagt, zijn zeker grote deugden, maar een oorlog willen uitlokken, omdat hij een leerschool van grote deugden is en een gelegenheid om deze te beoefenen, moet een misdaad en dwaasheid genoemd worden.
Wat wij hier gezegd hebben, wijst de richting aan, waarin men het antwoord kan vinden op een andere vraag: mag de geneesheer zijn kennis en zijn arbeid in dienst van de A.B.C.-oorlog stellen? “Onrecht” mag hij nooit steunen zelfs niet ten dienste van zijn eigen vaderland, en als dit soort van oorlog een onrecht is, mag de geneesheer er ook niet aan meewerken.

Bijlage II
7. Toch komt voor de derde maal de vraag terug: wordt het “medisch belang van de gemeenschap”, wat zijn inhoud en zijn strekking betreft, niet beperkt door een zedelijke barriere? Zijn er “volledige volmachten” voor elk ernstig medisch experiment op de levende mens? Neemt ‘het de barrieres weg, die toch gelden voor het belang van de wetenschap en van het individu?

Of wel met andere woorden: kan het openbaar gezag – dat juist de zorg heeft voor het algemeen welzijn – aan de arts de macht geven, proeven te doen op het individu in het belang van de wetenschap en van de gemeenschap, om nieuwe methodes en procédé’s uit te vinden en te proberen, zelfs wanneer deze proeven het zelfbeschikkingsrecht van het individu te boven gaan; Kan het openbaar gezag werkelijk in het belang van de gemeenschap het recht van het individu over zijn lichaam, zijn leven, zijn lichamelijke en psychische integriteit beperken of zelfs opheffen ?

Om een opwerping te voorkomen veronderstellen wij altijd, dat het gaat over ernstige onderzoekingen, eerbare pogingen om de theoretische en praktische medische wetenschap te bevorderen, en niet over een of andere manoeuvre, die onder het mom van de wetenschap slechts dient om andere doeleinden te bedekken en straffeloos te bereiken.

Wat nu de gestelde vragen aangaat, hebben velen gemeend en menen heden ten dage nog, dat men er bevestigend op moet antwoorden. Om hun opvatting te bewijzen, beroepen zij zich op het feit, dat het in dividu ondergeschikt is aan de gemeenschap; dat het welzijn van het individu moet wijken voor het algemeen welzijn en hieraan moet worden opgeofferd. Zij voegen er nog aan toe, dat het offer van hetindividu, gebracht voor doeleinden van wetenschappelijk onderzoek en vorsing, uiteindelijk ten goede komt aan het individu.

De grote naoorlogse processen hebben een schrikbarende hoeveelheid documenten aan het licht gebracht, die getuigen van het offer van het individu voor “het medische belang van de gemeenschap”. Men vindt in de akten getuigenissen en rapporten die aantonen, hoe met toestemming en soms zelfs op uitdrukkelijk bevel van het openbaar gezag bepaalde onderzoekcentra systematisch eisten, dat men hun de mensen van de concentratiekampen voor hun medische experimenten uitleverde en hoe men deze uitleverde aan die centra: zoveel mannen, zoveel vrouwen, zoveel voor dit experiment, zoveel voor dat. Er bestaan rapporten over het verloop en het resultaat van ,de experimenten, over de objectieve en subjectieve symptomen, die men bij de betrokken personen constateerde in de verschillende fasen van het experiment. Men kan deze aantekeningen niet lezen zonder vervuld te worden van een diep medelijden met deze slachtoffers, waarvan velen de dood zijn ingegaan, en zonder bevangen te worden door verbijstering over zulk een afdwaling van de menselijke geest en het menselijk hart. Maar wij kunnen er ook aan toevoegen: zij, die verantwoordelijk waren voor deze wreedheden, hebben niets anders gedaan dan bevestigend geantwoord op de vragen, die wij hebben gesteld en niets anders dan de praktische conclusies getrokken uit deze bevestiging.

Is het belang van het individu op dit punt ondergeschikt aan het algemeen medisch belang? Of overschrijdt men hier, wellicht te goeder trouw, de meest elementaire eisen van het natuurrecht, een overschrijding, die geen enkel medisch onderzoek zich mag veroorloven?

Men zou de ogen moeten sluiten voor de werkelijkheid, als men zou menen, dat er in de medische wetenschap thans l’liemand meer is, die de ideeën vasthoudt en verdedigt, welke aan de door ons genoemde feiten ten grondslag liggen. Men volstaat met de rapporten enige tijd te volgen over de medische proeven en experimenten, om zich te overtuigen van het tegendeel. Onwillekeurig vraagt men zich af, waardoor zulk een arts gemachtigd is om zo te durven ingrijpen, en wat hem daartoe ooit zou kunnen machtigen. Met een koude zakelijkheid wordt het experiment in zijn verloop en in zijn resultaten beschreven; men tekent aan, wat uitkomt en wat niet uitkomt. Over de vraag naar de morele geoorloofdheid geen woord. En toch bestaat deze vraag, en men kan haar niet wegwerken door ze dood te zwijgen. Voor zover in de bovengenoemde gevallen de morele rechtvaardiging van het ingrijpen steunt op een bevel van het openbaar gezag en dus op de ondergeschiktheid van het individu aan de gemeenschap, van het individueel welzijn aan het maatschappelijk welzijn, berust zij op een verkeerde uitleg van het princiep. Men moet opmerken, dat de mens in zijn persoonlijk zijn uiteindelijk niet aan het nut van de gemeenschap ondergeschikt is, maar dat integendeel de gemeenschap er is voor de mens.

De gemeenschap is het grote middel, door de natuur en door God gewild, om de wisselwerkingen te regelen, waarin de wederzijdse behoeften elkaar aanvullen, om ieder te helpen volmaakt zijn persoonlijkheid volgens zijn individuele en sociale aanleg te ontwikkelen. De gemeenschap, als een geheel beschouwd, is geen physieke eenheid, die op zichzelf bestaat, en haar individuele leden zijn er geen integrerende delen van. Het physieke organisme van de levende wezens, van de planten, van de dieren of van de mens, bezit als geheel een eenheid, die op zichzelf bestaat; elk van zijn ledematen, bijv. de hand, de voet, het hart, het oog is een integrerend deel, dat krachtens heel zijn wezen in het geheel van het organisme moet worden opgenomen. Buiten het organisme heeft het door zijn natuur zelf geen enkele zin en geen enkel doel; het wordt geheel geabsorbeerd door de totaliteit van het organisme, waarmee het verbonden wordt.
Geheel anders is het in de morele gemeenschap en in ieder organisme met een zu’iver moreel karakter. Het geheel heeft hier geen eenheid, die op zichzelf bestaat, maar louter een eenheid van doel en actie. In de gemeenschap zijn de individuen slechts medewerkers en instrumenten om het doel van de gemeenschap te verwezenlijken.

Wat volgt hieruit voor het physieke organisme? De meester en de vruchtgebruiker van dit organisme, dat een zelfstandige eenheid bezit, kan direct en indirect beschikken over de integrerende onderdelen, de delen en de organen, binnen het kader van hun natuurlijke doelstelling; hij kan insgelijks tussenbeide komen, telkens en in de mate als het welzijn van het geheel dit vordert, om de ledematen er van te verlammen, te vernietigen, te mutileren of af te scheiden. Maar, als daarentegen het geheel slechts een eenheid van doel en van actie heeft, bezit zijn hoofd, dit is in dit geval het openbaar gezag, zonder twijfel een directe macht en het recht, eisen te stellen aan de activiteit van de delen. Maar in geen enkel geval kan het direct over zijn physiek wezen beschikken. Iedere directe aanslag op zijn werzen houdt ook een misbruik in van de bevoegdheid van het gezag.

Bijlage III
8. De geneesheer moet zijn beslissingen bepalen volgens het belang van de wetenschap, van de patiënt en van het algemeen welzijn. Over het belang van de wetenschap is reeds gehandeld. Wat het belang van de patiënt betreft, heeft de dokter niet meer recht om in te grijpen dan de patiënt hem geeft. De patiënt van zijn kant, het individu zelf, heeft geen recht om te beschikken over zijn leven, de gaafheid van zijn organisme, de afzonderlijke organen en hun functionneringsvermogen dan voor zover het welzijn van het gehele organisme zulks vraagt.

Hier ligt de oplossing van de vraag, waarmee u zich heeft bezig gehouden: mag de geneesheer een gevaarlijk geneesmiddel toedienen, ingrepen doen, die waarschijnlijk of zeker dodelijk zijn, alleen omdat de patiënt het verlangt of er in toestemt? Zo ook op de vraag, die in zich begrijpelijk is voor een dokter, die vlak achter het front of in een militair hospitaal dienst doet: mag hij in geval van ondraaglijke of onstilbare pijn en in het geval van verschrikkelijke verwondingen op uitdrukkelijk verzoek van de zieke injecties geven, die gelijk staan met euthanasie?

Wat betreft het belang van de gemeenschap, heeft het openbaar gezag over het algemeen geen enkel recht om te beschikken over het leven en de integriteit van de organen van onschuldige onderdanen. De vraag omtrent lijfskastijdingen of de doodstraf behandelen wij hier niet, want wij spreken niet over de beul, maar over de geneesheer. Wijl de staat dit rechtstreeks beschikkingsrecht niet heeft, kan hij het ook niet meedelen aan de dokter om welke reden of tot welk doel dan ook. De politieke gemeenschap is geen physiek wezen, gelijk het lichamelijk organisme, maar een geheel, dat alleen eenheid van doel en werking bezit. De mens is niet voor de staat, maar de staat voor de mens. Als er sprake is van redeloze wezens, zoals planten of dieren, dan heeft de mens de vrije beschikking over hun bestaan en hun leven (dit ontslaat hem niet van de verplichting tegenover God en zijn eigen waardigheid om mishandeling en ongemotiveerde wreedheden te vermijden), maar niet over dat van andere mensen of van ondergeschikten. Hieraan heeft de arts te velde een zekere richtlijn, die hem niet ontslaat van de verantwoordelijkheid voor zijn beslissing, maar hem kan behoeden voor dwaling in zijn oordeel en hem een duidelijke en objectieve gedragsregel biedt.

Bijlage IV
9. De laatste en hoogste controle is de Schepper zelf. God. Wij zouden te kort doen aan de grondbeginselen van uw program en aan de gevolgtrekkingen daaruit afgeleid, indien wij ze zouden betitelen als zuiver menselijke eisen, als louter humanitaire doeleinden. Dit zijn ze ook, maar ze zijn wezenlijk meer. De laatste bron, waaruit hun kracht en waardigheid voortvloeien, is de Schepper van de menselijke natuur. Als er sprake was van beginselen, die alleen door de menselijke wil waren opgesteld, zou hun verplichting niet sterker zijn dan de mensen; zij zouden vandaag kunnen gelden en morgen weer achterhaald zijn; het éne land zou ze kunnen aannemen en het ander verwerpen. Heel anders is het echter, als het gezag van de Schepper er bij betrokken is. Welnu de grondbeginselen van de medische moraal maken deel uit van de goddelijke wet. Dit is dan ook de reden, waarom de geneesheer een onvoorwaardelijk vertrouwen kan stellen in deze grondbeginselen van de medische moraal.

Noten
1. Toespraak Ce premier Congrès, A.A.S. 44 (1953) 779-789.
2. Toespraak Arrivés au terme, van 19 okotober 1953, A.A.S 45 (1953) 744-745.
3. Toespraak Nous vous saluons, A.A.S. 45 (1953) 673-679.
4. Toespraak Nous croyons, A.A.S 45 (1953) 730-744.
5. Met de A.B.C. oorlog is bedoeld de oorlog met atoom-, biologische en chemische wapens, wat nu genoemd wordt: de oorlog met massavernietigingswapens
6. Zie bijlage 1
7. Zie bijlage 1
8. Zie bijlage II
9. Zie bijlage III
10. Zie bijlage IV
11. Toespraak Arrivés au terme van 19 oktober 1953 tot de deelnemers aan het 16e congres van het Internationaal Bureau van Onderzoek omtrent de militaire geneeskunde. A.A.S. 45 (1953) 748-749.
12. Toespraak Nous croyons van 3 oktober 1953 tot de deelnemers aann het zesde internationaal congres voor strafrecht, A.A.S. 45, 1953, 733.
13. Ibid.
14. Toespraak Arrivés au terme van 19 oktober 1953 tot de deelnemers aan het 16e congres van het Internationaal Bureau van Onderzoek omtrent de militaire geneeskunde. A.A.S. 45 (1953) 748-749.
15. Toespraak Ce premier congrès van 13 september 1952 tot de deelnemers aan het eerste internationaal congres voor histopathologie. A.A.S. 44 (1952) 784-787.
16. Toespraak Arrivés au terme van 19 oktober 1953 tot de deelnemers aan het 16e congres van het Internationaal Bureau van Onderzoek omtrent de militaire geneeskunde. A.A.S. 45 (1953) 748-749.
17. Ibid.

Vertaling uit het Frans door dr. J. Kahmann C.ss.R., Serie Ecclesia Docens 0764, 1958, N.V. Gooi & Sticht, Hilversum, A.A.S 46 (1954) 587-598


Over de erfelijkheidsleer en eugenetica

Soyez les bienvenus

Tot de deelnemers aan het eerste internationale congres voor medische erfelijkheidsleer

Paus Pius XII
7 september 1953

Inleiding
1. Begroeting

Weest welkom, heren, nu gij uw “eerste internationaal congres voor medische erfelijkheidsleer” hebt willen benutten om ons te bezoeken. Wij beantwoorden gaarne deze fijne geste, door u onze vreugde uit te drukken, nu wij enkele ogenblikken in uw midden mogen vertoeven.

2. De erfelijkheidsleer een jonge wetenschap
Gedurende de laatste jaren zijn hier verschillende congressen van natuurwetenschappen gehouden. Het karakteristieke van uw wetenschap, waardoor zij zich onderscheidt van andere takken van biologie en geneeskunde, is haar jeugd. Maar niettegenstaande haar jeugd kenmerkt zij zich door een snelle ontwikkeling en door de ver reikende, men zou haast zeggen, vermetele doeleinden, die zij zich heeft gesteld.

3. Grote belangstelling voor deze leer
Deze doeleinden wekken levendige belangstelling bij de instellingen, die zich bezighouden met de mens als zedelijke persoonlijkheid; met zijn vorming; met de opvoeding, die in hem een rijp en vast karakter moet vormen, bewust van zijn verantwoordelijkheid; met zijn manier van denken en handelen in de vraagstukken, die beslissend zijn voor tijd en eeuwigheid.

Om tegemoet te komen aan de wens, die van uw kant tot ons is gericht, meenden wij dus niet te mogen weigeren om tot u enkele woorden te spreken over uw werken en pogen.

4. Definitie van de genetica. Inhoud van de toespraak
Inderdaad, onder de zo verschillende takken van de biologie zijn misschien het meest vooruitstrevend de onderzoekingen van de genetica, d.w.z. de wetenschap van de erfelijke overdracht van verschillende eigenschappen, die van de ene generatie op de andere volgens vaste wetten plaats heeft. In onze uiteenzetting daarover willen wij eerst enige punten aanstippen, die wij ontlenen aan de literatuur over dit onderwerp; zij vallen dus onder uw competentie en wij laten het oordeelomtrent de juistheid er van aan u over. Maar aan deze gegevens willen wij ook enkele principiële beschouwingen vastknopen, die als regel kunnen dienen voor de metaphysieke en zedelijke beoordeling van een of ander theoretisch beginsel van de hedendaagse genetica en meer nog voor de toepassing er van in de werkelijkheid van het leven.


I. Stand van de moderne erfelijkheidsleer
1. De begin-cel van het nieuwe leven

Uw wetenschap heeft de begin-cel doen kennen van het nieuwe leven, dat door bevruchting ontstaat. Van deze cel zegt gij, dat zij gevormd wordt door de samensmelting van twee geslachtelijke celkernen, die behoren aan partners van verschillend geslacht. Gij leert ons, dat het nieuwe levende wezen zich ontwikkelt vanuit deze begin-cel door normale en voortdurende celdelingen onder leiding van genen, die in de celkernen vervat zijn en die de dragers zijn van het erfgoed der voorouders. Maar uw wetenschap geeft een vollediger en dieper inzicht omtrent deze begin-cel, omtrent haar oorsprong, haar structuur, haar dynamisme, haar doel en innerlijke rijkdom. Zij ziet daarin zowel een eindpunt als een beginpunt. Het eindpunt nl. van een lange voorafgaande evolutie en van de overdracht van het erfgoed van de twee familietakken gedurende de lange serie van voorbije generaties, sinds het ontstaan van de betreffende soort tot aan het nieuwe individu. Het beginpunt van een reeks afstammelingen, aan wie dit erfgoed kan en moet worden overgedragen om zonder ophouden de reeks van geslachten voort te zetten.

2. Zekere resultaten en onopgeloste problemen
De werken over de genetica werpen hier een blik op de diepte en omvang van de structuur en de wetten van het leven; men verwijst hier met nadruk naar de geheimen van de atoomphysica. Deze werken geven rekenschap van de tot op heden verkregen resultaten, van zeker bewezen feiten, maar ook van talrijke problemen en vragen, die nog op een oplossing wachten, zowel theoretisch beschouwd als wat de praktische toepassing aangaat.

3. De wetten van de erfelijkheid
De genetica verstrekt echter niet alleen gegevens omtrent de feiten, maar ook over de aard en de wetten van de erfelijkheid. Het overbrengen van het erfgoed, zo zegt zij, geschiedt volgens vaste wetten, waarvan sommige bekend zijn, terwijl andere nog een dieper onderzoek vereisen. De wetten van Mendel, het eerst opgesteld door de Augustijn Gregor Mendel, die zich voor uw wetenschap bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt en naar wie men in de stad Rome een wetenschappelijk instituut heeft genoemd, zijn schema’s van de overdracht en de verdeling over de afstammelingen van de elementen, die de dragers van de erfelijkheid zijn, nl. de genen. Een bepaalde groep van genen in de kern van de geslachtelijke cellen, vormt de materiële basis van de verschillende eigenschappen. De genetica beweert, dat het erfgoed het geheel van de genen van alle chromosomen der geslachtelijke cellen omvat. Zij geeft de talrijke combinaties aan, die door de verbinding van de overgedragen genen bewerkt worden. Zij spreekt van homozygoten en heterozygoten. Zij vestigt de aandacht op het feit, dat bij de heterozygoten, d.w.z. bij de verbinding van genen, die dragers zijn van verschillen van dezelfde eigenschappen, het voorkomt, dat sommige genen, om zo te zeggen, het onderspit delven, de zg. “recessieve” genen, en worden verdrongen door andere, de “dominante” genen. Toch blijven zij volledig in het erfgoed bewaard en worden daarmee overgedragen, zodat zij in volgende generaties bij afwezigheid van dominante genen weer in heel hun vroegere levenskracht kunnen optreden.

4. De “klassieke genetica”
Uw werken onderstrepen een kenmerk van de erfelijke overdracht: de genen blijken als het ware onaantastbaar en tonen een straffe onveranderlijkheid. Men zou duizenden keren hebben bewezen, dat bijv. verworven eigenschappen of mutulaties ze niet veranderen en niet overgaan op de nakomelingen. De vakliteratuur geeft deze mening onder de naam van “klassieke genetica”. Toch zouden onlangs Russische genetici dit hebben bestreden en de stabiliteit van de erfelijke factoren hebben ontkend.

5. Invloed van het milieu op het erfgoed
Toch erkennen allen zonder meer het aanpassingsen reactievermogen van de erfelijke factoren ten opzichte van de uitwendige omstandigheden, speciaal van het verschillend klimaat. Zo zou een en dezelfde plant van dezelfde erfelijke aard toch volgens het klimaat zulk een geheel andere uiterlijke vorm kunnen aannemen, dat de oningewijde ze voor een plant van een ander soort zou aanzien. De genetica zegt hier: het erfgoed bevat in de grond geen enkele uitwendige vorm maar alleen het vermogen om op verschillend klimaat door die of die uitwendige vorm te reageren; het erfgoed zou dus niet anders dan een bepaalde norm van reacties bevatten.

6. De modificaties
Dergelijke modificaties, zo verklaart de genetica, zijn niet zeldzaam in het erfelijkheidsproces; toch heeft er dan geen verandering plaats in de constituerende elementen van het erfgoed. De levende wezens ontvangen hun individuele kenmerken, “het phaenotype”, van het erfgoed en van de omgeving. Het erfgoed, zo verzekert men, is min of meer plastisch in die zin, dat het kan worden gevormd door de omgeving. Ieder levend wezen is in zijn definitieve toestand het resultaat van de samenwerking tussen erfgoed en milieu. Noch het erfgoed, noch het milieu betekent alles.

7. De mutaties
Er bestaan echter ook, altijd volgens de genetica, wijzigingen in het erfgoed zelf, die men “mutaties” noemt. Deze ontstaan op een wijze, welke wezenlijk verschilt van de modificaties. De genen, die uiterst ingewikkelde reuzenmoleculen, kunnen een verandering van structuur ondergaan onder invloed van verschillende factoren, zo bijv. door inwerking van cosmische stralen. De genenmolecule, in haar structuur gewijzigd, doet in het groeiend organisme verschillende eigenschappen optreden. Deze eigenschappen van het levende wezen, en het zijn er duizenden, kunnen bijna alle mutaties ondergaan. Ook kan men op kunstmatige wijze mutaties verwekken, bijv. door bepaalde bestralingen van de voortbrengingscellen, zonder dat men echter te voren het resultaat van dit ingrijpen kan bepalen. Door middel van de mutaties kunnen de natuur en de mens “eliten” voortbrengen. Zulk een wezen, geschikt en gewapend voor het leven, toont zich sterker dan andere, die minder goed zijn toegerust. Vaak zal het gebeuren, dat deze laatste ontaarden, ten onder gaan en verdwijnen.
Het feit en de theorie van de modificaties en mutaties tonen dus, dat de onschendbaarheid van het erfgoed, waarover in het begin is gesproken, toch aan zekere wijziging onderhevig is.

8. Verband tussen erfelijkheidsleer en evolutietheorie
Wat de biologie en in het bijzonder de genetica zeggen over de kiemcellen, de erfelijkheidsfactoren, over modificaties, mutaties en selectie gaat boven de individuen in de verschillende soorten uit en raakt ten slotte de kwestie omtrent oorsprong en ontwikkeling van het leven in het algemeen en van het geheel der levende wezens. Men stelt dan deze vraag: Komt dit geheel tot stand door het feit, dat alle levende wezens voortkomen uit een enkel wezen en uit zijn onuitputtelijke kiemkracht langs de weg van afstamming en evolutie op de wijze en onder de invloeden, die boven zijn aangegeven? Het vraagstuk van de grote groepen verklaart, waarom de werken van sommige genetici de erfelijkheidstheorie verbinden met de evolutie. en afstammingstheorie; zij lopen in elkaar over .

9. De stand van het evolutievraagstuk
In de nieuwste werken over genetica leest men, dat niets het verband tussen alle levende wezens beter kan verklaren dan het beeld van één gemeenschappelijke stamboom. Maar tegelijkertijd wijst men er op, dat het daarbij slechts gaat over een beeld, een hypothese, en niet over een bewezen feit. Men meent zelfs er aan te moeten toevoegen, dat, als de meerderheid van de onderzoekers de afstammingsleer als een “feit” aandient, dit een overhaast oordeel is. Men zou heel goed ook andere hypothesen kunnen opstellen. Daarenboven zegt men, dat bekende geleerden dit doen zonder daardoor te willen ontkennen, dat het leven zich ontwikkeld heeft en dat bepaalde vondsten kunnen verklaard worden als praeformaties van het menselijk lichaam. Maar, zo gaat men verder, die onderzoekers hebben zo uitdrukkelijk mogelijk aangegeven, dat men volgens hun oordeel nog absoluut niet weet, wat de uitdrukkingen: “evolutie”, “afstamming”, “overgang” werkelijk en precies betekenen; dat men overigens geen enkel natuurlijk proces kent, waarbij een wezen een ander van verschillende natuur voortbrengt; dat het proces, waardoor een soort een andere soort voortbrengt, nog volkomen ondoorgrondelijk blijft ondanks de talrijke tussenvormen; dat men er nog niet in geslaagd is, door experimenten een nieuwe soort uit een andere soort te doen voortkomen; en ten slotte, dat wij absoluut niet weten, op welk moment van de evolutie de hominide plotseling de drempel van het mens-zijn heeft overschreden. Men verwijst verder naar twee bijzondere ontdekkingen, waarover het meningsverschil tot op heden nog niet is opgelost. Het zou hier niet zozeer gaan over de ver gevorderde graad van evolutie bij het ontdekte materiaal, als welover de datering van de geologische aardlaag. De laatste conclusie, die men er uit trekt, is deze: naar gelang de toekomst de juistheid zal aantonen van de ene of van de andere verklaring, zal de gebruikelijke voorstelling van de menselijke evolutie er ofwel een bevestiging in vinden ofwel men zal er zich een heel nieuwe voorstelling van moeten maken. Men meent te moeten zeggen, dat de onderzoekingen omtrent de oorsprong van de mens pas aan het begin staan; de voorstelling, die men er thans van heeft, zou men niet als de definitieve mogen beschouwen. Ziedaar, wat men zegt over de betrekkingen tussen de erfelijkheidstheorie en de evolutietheorie.

10. De praktische waarde van de genetica
De literatuur over genetica bewijst, dat deze niet alleen theoretisch van belang is, nl. voor de verrijking van onze kennis omtrent de natuur en haar werking, maar dat zij tegelijkertijd hoge praktische waarde heeft. Vooreerst leert zij op het terrein van de redeloze wezens een veel beter gebruik maken van het planten- en dierenrijk ten voordele van de mens.

Maar ook voor de mens zijn de erfelijkheidswetten van grote betekenis. De begin-cel van de nieuwe mens heeft reeds op het eerste ogenblik en bij de aanvang van haar bestaan een wonderbare bouwen een ongelooflijk rijke specificering van aanleg. Zij is vol van doelmatig dynamisme, geleid door de genen, en deze genen zijn de grondslag van zoveel geluk of ongeluk, van levenskracht of zwakte, van sterkte of onmacht. Deze gedachte verklaart genoeg, waarom de onderzoekingen omtrent erfelijkheid steeds meer belangstelling trekken en punten van toepassing vinden. Men zoekt, wat goed en waardevol is, te behouden, te versterken, te bevorderen en te vervolmaken. Men moet de erfelijke factoren voor ontaarding behoeden; men moet zoveel mogelijk het gebrekkige, dat zich reeds vertoont, verhelpen en er op letten, dat de minderwaardige erfelijke factoren nog niet meer gebrekkig worden door de vereniging met die van een homozygote partner. Integendeel, men moet er voor zorgen, dat de positieve, volwaardige eigenschappen zich verenigen met een gelijk erfgoed.

11. Samenvatting
Dit is de taak, die de genetica en eugenetica zich stellen. Vandaar haar buitengewone specialisatie, die gaat tot aan de genetica van de bloedgroepen, de studie en genetica van tweelingen.

Dit wilden wij ontlenen aan uw vak zonder daarover onze mening te geven. De beoordeling van zuiver specifieke kwesties wordt aan de bevoegdheid van uw wetenschap overgelaten. Onze uiteenzetting had alleen tot doel, een gemeenschappelijke grondslag vast te leggen, waarop wij de principiële beschouwingen konden opbouwen, die wij er aan wilden toevoegen.


II. Principiële beschouwingen
A. Waarheld en waarheidsliefde in de wetenschap

De fundamentele eisen voor wetenschappelijke kennis zijn waarheid en waarheidsliefde.

1. Het begrip “waarheid”
Onder waarheid moet worden verstaan de overeenkómst van het oordeel van de mens met de werkelijkheid van het zijn en de werking der dingen zelf, in tegenstelling tot voorstellingen en ideeën, die de geest er in legt. Vroeger heerste en ook tegenwoordig heerst nog een opvatting, volgens welke de boodschap, die de objectieve werkelijkheid van zichzelf geeft, als door een lens in de geest doordringt en in haar loop kwalitatief en kwantitatief verandert. Men spreekt in dit geval van een dynamische gedachte die haar vorm op het voorwerp drukt, in tegenstelling met de statische gedachte die het alleen weerspiegelt, als men tenminste niet in princiep beweert, dat de eerste het enig mogelijke type is van menselijke kennis. Waarheid zou dan op slot van rekening zijn, de overeenstemming van de persoonlijke gedachte met de publieke of wetenschappelijke opinie van het ogenblik. Het denken van alle tijden, steunend op het gezond verstand, en in het bijzonder het christelijk denken zijn zich er van bewust, als wezenlijk beginsel te moeten handhaven: waarheid is de overeenstemming van het oordeel met het in zich bepaalde wezen der dingen, een oordeel dat dus in zich bepaald is, zonder daarmee de gedeeltelijke juistheid te willen loochenen van de bovenvermelde opvatting van de waarheid, die toch in haar geheel vals is. Wij hebben deze kwestie ook aangeroerd in onze encycliek Humani Generis van 12 Augustus 1950 (1) en toen de nadruk gelegd op een punt, dat wij menen hier te moeten herhalen: nl. de noodzakelijkheid om de grote ontologische wetten onaangetast te laten, want zonder deze wordt het onmogelijk, de werkelijkheid te begrijpen. Wij denken hier vooral aan de beginselen van contradictie, van voldoende grond, van oorzakelijkheid en van finaliteit.

2. De genetica aanvaardt de gegeven opvatting van de waarheid
Volgens uw geschriften mogen wij veronderstellen, dat gij het eens zijt met onze opvatting van de waarheid. Gij wilt bij uw onderzoekingen de waarheid bereiken en daarop steunen om uw conclusies te trekken en uw systemen op te bouwen. Gij neemt dus aan, dat er objectieve feiten zijn en dat de wetenschap de mogelijkheid en de bedoeling heeft om deze feiten te begrijpen, en niet om louter subjectieve voorstellingen te vormen.

3. Noodzakelijk onderscheid tussen de feiten en hun verklaring
Het onderscheid tussen de zekere feiten en hun verklaring of systematisering is voor de onderzoeker even fundamenteel als de definitie van de waarheid. Het feit is altijd waar, omdat er geen ontologische dwaling mogelijk is. Maar dit zelfde geldt niet zonder meer van de wetenschappelijke uitwerking er van. Hier loopt men gevaar om voorbarige conclusies te trekken of zich in zijn oordeel te vergissen.

4. Voorzichtigheid in het wetenschappelijk oordeel
Dit alles vraagt eerbied voor de feiten en voor het geheel van feiten, voorzichtigheid in het uiten van wetenschappelijke stellingen, gematigdheid in het wetenschappelijk oordeel en bescheidenheid, die door geleerden zozeer wordt gewaardeerd en die wordt ingegeven door het bewustzijn van het beperkt menselijk weten. Dit bevordert de openheid van geest en de leerzaamheid van de echte wetenschapsmens, die niet zal vasthouden aah zijn eigen ideeën, als deze onvoldoende gefundeerd blijken. Dit leidt er ten slotte toe om zonder vooroordeel de meningen van anderen te onderzoeken en te beoordelen.

5. Waarheidsliefde
Als men zo is ingesteld, dan zal men met eerbied voor de waarheid heel natuurlijk ook liefde voor de waarheid verenigen, d.w.z. de overeenstemming tussen zijn persoonlijke overtuiging en de wetenschappelijke stellingen, door woord en geschrift uitgedrukt.

6. Geen tegenspraak tussen de verschillende wetenschappen
Deze eis van waarheid en waarheidsliefde vraagt nog een opmerking in verband met wetenschappelijke kennis: het is zeldzaam, dat maar één enkele wetenschap zich met een bepaald onderwerp bezighoudt. Dikwijls zijn er verschillende, die het behandelen, ieder onder verschillend opzicht. Is echter hun onderzoek juist, dan is ook tegenspraak bij de resultaten niet mogelijk, want dat zou tegenspraak in de ontologische werkelijkheid veronderstellen. Welnu, de werkelijkheid kan niet in tegenspraak zijn met zichzelf. Als er nu ondanks alles toch tegenspraak ontstaat, dan kan deze slechts het gevolg zijn van een onjuiste waarneming of van een verkeerde verklaring van een juiste waarneming, ofwel van het feit, dat de onderzoeker de grenzen van zijn speciaal vak is te buiten gegaan en zich waagde op een terrein, dat hij niet kende. Wij menen, dat ook deze opmerking duidelijk geldt voor alle wetenschappen.

7. Verhouding van genetica en philosophie
Als dus de erfelijkheidstheorie, steunend op de kennis van de structuur der celkern – en sinds kort ook op de structuur van het cytoplasma – en van de immanente wetten der erfelijkheid, in staat is te zeggen, waarom een mens bepaalde eigenschappen vertoont, dan is zij daarom nog niet in staat om heel het leven van die mens te verklaren. Zij moet nog worden aangevuld door andere wetenschappen, zodra de vraag rijst omtrent het bestaan en de oorsprong van het geestelijk levensbeginsel, de menselijke ziel, die in wezen van de materie onafhankelijk is. De conclusies van de genetica omtrent de begin-cel, de ontwikkeling van het menselijk lichaam door normale celsplitsing onder leiding van de genen, en wat zij verder beweert omtrent modificaties, mutaties en samenwerking van erfgoed en omgeving, dit alles is niet in staat om de eenheid van de natuur van de mens, zijn verstandelijke kennis en zijn vrije wil te verklaren. De genetica als zodanig kan niets zeggen over het feit, dat een geestelijke ziel zich in de eenheid van de menselijke natuur verbindt met een organisch substraat, dat een betrekkelijke autonomie heeft. Hier moeten psychologie en metaphysica of ontologie optreden, niet om tegen de genetica in verzet te komen, maar om met haar in overeenstemming te blijven, door nl. haar gegevens over te nemen en tegelijk wezenlijk aan te vullen. Daartegenover mag de philosophie evenmin de genetica verwaarlozen, wanneer zij bij de analyse van psychische werkingen in contact met de werkelijkheid wil blijven. Men moet niet heel het psychische leven, voor zover het door het lichaam bepaald is, willen afleiden van de “anima rationalis” (redelijke ziel) als “forma corporis” (vorm van het lichaam) en beweren, dat de amorphe “materia prima” (eerste stof) al haar bepaaldheid krijgt van de onmiddellijk door God geschapen geestelijke ziel en niets ontvangt van de genen, die in de celkern zijn besloten.

8. Waarde van het getuigenis van andere specialisten
De veelheid en verscheidenheid van de bronnen van onze kennis vragen ook nog de aandacht voor een feit van beslissende betekenis, het onderscheid nl. tussen de kennis, die door persoonlijke studie is verkregen en die welke men dankt aan de arbeid van anderen, dus aan hun getuigenis. Als men zeker is van de geloofwaardigheid van dit getuigenis, vormt het een normale bron van kennis, die noch het praktische leven noch de wetenschap kunnen missen. Afgezien van de dwingende noodzakelijkheid om telkens weer tot het getuigenis van anderen zijn toevlucht te moeten nemen, zal de geesteshouding van de echte geleerde, hierboven aangegeven, hem doen erkennen, dat de ervaren specialist; meer dan welke oningewijde ook, op zijn terrein altijd een innige betrekking onderhoudt met de objectieve waarheid.

B. Genetica en openbaring
1. Waarde van het getuigenis der openbaring

Wij kunnen ons niet vveerhouden om hetgeen wij van het menselijke getuigenis zeiden, toe te passen op het getuigenis van God. De openbaring, dus het formeel en uitdrukkelijk getuigenis van de Schepper, raakt ook sommige gebieden van de natuurwetenschappen en sommige stellingen van uw speciaal vak, zoals de afstammingstheorie. Welnu, de Schepper voldoet in de hoogste graad aan de eis van waarheid en waarheidsliefde. Oordeelt dus zelf, of het strookt met wetenschappelijke objectiviteit, dit getuigenis af te wijzen, als men alle waarborgen heeft voor de werkelijkheid en de inhoud er van.

2. Belangstelling van de theologie voor het afstammingsvraagstuk
Wat de afstammingstheorie betreft, de essentiële vraag is hier die omtrent de oorsprong van physiek organisme van de mens (niet van zijn geestelijke ziel). Terwijl uw wetenschappen zich ijverig bezighouden met dit probleem, heeft de theologie, de wetenschap die de openbaring tot voorwerp heeft, er ook een zeer levendige belangstelling voor gehad. Wij zelf hebben al twee maal, reeds in 1941 in een toespraak tot onze academie van wetenschappen (2) en in 1950 in de bovengenoemde encycliek, (3) aangedrongen op voortzetting van het onderzoek in de hoop, dat men wellicht eens zekere resultaten zal kunnen boeken, want tot nu toe heeft men nog niets definitiefs bereikt. Wij hebben er toe aangespoord, die kwesties te behandelen met de voorzichtigheid en de rijpheid van oordeel, die het groot belang er van eist. Uit de werken van uw speciaal vak hebben wij een citaat ontleend, waarin men, na al de hedendaagse ontdekkingen en de mening van de specialisten hieromtrent te hebben beschouwd, eveneens aanspoorde tot gematigdheid en waarin men een definitief oordeelopschortte.

3. Bepaalde grenzen
Als gij in overweging neemt, wat wij gezegd hebben omtrent wetenschappelijk onderzoek en kennis, moet het duidelijk zijn, dat noch van de kant van de rede noch van de kant van het christelijk denken grenzen worden gesteld aan het onderzoek, aan de kennis, aan het uiten van de waarheid. Er zijn grenzen, maar zij dienen niet om de waarheid opgesloten te houden. Zij hebben tot doel, te beletten, dat niet-bewezen hypothesen als zekere feiten worden beschouwd, dat men de noodzakelijkheid vergeet om de ene bron van kennis aan te vullen door een andere en dat men de hiërarchie van waarden en de graad van zekerheid van een bron van kennis verkeerd opvat. Om deze oorzaken van dwaling te verhinderen, moeten er grenzen zijn, maar niet voor de waarheid.

C. Praktische betekenis van de genetica
1. Haar praktische taak ligt vooral op tweevoudig terrein

De genetica heeft niet alleen theorethische betekenis” zij is ook uitermate praktisch. Zij wil bijdragen tot het welzijn zowel van individuen als dat van de gemeenschap, het algemeen welzijn. Zij wil zich van die taak kwijten vooral op een tweevoudig terrein, dat van de genetische physiologie en van de genetische pathologie.

2. Invloed van de natuuraanleg op opvoeding en gedrag
Uit de ervaring blijkt, dat de natuurlijke aanleg van de mens, de gunstige zowel als de minder gunstige aanleg, een zeer sterke invloed heeft op zijn opvoeding en zijn toekomstig gedrag. Zonder twijfel is het lichaam met zijn aanleg en zijn organen slechts het instrument, terwijl de ziel de kunstenaar is die het bespeelt; zonder twijfel ook kan de vaardigheid van de kunstenaar menig defect van het instrument aanvullen. Maar men speelt beter en gemakkelijk op een volmaakt instrument; en als zijn hoedanigheid ligt beneden een bepaalde grens, wordt het zelfs absoluut onbruikbaar; daarbij moet men rekening houden met het feit, dat, buiten alle vergelijking om, lichaam en ziel, stof en geest in de mens een substantiële eenheid vormen.

3. De genetica constateert en voorziet de erfelijke aanleg
Maar, om bij deze vergelijking te blijven, toch leert de genetica het instrument beter kennen in zijn bouw en zijn veelzijdigheid en toont ook de mogelijkheid, het beter te doen spelen. Uit de stambouw van een mens kan men – altijd binnen bepaalde grenzen – een diagnose vaststellen van de aanleg, die hij in zijn erfgoed heeft meegekregen en een prognose van de overgeërfde eigenschapen, die zich zullen vertonen ten goede en – wat nog belangrijker is – ook van die, welke een erfelijke belasting verraden.

4. De genetica geeft practische aanwijzingen met betrekking tot de erfelijke aanleg
Hoe beperkt ook de directe invloed is op het erfgoed, toch behoeft de praktische genetica geenszins de rol van louter passief toeschouwer te vervullen. Het dagelijks leven toont reeds de uiterst schadelijke gevolgen, welke sommige handelwijzen van de ouders hebben bij de natuurlijke overdracht van het leven. Dergelijk gedrag met de intoxicaties en infecties, die het veroorzaakt, moet zoveel mogelijk worden tegengegaan, en de genetica zoekt en wijst de middelen om dit doel te bereiken. Haar conclusies betreffen in het bijzonder de combinatie van het erfgoed uit verschillende stambomen. Zij geeft aan, welke men moet bevorderen, welke men kan dulden en welke men moet afraden vanuit het standpunt van genetica en eugenetica.

D. Ethische waardering van de genetische en eugenetische indicaties
1. Voorbehoud omtrent bepaalde methoden en praktijken

Het fundamenteel streven van de genetica en eugenetica is, het overbrengen van erfelijke factoren te beinvloeden om wat goed is te bevorderen en wat schadelijk is te weren; dit fundamenteel streven is onder moreelopzicht niet laakbaar. Maar sommige methoden om dit doel te bereiken en sommige afweermaatregelen zijn zedelijk aanvechtbaar, gelijk trouwens ook een overschatting van de doeleinden der genetica en eugenetica. Laat ons de verklaringen aanhalen van een der bekwaamste hedendaagse genetici. In een brief, die hij tot ons richtte, betreurt hij het, dat de genetica ondanks haar enorme vooruitgang “in technisch en analytisch opzicht zich verliest in talrijke leerstellige dwalingen, zoals het racisme, het mutationisme toegepast op de phylogenese om in moderne termen de darwinistische evolutieleer te verklaren, de geboortecontrole van alle erfelijk belasten of van hen, die als zodanig worden verondersteld, door preventieve middelen of abortuspraktijken, verplichting van medische verklaringen vóór het het huwelijk enz.”.

2. Enkele maatregelen in het bijzonder
Inderdaad zijn er dus sommige genetische en eugenetische afweermaatregelen, die door het gezond zedelijk denken en vooral door de christelijke moraal zowel in beginsel als in de praktijk moeten worden verworpen.

a. De eugenetische sterilisatie
Tot de maatregelen, die in strijd zijn met de zedelijkheid, behoren het reeds genoemde “racisme” of de “eugenetische sterilisatie”. Onze voorganger Pius XI en wij zelf (4) hebben ons verplicht gevoeld, te verklaren, dat niet alleen de eugenetische, maar elke directe sterilisatie van een onschuldige, zowel definitief als tijdelijk, zowel van man als vrouw, in strijd is met de natuurwet. Ons verzet tegen de sterilisatie was en blijft onwrikbaar, want al heeft het “racisme” uitgediend, men is er naar blijven verlangen en streven om door sterilisatie een met erfelijke ziekten belaste nakomelingschap tegen te gaan.

b. Het verhinderen van het huwelijk
Een andere weg voert naar hetzelfde doel; “het verbod van het huwelijk” of het physiek onmogelijk maken er van door het interneren van degenen, die erfelijk zijn belast, is eveneens te verwerpen. Het nagestreefde is in zich goed, maar het middel om het te bereiken, schendt het persoonlijk recht om een huwelijk te sluiten en te beleven. Als de erfelijk belaste niet in staat is tot menselijk handelen en bijgevolg dus niet in staat een huwelijk aan te gaan, of als hij later onbekwaam is geworden om door een vrije daad het door een geldig huwelijk verworven recht uit te oefenen, dan kan men hem op geoorloofde wijze beletten, nieuw leven te verwekken. Buiten deze gevallen is het verbod van huwelijk en huwelijksomgang om biologische, genetische of eugenetische redenen een onrecht, wie dit verbod ook uitvaardigt, hetzij een particulier of de publieke macht.

3. Het afraden van het huwelijk in bepaalde omstandigheden
Men heeft zeker alle reden, en in de meeste gevallen ook de plicht, om hen, die met zekerheid zwaar erfelijk belast zijn, er op te wijzen, welk een last zij zichzelf, hun wederhelft en hun kinderen gaan opleggen, een last die misschien ondragelijk zal worden. Maar afraden is geen verbieden. Er kunnen andere redenen zijn, vooral van zedelijke en persoonlijke aard, die zó zwaar wegen, dat zij het sluiten en gebruiken van het huwelijk zelfs in de aangegeven omstandigheden wettigen.

4. Sterilisatie en het recht op het huwelijk
Om het alternatief van directe eugenetische sterilisatie of internering te rechtvaardigen, beweert men, dat het recht op het huwelijk en het gebruik er van door de sterilisatie niet worden aangetast, zelfs niet door totale en zeker-definitieve sterilisatie vóór het huwelijk. Deze poging echter om de sterilisatie te rechtvaardigen moet noodzakelijk mislukken. Als voor een verstandig mens het bedoelde feit twijfelachtig is, dan is ook de ongeschiktheid voor het huwelijk twijfelachtig en moet hier het princiep worden toegepast, dat het recht om te huwen blijft, zolang het tegendeel niet met zekerheid is bewezen. Daarom moet in dit geval het huwelijk worden toegelaten, maar de objectieve geldigheid er van blijft een open vraag. Als er daarentegen geen enkele twijfel is omtrent het bedoelde feit van sterilisatie, dan is het voorbarig te beweren, dat het recht op het huwelijk desondanks niet in het gedrang komt; en in ieder geval laat deze bewering de meest gegronde twijfel toe.

5. Andere ontoelaatbare middelen
Wij moeten nog spreken over andere ontoelaatbare pogingen om erfelijke belasting te vermijden, die de aangehaalde tekst “preventieve middelen en abortuspraktijken” noemt. Deze komen niet eens in aanmerking voor eugenetische indicatie, omdat zij in zich al te verwerpen zijn.

6. De genetica moet de menselijke persoon eerbiedigen
Ziedaar, heren, wat wij u hadden te zeggen. De praktische doeleinden, die de genetica nastreeft, zijn verheven en waard om erkend en aangemoedigd te worden. Zij moet zich echter in de waardering van de middelen om deze doeleinden te bereiken, altijd goed bewust blijven van het fundamentele verschil, dat er bestaat tussen de planten- en dierenwereld enerzijds en de mens anderzijds. In de planten- en dierenwereld heeft zij de middelen om soorten en rassen te verbeteren tot haar volledige beschikking. In de wereld van de mens daarentegen staat zij altijd voor persoonlijke wezens met onaantastbare rechten, voor individuen, die van hun kant gehouden zijn aan onwrikbare morcle normen, als zij van hun vermogen om nieuw leven te verwekken gebruik maken. Zo heeft de Schepper zelf op zedelijk gebied grenzen gesteld, die door geen enkele menselijke macht kunnen worden opgeheven.


Slot en zegenwens
Moge uw wetenschap in de publieke zedelijkheid en in de sociale orde een sterke steun vinden, opdat het huwelijksleven van gezonde en normale mensen en het huwelijksleven in het algemeen zich gemakkelijk en vrij kan ontwikkelen volgens de wetten, die de Schepper zelf in het hart van de mens geschreven heeft en die Hij door Zijn openbaring heeft bevestigd. Misschien zult gij hier ook de kostbaarste hulp vinden bij uw arbeid, waarvoor wij u de overvloedige zegeningen van God toewensen en afsmeken.

Noten
1. A.A.S. 42 , 1950, 572
2. Toespraak Richiamo di gioia van 30 november 1941, A.A.S. 33, 1941, 506
3. Humani Generis A.A.S. 42, 1950, 575-576.
4. Encycliek Casti Connubii van 31 december 1930, A.A.S. 22 (1930) 564-565 en Decretum S. Officii: de sterilisatione van 24 februari 1940, A.A.S. 32, 1940, 73.

Vertaling uit het Frans van dr. M.H. Mulders C.ss.R., serie Ecclesia Docens nr 0761, Gooi & Sticht, Hilversum 1955


Over de fundamentele houding voor psychologie en psychotherapie

Nous vous souhaitons

Tot de deelnemers aan het 5e internationale congres voor psychotherapie en psychologie te Rome

Paus Pius XII
van 13 april 1953

Inleiding

1. Begroeting
Wij heten u welkom, dierbare zonen en dochters, die van overal hier in Rome zijt samengekomen om te luisteren naar geleerde verhandelingen en om problemen van psychotherapie en klinische psychologie te bespreken. Uw congres is nu ten einde en om de resultaten en het: succes van uw verdere onderzoekingen en activiteit te verzekeren, komt gij de zegen vragen van Christus’ plaatsbekleder. Gaarne willen wij aan uw wens voldoen en wij benutten deze gelegenheid om u een woord van bemoediging toe te spreken en enkele richtlijnen te geven.

2. Nieuwe resultaten van de psychologie
De wetenschap verzekert, dat nieuwe onderzoekingen de diepe lagen van de menselijke psyche hebben blootgelegd en zij tracht die ontdekkingen te begrijpen, te verklaren en bruikbaar te maken. Men spreekt van dynamismen, determinismen en mechanismen die in de diepte van de ziel verborgen liggen en die innerlijke wetten bezitten, waaruit bepaalde wijzen van handelen voortkomen. Ongetwijfeld spelen deze zich af in het onderbewuste of in het onbewuste, zij dringen ook door op het gebied van het bewustzijn en bepalen dit gebied. Men beweert te beschikken over beproefde en als zodanig erkende methoden om het geheim van die diepten van de ziel te doorgronden, om deze te verklaren en ze weer de juiste richting te geven, als zij een schadelijke invloed uitoefenen.

3. De psychologie gebonden aan de natuurlijke en bovennatuurlijke waarheid en aan de moraal
Deze vraagstukken, die het voorwerp kunnen zijn van wetenschappelijk psychologisch onderzoek, vallen onder uw competentie. Ditzelfde geldt ook voor het gebruik van nieuwe psychische methoden. Maar beide, zowel de theoretische als de practische psychologie moeten zich er van bewust blijven, dat zij de waarheden die vastgelegd zijn door het verstand en door het geloof, evenmin als de verplichtingen van de zedenwet uit het oog mogen verliezen.

4. Doel en indeling van de toespraak
Het vorig jaar in de maand September (1) hebben wij op verzoek van de leden van het “eerste internationale congres voor histopathologie van het zenuwstelsel” de morele grenzen aangegeven voor geneeskundige methoden van onderzoek en behandeling. Uitgaande van deze uiteenzetting willen wij vandaag enkele aanvullingen er aan toevoegen. In het kort gezegd, het is onze bedoeling de fundamentele houding aan te geven, die geldt voor de christenpsycholoog en –psychotherapeut.

Deze fundamentele houding kan men als volgt formuleren: de psychotherapie en de klinische psychologie moeten steeds de mens blijven beschouwen 1. als een psychische eenheid en totaliteit, 2. als een structurele eenheid in zichzelf, 3. als een sociale eenheid, 4. als een transcendente eenheid, nl. gericht op God.

I. De mens als psychische eenheid en totaliteit
1. De menselijke psyche in haar eenheid en doelstelling

De geneeskunde leert het menselijk lichaam te beschouwen als een uiterst gevoelig mechanisme, waarvan de onderdelen in elkaar grijpen en op elkaar inwerken. De plaats en de eigenschappen van die delen hangen af van het geheel en zij dienen voor het bestaan en de functies van dit geheel. Maar deze opvatting geldt nog veel meer voor de ziel, waarvan het fijne raderwerk met veel groter zorg is samengesteld. De verschillende psychische vermogens en functies zijn ingeschakeld in het geheel van het geestelijk wezen en ondergeschikt aan zijn doel.

2. De ziel als beheersende kracht van de psychische dynamismen
Het is niet nodig dit punt breder te ontwikkelen, maar gij, psychologen en therapeuten, moet rekening houden met dit feit: het bestaan van ieder psychisch vermogen of psychische functie wordt gerechtvaardigd door het doel van het geheel. Het is vóór alles de ziel, die de mens tot mens maakt, als de zelfstandigheidsvorm van zijn natuur. Uit haar vloeit uiteindelijk heel het menselijk leven voort; in haar wortelen alle psychische dynamismen met hun eigen structuur en organische wet. De ziel krijgt van de natuur de taak om alle energieën te regelen, voor zover deze nog niet definitief bepaald zijn. Uit dit ontologisch en psychisch gegeven volgt, dat het in strijd zou zijn met de werkelijkheid, als men in theorie of in praktijk die determinerende taak voor het geheel zou willen toekennen aan een particuliere factor, bijv. aan een van die elementaire psychische dynamismen, en zo het bestuur zou willen toevertrouwen aan een secundaire kracht. Deze dynamismen kunnen zijn in de ziel, in de mens, maar ze zijn niet de ziel, noch de mens. Het zijn energieën wellicht van een grote intensiteit, maar de natuur heeft de leiding er van toevertrouwd aan de centrale post, nl. aan de geestelijke ziel, die, begiftigd met verstand en wil, over het algemeen in staat is, die krachten te beheersen. Dat die dynamismen een handeling beïnvloeden, betekent nog niet noodzakelijk, dat zij daartoe dwingen. Men zou een ontologische en psychische werkelijkheid ontkennen, als men aan de ziel haar centrale plaats zou betwisten.

3. De autonomie van de ziel moet ook in de praktijk aanvaard worden
Het is dus niet mogelijk om bij de studie van de verhouding tussen het ik en de dynamismen, waaruit het bestaat, zonder voorbehoud de autonomie van de mens, die van zijn ziel, in theorie te aanvaarden, maar er aanstonds aan toe te voegen, dat dit theoretisch princiep in de praktijk van het leven meestal buiten werking gesteld schijnt of minstens tot een minimum beperkt. In de werkelijkheid van het leven, zo zegt men, behoudt de mens altijd de vrijheid om zijn innerlijke toestemming te geven tot een handeling, maar niet om ze uit te voeren. In plaats van de autonomie van de vrije wil stelt men dan de tyrannie van het instinctief dynamisme. Neen, zo heeft de Schepper de mens niet gemaakt. De erfzonde ontneemt hem evenmin de mogelijkheid als de verplichting om zichzelf door de ziel te besturen. Men mag niet beweren, dat de psychische storingen en de ziekten, die de normale werking van het zieleleven verhinderen, de gewone toestand zijn. De zedelijke strijd om op de goede weg te blijven bewijst nog niet de onmogelijkheid om deze te volgen en geeft niet het recht er van af te wijken.

II. De mens als structurele eenheid
1. Verband tussen psychologie en metaphysiek

De mens is een geordende eenheid en een geordend geheel, een microcosmos, een soort staat, waarvan de grondwet, bepaald door het doel van het geheel, de activiteit van de delen ondergeschikt maakt aan dit doel volgens de werkelijke orde van hun waarde en hun functie. Deze grondwet heeft in laatste instantie een ontologische en metaphysieke en geen psychologische en persoonlijke oorsprong. Men heeft gemeend, de tegenstelling tussen metaphysiek en psychologie te moeten benadrukken; maar ten onrechte. Het psychische zelf behoort tot het domein van het ontologische en metaphysieke,

2. De traditionele psychologie en ethica zijn niet in strijd met de moderne psychotherapie en psychologie
Wij hebben u aan deze waarheid herinnerd om daaraan een opmerking te verbinden omtrent de concrete mens, wiens innerlijke samenstelling wij hier onderzoeken. Men heeft inderdaad een tegenstrijdigheid willen zien tussen de traditionele psychologie en ethica enerzijds en de moderne psychotherapie en klinische psychologie anderzijds. De traditionele psychologie en ethica hebben, zo zegt men, het abstracte wezen van de mens tot voorwerp, de homo ut sic (de mens als zodanig), die zeker nergens bestaat. De klaarheid en de logische structuur van deze wetenschappen verdienen bewondering, maar ze vertonen een fundamentele fout, ze zijn nl. niet toepasselijk op de werkelijke mens, gelijk die bestaat. De klinische psychologie daarentegen gaat uit van de werkelijke mens, de homo ut hic (deze bepaalde mens). En men besluit, dat er tussen die twee opvattingen een onoverbrugbare afgrond bestaat, zolang de traditionele psychologie en ethica hun standpunt niet wijzigen.

3. De existentiële en de essentiële mens zijn één
Wie de constitutie van de werkelijke mens bestudeert, moet inderdaad tot voorwerp nemen de “existentiële” mens, zoals hij bestaat, gelijk hij is door zijn natuurlijke aanleg, de invloed van het milieu, de opvoeding, zijn persoonlijke ontwikkeling, zijn innerlijke ervaringen en de uiterlijke gebeurtenissen. Alleen deze concrete mens bestaat. En toch is de structuur van dit persoonlijk ik tot in de kleinste details onderworpen aan die ontologische en metaphysieke wetten van de menselijke natuur, waarover wij zojuist spraken. Deze wetten hebben die structuur gevormd; zij moeten haar dus leiden, en volgens deze wetten moet men haar beoordelen. De reden daarvan is, dat de “existentiële” mens naar zijn structuur één is met de “essentiële”mens. De essentiële structuur van de mens verdwijnt niet door de individuele kenmerken, die er bijkomen; zij wordt daardoor ook niet omgevormd tot een andere menselijke natuur. Maar juist de grondwet, waarover het zo straks ging, berust in haar principiële uitspraken op de essentiële structuur van de concrete, reële mens.

4. Beoordeling van de personalistische ethica
Bijgevolg zou het verkeerd zijn, voor het werkelijke leven normen op te stellen, die in strijd zijn met die natuurlijke en christelijke zedenleer en die men graag “personalistische ethica” noemt. Deze personalistische moraal zou van de algemene zedenleer wel een zekere oriëntatie krijgen, maar daarom nog geen strikte verplichting behelzen. Neen, de structurele wet van de concrete mens moet men niet maken, maar toepassen.


III. De mens als sociale eenheid
A. Belang van de studie van het sociale psychisme

Wat wij tot hiertoe zeiden, betreft de mens in zijn persoonlijk leven. Het psychische omvat ook zijn betrekkingen met de wereld buiten hem. En het is een lofwaardige taak en een weids arbeidsveld voor uw onderzoekingen om het sociale psychisme te bestuderen zowel in zich als in zijn oorsprong en om het bruikbaar te maken voor de klinische psychologie en psychotherapie. Men moet hierbij scherp onderscheid maken tussen de feiten zelf en de verklaring er van.

B. Fouten in de toepassing van het sociale psychisme
Het sociale psychisme houdt ook verband met de zedelijlheid; en de conclusies van de moraal vallen grotendeels samen met die van een ernstige psychologie en psychotherapie, maar er zijn enkele punten, waarop in de toepassing van het sociaal psychisme fouten gemaakt worden door een te veel of door een te weinig, en daarbij willen wij even stilstaan.

1. Fout door een te weinig
a. Verkeerde beoordeling van de psychische remming
Er bestaat een ziekelijke toestand van psychologische en morele aard, de remming van het ik, waarvan uw wetenschap de oorzaken zoekt te ontdekken. Als deze remming het terrein van de moraal betreedt, bijv. als er sprake is van dynamismen zoals heerserdrang, geldingsdrang en sexuele drang, dan mag de psychotherapie deze remming van het ik niet zonder meer behandelen als een soort noodlot, als een tyrannie van het gevoel, die uit het onderbewustzijn voorkomt en eenvoudig buiten controle valt van het geweten en van de ziel. Men mag niet te gauw de concrete mens met zijn persoonlijk karakter verlagen tot de rang van het redeloze dier. Ondanks de goede bedoelingen van de therapeut zullen fijngevoelige mensen deze verlaging tot het niveau van het instinctief en sensitief leven pijnlijk gevoelen. Evenmin mag men onze voorafgaande opmerkingen over de waardeorde van de functies en over de rol van hun centrale leiding verwaarlozen.

b. De methode van de volledige sexuele voorlichting
Een enkel woord nog over de methode, die soms door de psycholoog wordt aangewend om het ik uit zijn remming te verlossen in geval van sexuele afwijkingen. Wij denken hier aan de volledige sexuele voorlichting, die niets wil verzwijgen en die niets verborgen wil houden. Is dat geen noodlottige overschatting van het weten? Er bestaat ook een doeltreffende sexuele opvoeding, die zeer veilig, kalm en objectief de jonge mens datgene bijbrengt, wat hij moet weten voor zijn persoonlijk gedrag en voor de omgang met zijn omgeving. Overigens moet men bij de sexuele opvoeding, gelijk trouwens bij de gehele opvoeding, vooral de nadruk leggen op de zelfbeheersing en de religieuze vorming. De H. Stoel heeft hieromtrent kort na de encycliek van Pius XI over het christelijk huwelijk (Casti Connubii van 31 december 1930, A.A.S. 22 (1930), 539-592) richtlijnen gepubliceerd, (2) Deze richtlijnen zijn niet teruggetrokken noch uitdrukkelijk noch “via facti” (feitelijk).

c. Bepaalde vormen van psychoanalyse
Wat hier gezegd is over de onverstandige voorlichting met therapeutisch doel, geldt ook van sommige vormen van psychoanalyse. Men mag ze niet beschouwen als het enige middel om psychische storingen van sexuele aard te verminderen of te genezen. Het als maar herhaalde princiep, dat onbewuste sexuele storingen, gelijk alle andere remmingen van soortgelijke aard, slechts kunnen worden weggenomen door ze bewust te maken, gaat niet op, als men het zonder onderscheid generaliseert. De indirecte behandeling heeft ook haar uitwerking en is dikwijls ruim voldoende. Wat betreft het gebruik van de psychoanalytische methode op sexueel gebied, hebben wij in onze toespraak van 13 September, die wij hierboven aanhaalden (zie noot 1), de morele grenzen er van reeds aangegeven. Men mag het inderdaad niet zonder meer voor geoorloofd houden, alle sexuele voorstellingen, gevoelens en ervaringen, die in het geheugen en het onbewuste sluimerden; tot het bewustzijn te brengen en ze zo psychisch tegenwoordig te stellen. Luistert men naar het protest van de menselijke en christelijke waardigheid, wie zou dan durven beweren, dat deze methode geen enkel zedelijk gevaar insluit hetzij onmiddellijk, hetzij voor de toekomst, terwijl toch, ook al beweert men, dat een onbeperkt onthullen therapeutisch noodzakelijk is, deze noodzakelijkheid tot nu toe niet is bewezen ?

2. Fout door een te veel
Deze fout bestaat hierin, dat men de noodzakelijkheid benadrukt van een totaal opgeven van het ik en van het zich persoonlijk doen gelden. In verband hiermede willen wij twee punten naar voren brengen: een algemeen princiep en een punt van psychotherapeutische practijk.

a. De leer van de onvoorwaardelijke extraversie van het ik
Sommige psychologische verklaringen leiden tot de thesis, dat de onvoorwaardelijke extraversie van het ik de fundamentele wet uitmaakt van het aangeboren altruïsme en van zijn dynamismen. Dit is een logische, psychologische en ethische dwaling. Er bestaan een verdediging, een hoogachting, een liefde, een zorg voor zichzelf, die niet alleen gerechtvaardigd zijn, maar door de psychologie en de moraal worden vereist. Dit is een natuurlijke waarheid en een leer van het christelijk geloof, (3) De Heer heeft geleerd: “Gij zult uw evenmens beminnen gelijk u zelf.” (4) Christus stelt dus als norm voor de naastenliefde de liefde voor zichzelf en niet omgekeerd, De toegepaste psychologie zou deze werkelijkheid miskennen, als zij ieder rekening houden met het eigen ik zou noemen psychische remming, dwaling en terugkeer tot een vroeger ontwikkelingsstadium onder voorwendsel, dat het in strijd is met het natuurlijk altruïsme van de psyche.

b. Gevaar voor de geheimhouding
Het punt van psychotherapeutische praktijk, dat wij noemden, betreft een essentieel belang voor de maatschappij, nl. het bewaren van het geheim, dat door de toepassing van de psychoanalyse in gevaar komt. Het is volstrekt niet uitgesloten, dat een geheim feit of een geheime kennis, die verdrongen werden in het onderbewustzijn, ernstige psychische conflicten veroorzaken. Als nu de psychoanalyse de oorzaak van deze storing ontdekt, Zou zij volgens haar beginsel dit onbewuste volledig willen oproepen om het bewust te maken en de moeilijkheid weg te nemen. Maar er zijn geheimen, die men absoluut moet verzwijgen zelfs voor de geneesheer en zelfs ook ten koste van ernstige persoonlijke bezwaren. Het biechtgeheim mag nooit geschonden worden. Evenmin mag men een ambtsgeheim bekend maken aan een ander, ook niet aan een geneesheer. Ditzelfde geldt voor andere geheimen. Men beroept zich op het princiep: “Ex causa proportionate gravi licet uni viro prudenti et secreti tenaci secretum manifestare: om een naar verhouding ernstige reden mag men aan een wijs man, die weet te zwijgen, een geheim openbaren.” Dit princiep is juist binnen beperkte grenzen voor sommige soorten van geheimen. Het gaat niet aan om het zonder onderscheid toe te passen bij de psychoanalytische practijk. Met het oog op de zedelijkheid en vóór alles 01) het algemeen welzijn kan men de regel van geheim houding niet genoeg benadrukken bij het gebruik van de psychoanalyse. Het gaat hier natuurlijk niet op de eerste plaats over de geheimhouding van de psychoanalist. maar van de patiënt. die vaak geen enkel recht heeft om over zijn geheimen te beschikken.

IV. De mens als transcendente eenheid op God gericht
Dit laatste aspect van de mens geeft aanleiding tot drie kwesties, die wij niet onbesproken willen laten.

A. De drang naar het goddelijke
1. De wetenschap wijst op dit gegeven

Vooreerst vraagt het wetenschappelijk onderzoek onze aandacht voor een dynamisme, dat wortelt in de diepte van de psyche en dat de mens drijft naar het oneindige, dat boven hem uitgaat, niet door hem de kennis er van te verschaffen, maar door een aantrekkingskracht naar boven, die onmiddellijk uit zijn wezen voortkomt. Men ziet in dit dynamisme een onafhankelijke kracht van de ziel, en wel de meest fundamentele en elementaire, een gevoelsélan, dat onmiddellijk op het goddelijke is gericht, gelijk de bloem zich vanzelf opent voor het licht en de zon, of gelijk een kind aanstonds bij zijn geboorte onbewust ademt.

2. De ware oorsprong van de godsdienst
Deze bewering maakt aanstonds een bemerking noodzakelijk. Als men zegt, dat dit dynamisme ten oorsprong ligt aan alle godsdiensten, dat zich hierin het gemeenschappelijk element van alle godsdiensten openbaart, dan weten we toch ook, dat de godsdiensten, de natuurlijke en bovennatuurlijke kennis en de verering van God niet voortkomen uit het onbewuste of het onderbewustzijn of uit een gevoelsdrang, maar uit de duidelijke en zekere kennis van God door middel van Zijn natuurlijke en positieve openbaring. Dit is de leer en het geloof van de Kerk vanaf het woord van God in het Boek der Wijsheid en de brief aan de Romeinen tot aan de encycliek Pascendi dominici gregis van onze voorganger de zalige Pius X. (Pii X Pontif. Max. Acta, IV, Roma 1914, 47-114.)

3. Mogelijkheid van de studie van godsdienstig-psychische verschijnselen
Dit vooropgesteld, blijft nog de vraag omtrent dit geheimzinnig dynamisme. Men zou hierover het volgende kunnen zeggen. Men mag zeker de dieptepsychologie niet veroordelen, als zij zich bezig houdt met de verschijnselen van godsdienstig-psychische aard, deze tracht te analyseren en tot een wetenschappelijk systeem uit te bouwen, zelfs al is deze studie nieuw en al ontmoet men de terminologie er van niet in het verleden. Op dit laatste punt wijzen wij, omdat er gemakkelijk misverstand kan ontstaan, als de psychologie een nieuwe betekenis geeft aan gebruikelijke uitdrukkingen. Van beide zijden is er voorzichtigheid en reserve nodig om verkeerde uitleg te voorkomen en om een wederzijds begrijpen mogelijk te maken.

4. Mogelijke resultaten van deze studie
Het behoort tot de methoden van uw wetenschap, de vraagstukken te belichten omtrent het bestaan, de structuur en de werkwijze van dit dynamisme. Als de uitslag positief zou blijken, dan zou men deze niet onverenigbaar mogen verklaren met de rede of het geloof. Het zou alleen bewijzen, dat het “esse ab alio: zijn door een ander” ook tot in zijn diepste wortels is een “esse ad alium: zijn tot een ander”, en het woord van St. Augustinus: “Fecisti nos ad te, et inquietum est cor nostrum, donec requiescat in te: Gij hebt ons voor U gemaakt; en ons hart is onrustig, tot het rust in U”, (5) een nieuwe bevestiging vindt zelfs in de diepste grond van het psychische. Zou er zelfs sprake zijn van een dynamisme, dat behoort tot alle mensen, alle volken, alle tijden en alle culturen, dan zou hierin een kostbare hulp liggen voor het zoeken van God en voor het bewijs van Zijn bestaan.

B. Het schuldgevoel
Tot de transcendente betrekkingen van de psyche behoort ook het schuldgevoel, het bewustzijn, dat men een hogere wet heeft geschonden, waarvan men toch de verplichting kende. Dit bewustzijn kan worden tot een kwelling en zelfs tot een psychische storing.

1. Het schuldbewustzijn is niet louter van psychologische aard
Hier komt de psychotherapie in aanraking met een verschijnsel, dat niet tot haar uitsluitende competentie behoort, want het is ook, zo niet op de eerste plaats, van godsdienstige aard. Niemand zal ontkennen, dat er een onredelijk, ja ziekelijk schuldgevoel kan bestaan en ook niet zelden voorkomt. Maar men kan zich ook evengoed bewust zijn van een werkelijke fout, die nog niet vergeven is. Noch de psychologie noch de ethica bezitten een onfeilbaar criterium voor speciale gevallen, want het gewetensproces, dat het schuldbewustzijn voortbrengt, heeft een te persoonlijke en te subtiele structuur. Doch in ieder geval is dit zeker, dat een werkelijk schuldbewustzijn door geen enkele zuiver psychologische behandeling kan worden genezen. Zelfs als de psychotherapeut het ontkent, te goeder trouw misschien, het blijft toch. Laat het schuldgevoel weggenomen worden door medisch ingrijpen, door autosuggestie of door overreding van een ander, toch blijft de schuld; en de psychotherapie zou zichzelf en anderen misleiden, als zij om het schuldgevoel uit te wissen zou beweren, dat de schuld niet meer bestaat.

2. Het ware middel om de schuld weg te nemen
Het middel om de schuld weg te nemen is niet iets louter psychologisch, maar bestaat, gelijk ieder christen weet, in het berouw en in de sacramentele absolutie van de priester. Daardoor wordt de oorzaak van de kwaal, de schuld zelf opgeheven, ook al zou de wroeging misschien blijven doorwerken. Tegenwoordig stuurt de priester niet zelden in bepaalde pathologische gevallen zijn penitent naar de dokter; in het geval, dat wij op het oog hebben, moest de dokter veeleer zijn patiënt verwijzen naar God en naar degenen, die de macht hebben om in naam van God de schuld zelf te vergeven.

C. De materiele zonde
1. De materiële zonde is niet indifferent

Een laatste opmerking nog omtrent de transcendente gerichtheid van de psyche naar God. De eerbied voor God en voor zijn heiligheid moet altijd uitkomen in de bewuste handelingen van de mens. Als die handelingen van het goddelijk model afwijken, zelfs zonder subjectieve schuld van de betrokkene, zijn ze toch in strijd met zijn hoogste bestemming. Dit is de reden, waarom de zg. “materiële zonde” iets is, dat er niet mag zijn, en dus in de zedelijke orde een realiteit vormt, die niet indifferent is.

2. De houding van de psychotherapie
Hieruit volgt voor de psychotherapie deze conclusie, dat zij tegenover de materiële zonde niet neutraal mag blijven. Zij mag dulden, wat voor het ogenblik onvermijdelijk is, maar zij moet weten, dat God die daad niet kan goedkeuren. Nog veel minder mag de psychotherapie aan een zieke de raad geven om rustig een materiële zonde te bedrijven, omdat hij haar zal doen zonder subjectieve schuld; die raad zou ook verkeerd zijn, als zulk een handeling noodzakelijk zou schijnen voor de psychische verlichting van de zieke en dus voor het doel van de behandeling. Men mag nooit een bewuste handeling aanraden, die een misvorming zou zijn van de goddelijke volmaaktheid en niet een beeld van deze volmaaktheid.

Slot en zegen
Dit meenden wij u te moeten voorhouden. Overigens kunt gij er van verzekerd zijn, dat de Kerk met warme sympathie en met de beste wensen uw onderzoekingen en uw medische praktijk volgt. Gij werkt op een zeer moeilijk terrein. Maar uw arbeid kan ook wijzen op kostbare resultaten voor de geneeskunde, voor de kennis van de ziel in het algemeen, voor de religieuze gesteltenissen van de mens en voor de ontwikkeling er van. Moge de Voorzienigheid en de goddelijke genade uw weg verlichten. Als onderpand hiervan geven wij u met vaderlijke liefde onze apostolische zegen.

Noten
1. Toespraak Ce premier congrès van 13 september 1952, A.A.S. 44 (1952) 779-789
2. Decreet van het H. Officie de educatione sexuali et de eugenetica van 21 maart 1931, A.A.S. 23 (1931) 118-119.
3. Verg. St. Thomas, Summa Theologica, 2-2 q.26, a, 4.
4. Marc. 12,31.
5. Confess., l. 1, c, 1, n, 1 (ML 32, 661)

Vertaling uit het Frans van dr. Chr. Oomen C.ss.R., uitgave Ecclesia Docens, 1955, Gooi & Sticht Hilversum


Over onderzoek en nieuwe mogelijkheden in de geneeskunde

Ce premier congres

Tot de deelnemers aan het eerste internationaal congres voor histopathologie van het zenuwstelsel

Paus Pius XII
13 september 1952

Inleiding
1. Het belang van het congres

Dit eerste internationaal congres voor histopathologie van het zenuwstelsel is er in geslaagd een zeer breed terrein te bestrijken. Door een overzicht en een diepgaand betoog moest men de oorzaken en de eerste sporen van de ziekten van het zenuwstelsel in stricte zin en van de zg. psychische ziekten in een juist perspectief plaatsen. Ook heeft men een rapport aangeboden en een uitwisseling van gedachten gehouden over de wetenschap en de nieuwste ontdekkingen omtrent de aandoeningen van de hersenen en van andere organen, aandoeningen, die de oorsprong en de oorzaak vormen van zenuwziekten, zoals psychopathieën. Het ging hier inderdaad over ontdekkingen, die men ten dele door geheel nieuwe middelen en door nieuwe methoden had verkregen. Het aantal en de herkomst van de deelnemers en vooral van de rapporteurs bewijst, dat de geleerden van de meest verschillende landen en volkeren hun ondervindingen hebben uitgewisseld tot wederzijdse verrijking en in het belang van de wetenschap van de individuele zieke en van de gemeenschap.

2. De paus wil wijzen op de grenzen, die door de zedelijke rechten en plichten worden opgelegd aan de medische wetenschap
Gij zult van ons geen behandeling verwachten van de medische vraagstukken, waarmee gij u bezig houdt. Dat is uw terrein. Gij hebt in deze dagen een algeheel overzicht gekregen van het uitgestrekt terrein van uw onderzoekingen en uw werkzaamheden. Wij willen nu – om tegemoet te komen aan het verlangen, dat gij zelf geuit hebt – uw aandacht vestigen op de grenzen van dit terrein, niet op de grenzen van de medische mogelijkheden, van de theoretische en praktische medische kennis, maar op de grenzen van de zedelijke rechten en plichten. Wij zouden de tolk willen zijn van het zedelijk geweten van de onderzoeker, van de geleerde en van de praktizerende arts, van het zedelijk geweten zowel van de mens als van de christen, die allen trouwens hier dezelfde weg volgen.

3. De paus gaat de wezenlijke principes aangeven
In uw rapporten en discussies hebt gij vele nieuwe wegen in het kort besproken, maar er blijven nog veel vraagstukken onopgelost. Uw onderzoekende geest met zijn vastbesloten stoutmoedigheid spoort u aan om de zo pas ontdekte wegen verder op te gaan en door te trekken, om nog andere te zoeken en om de methoden te verbeteren. De ernstige en bekwame geneesheer zal vaak met een soort spontane intuïtie de zedelijke geoorloofdheid zien van de behandeling, die hij van plan is te doen en hij zal daarbij volgens zijn geweten handelen. Maar er kunnen zich ook gevallen voordoen van behandeling, waarbij hij niet die zekerheid heeft, waarbij hij misschien het tegenovergestelde met zekerheid ziet of meent te zien, waarbij hij twijfelt en weifelt tussen het ja en het neen. De arts als mens stelt zich niet tevreden om van medisch standpunt na te gaan, wat hij kan beproeven en waarin hij kan slagen, hij wil ook zekerheid hebben inzake de morele mogelijkheden en verplichtingen. In enkele trekken willen wij de wezenlijke princiepen uiteenzetten, die een antwoord op deze vraag mogelijk maken. De toepassing op de bijzondere gevallen moet gij als artsen zelf maken, omdat alleen de arts dikwijls ten volle doordringt in het medisch gegeven in zichzelf en in zijn gevolgen, en omdat zonder een juiste kennis van het medische feit het onmogelijk is te bepalen, welk zedelijk princiep op de behandeling in kwestie van toepassing is. De medicus ziet de medische kant van het geval, de moralist de zedelijke normen er van. Gewoonlijk zullen deze gegevens, door elkander nader te verklaren en elkander nader aan te vullen, een veilig oordeel over de zedelijke geoorloofdheid van het geval in zijn concrete situatie mogelijk maken.

4. Men beroept zich bij de toepassing van nieuwe methoden op drie beginselen
Om nieuwe medische procédé’s, nieuwe medische proeven en methoden van onderzoek en behandeling zedelijk te rechtvaardigen, beroept men zich vooral op drie beginselen:
1) het belang van de medische wetenschap,
2) het persoonlijke belang van de te behandelen patiënt,
3) het belang van de gemeenschap, het “bonum commune” (algemeen welzijn).

5. Wat hiervan te denken?
Wij stellen de vraag: hebben deze drie belangen – elk op zichzelf, of tenminste alle drie tezamen beschouwd – een absolute waarde om de medische behandeling te motiveren en te rechtvaardigen? Zijn zij slechts van kracht binnen bepaalde grenzen? Welke zijn in het laatste geval die grenzen? Wij zullen trachten hierop een kort antwoord te geven.

1. Het belang van de wetenschap als rechtvaardiging van het onderzoek en van het gebruik van nieuwe methoden
1.1. De waarde van de medische kennis op zich

De wetenschappelijke kennis heeft haar eigen waarde op het gebied van de medische wetenschap – niet minder dan op andere wetenschappelijke gebieden, zoals bijv. de physica, de chemie, de cosmologie, de psychologie – een waarde, die men zeker niet mag verkleinen en die zich geheel onafhankelijk van het nut en het nuttig gebruik van de verkregen kennis opdringt. Ook leveren de kennis als zodanig en de volledige kennis van de gehele waarheid geen enkel zedelijk bezwaar op. Krachtens datzelfde beginsel zijn het zoeken naar en het verkrijgen van de waarheid met het oog op nieuwe kennis en op nieuw begrip, waardoor men breder en dieper in die waarheid doordringt, op zichzelf in overeenstemming met de zedelijke orde.

1.2. Een methode, die deze kennis vergroot, is daarom nog niet per se geoorloofd
Maar dat betekent niet, dat elke methode, of zelfs een enkele bepaalde methode van wetenschappelijk en technisch onderzoek volledig morele garantie biedt of nog sterker, dat elke methode geoorloofd wordt alleen door het feit dat zij onze kennis vergroot en verdiept. Het komt soms voor, dat een methode niet in de praktijk kan worden toegepast, zonder dat daar. door het recht van anderen wordt benadeeld, of zonder dat een zedelijk voorschrift van absolute waarde wordt geschonden. In zo’n geval is de methode, ofschoon men de vermeerdering van kennis op het oog heeft en daar terecht naar streeft, moreel niet toelaatbaar. Waarom dan? Omdat de wetenschap niet de hoogste waarde is waaraan alle andere orden van waarden – of in dezelfde orde van waarden alle bijzondere waarden – ondergeschikt zouden zijn. In de wetenschap zelf dus, evenals bij het zoeken en verkrijgen ervan moet men de rangorde van waarden handhaven. Hier zijn duidelijk omschreven grenzen, die zelfs de medische wetenschap niet zonder schending van hogere regels van de zedelijke orde kan overschrijden. De vertrouwelijke betrekkingen tussen arts en patiënt, het persoonlijk recht van de patiënt op het physieke en geestelijke leven in zijn psychische en morele onschendbaarheid, dat zijn o.a. waarden, die hoger staan dan het belang van de wetenschap. Wat wij hier vastgesteld hebben, zal hierna nog duidelijker worden.

1.3. De paus verwerpt een valse stelling
Ofschoon het “belang van de wetenschap” als een authentieke waarde moet worden erkend, die de mens volgens de zedenwet gerust mag bewaren, vermeerderen en verdiepen, mag men toch niet het volgende beweren: “Gesteld dat het duidelijk is, dat de tussenkomst van de arts bepaald wordt door een wetenschappelijk belang en dat hij de voorschriften van zijn beroep nakomt, dan zijn er geen grenzen voor de methode tot vermeerdering, en verdieping van de medische wetenschap.” Zelfs op deze voorwaarde mag men dit beginsel nog niet zonder meer toegeven.


2. Het belang van de patiënt als rechtvaardiging van nieuwe medische methoden van onderzoek en behandeling
2.1. De overwegingen waarvan sommigen uitgaan

De fundamentele beschouwingen, waarvan men uitgaat, kan men hier als volgt formuleren: “De medische behandeling van de zieke eist een bepaalde maatregel. Door dit feit zelf is de morele geoorloofdheid ervan bewezen.” Ofwel: “Zulk een nieuwe methode, tot nu toe helemaal niet of weinig toegepast, zal mogelijk, waarschijnlijk of zeker resultaten opleveren. Daarom worden alle ethische beschouwingen omtrent de geoorloofdheid van deze methode uitgeschakeld en moeten zij als niet toepasselijk worden beschouwd.”

2.2. Is het belang van de patiënt een absolute norm?
Men ziet duidelijk, dat hier waar en vals dooreen gemengd zijn. Het “belang van de patiënt” geeft in vele gevallen aan het optreden van de arts zijn morele rechtvaardiging. Het vraagstuk heeft bovendien hier betrekking op de absolute waarde van dit beginsel; bewijst het op zichzelf, brengt het de bedoelde interventie van de geneeskunde in overeenstemming met de zedelijke orde?

2.3. De rechten van de arts worden bepaald door die van de patiënt
Allereerst moet men vooropstellen, dat de arts als privaat persoon geen enkele maatregel mag nemen, op geen enkele wijze mag ingrijpen zonder toestemming van de patiënt. De arts heeft over de patiënt slechts de macht en de rechten, die deze hem uitdrukkelijk of impliciet en stilzwijgend verleent. De patiënt van zijn kant kan niet meer rechten geven dan hij bezit. Het beslissende punt in dit debat is de morele geoorloofdheid van het recht van de patiënt om over zichzelf te beschikken. Hier ligt de morele grens van de behandeling van de arts, die met toestemming van de patiënt handelt.

2.4. De patiënt heeft geen onbeperkte rechten over zichzelf
Wat de patiënt betreft, hij is niet absoluut meester over zichzelf, over zijn lichaam en over zijn geest. Hij kan dus niet vrij naar eigen goeddunken over zichzelf beschikken. Het motief alleen, waarom hij handelt, is op zichzelf niet voldoende en ook niet beslissend. De patiënt is gebonden aan de innerlijke doelmatigheid, die de natuur zelf heeft vastgesteld. Hij bezit het recht van het gebruik – beperkt door de natuurlijke doelstelling – van de vermogens en van de krachten van zijn menselijke natuur. Wijl hij vruchtgebruiker is en niet eigenaar, heeft hij geen onbeperkte macht, handelingen van vernietiging of mutilatie, van anatomische of functionele aard te stellen. Maar krachtens het beginsel van de totaliteit, krachtens zijn recht om de diensten van het organisme als één geheel te gebruiken, kan hij beschikken over afzonderlijke delen, om deze te vernietigen of te verminken als dit en in de mate waarin dit noodzakelijk is voor het welzijn patiënt van het wezen in zijn geheel, om zijn bestaan te verzekeren of om grote en blijvende nadelen te vermijden en natuurlijk om die nadelen te herstellen, die op geen andere wijze weggenomen of hersteld kunnen worden. De patiënt heeft dus niet het recht zijn physieke en psychische integriteit aan medische experimenten of onderzoekingen te onderwerpen, als deze behandelingen vernietiging, mutilatie, verwonding of ernstig gevaar met zich brengen of die tot gevolg hebben.

2.5. Bij het beschikken over zichzelf moet de patiënt de hiërarchie van waarden in acht nemen
Bij de uitoefening van zijn recht om over zichzelf, zijn vermogens en zijn organen te beschikken, moet het individu bovendien de hiërarchie van orden en waarden in acht nemen en binnen eenzelfde orde van waarden de hiërarchie van de bijzondere waarden, voor zover de regels van de moraal dit vorderen. Zo bijv. mag de mens niet op zichzelf toepassen of laten toepassen medische behandelingen, physieke of somatische, die zonder twijfel ernstige gebreken, of physieke of psychische ziekten wegnemen, maar die tevens met zich meebrengen een blijvende opheffing of een belangrijke en duurzame vermindering van de vrijheid, d.w.z. van de menselijke persoonlijkheid in haar typische en karakteristieke functie. Zo verlaagt men de mens tot het niveau van een zuiver voor ontvangen reflexen sensitief wezen of tot een levende automaat. Zulk een omverwerping van waarden duldt de zedenwet niet; zij bepaalt ook hier de beperkingen en de grenzen van “het medische belang van de patiënt”.

2.6. Verwerping in dit verband van de pansexuele methode
Een ander voorbeeld: om bevrijd te worden van remmingen, verdringingen en psychische complexen staat het de mens niet vrij voor therapeutische doeleinden alle en ieder van zijn lusten in de sexuele sfeer bij zich op te wekken, die woelen of gewoeld hebben in zijn wezen en die golven van onzuivere gevoelens in zijn onbewustzijn of onderbewustzijn veroorzaken. Hij mag zich hiermee niet door volledig bewuste voorstellingen en begeerten bezighouden met al de schokken en reacties, die zulk een handeling meebrengt. Voor de mens en de christen bestaat er een wet van persoonlijke gaafheid en zuiverheid, van persoonlijk zelfrespect, een wet die verbiedt zich zo volledig in de wereld van sexuele voorstellingen en begeerten onder te dompelen. Het medisch en psychotherapeutisch belang van de patiënt vindt hier een morele grens. Het is niet bewezen, het is zelfs onjuist, dat de pansexuele methode van een bepaalde psycho-analytische school een onontbeerlijk integrerend deel is van iedere ernstige psychotherapie, die deze naam waardig is; het is onjuist, dat de verwaarlozing van deze methode in het verleden ernstige psychische nadelen veroorzaakt heeft en dwalingen in de leer en de toepassing van de opvoeding, in de psychotherapie en niet minder ook in de pastoraal; het is onjuist, dat het urgent is, deze lacune aan te vullen en allen, die zich met psychische kwesties bezig houden, in te wijden in de leidende ideeën, en zelfs, als het moet, in het praktisch gebruik van, deze techniek van de sexualiteit.

Wij spreken hierover, omdat heden ten dage deze beweringen al te dikwijls met een apodictische zekerheid worden aangediend. Het zou beter zijn, op het gebied van het instinctieve leven meer aandacht te schenken aan de indirecte behandeling en aan de actie van het bewuste psychisme op het geheel van de verbeeldings- en gevoelsactiviteit. Deze techniek vermijdt de genoemde afdwalingen; zij wil verlichten, genezen en leiden; zij beïnvloedt ook de dynamiek van de sexualiteit, waarover men zoveel spreekt en die zich moet bevinden of zelfs werkelijk bevindt in het onbewuste of onderbewuste.

2.7. De arts heeft slechts die rechten, die de patiënt hem geeft en geven kan
Tot hier toe spraken wij rechtstreeks over de patiënt, niet over de medicus, en wij hebben uitgelegd, waar het persoonlijk recht van de patiënt om over zichzelf, over zijn geest, over zijn lichaam, over zijn vermogens, organen en functies te beschikken, een morele grens vindt. Maar tevens hebben wij de vraag beantwoord, waar voor de medicus de morele grens ligt bij zijn onderzoekingen en bij het gebruik maken van nieuwe methoden en nieuwe procédé’s in “het belang van de patiënt”. Deze grens is dezelfde als voor de patiënt; zij wordt bepaald door het oordeel van het gezond verstand; zij wordt getrokken door de eisen van de natuurlijke zedenwet; zij vloeit voort uit de natuurlijke doelleer, die in de wezens is neergelegd en uit de rangorde van waarden, uitgedrukt in de natuur der dingen. Die grens is dezelfde voor de arts als voor de patiënt, omdat, gelijk wij reeds zeiden, de arts als privépersoon slechts over de rechten beschikt, die de patiënt hem geeft en de patiënt niet meer kan geven dan hij zelf bezit.

Wat wij hier zeggen, geldt ook voor de wettelijke vertegenwoordiger van iemand, die niet in staat is, zelf over zijn aangelegenheden te beschikken, nl. kinderen die nog niet tot de jaren van verstand gekomen zijn, zwakzinnigen en krankzinnigen. Deze wettelijke vertegenwoordigers, aangesteld door een particuliere beslissing of door het openbaar gezag, hebben over het lichaam en het leven van hun onderhorigen geen ander recht dan deze zelf zouden bezitten, als zij er toe in staat waren, en dat precies in dezelfde mate. Zij kunnen dus de arts geen verlof geven, buiten deze grenzen er over te beschikken.


3. Het belang van de gemeenschap als rechtvaardiging van nieuwe medische methoden van onderzoek en behandeling
3.1. Is het belang van de gemeenschap dan in zich een absolute norm?

Men beroept zich op een derde belang, om het recht van de medische wetenschap om nieuwe proeven en ingrepen, nieuwe methoden en procédé’s moreel te rechtvaardigen, het belang nl. van de gemeenschap, van de menselijke maatschappij”; het “bonum commune” (het algemeen welzijn), gelijk de philosophen en sociologen het uitdrukken.

Er is geen twijfel aan, dat zulk een algemeen welzijn bestaat; men kan evenmin betwisten, dat het verdere onderzoekingen nodig maakt en rechtvaardigt. De twee eerst genoemde belangen, van de wetenschap en van de patiënt, zijn nauw verbonden met het algemeen belang.

Toch komt voor de derde maal de vraag terug: wordt het “medisch belang van de gemeenschap”, wat zijn inhoud en zijn strekking betreft, niet beperkt door een zedelijke barrière? Zijn er “volledige volmachten” voor elk ernstig medisch experiment op de levende mens? Neemt het de barrières weg, die toch gelden voor het belang van de wetenschap en van het individu?

Of wel met andere woorden: kan het openbaar gezag – dat juist de zorg heeft voor het algemeen welzijn – aan de arts de macht geven, proeven te doen op het individu in het belang van de wetenschap en van de gemeenschap, om nieuwe methodes en procédé’s uit te vinden en te proberen, zelfs wanneer deze proeven het zelfbeschikkingsrecht van het individu te bovengaan; kan het openbaar gezag werkelijk in het belang van de gemeenschap het recht van het individu over zijn lichaam, zijn leven, zijn lichamelijke en psychische integriteit beperken of zelfs opheffen?

Om een opwerping te voorkomen veronderstellen wij altijd, dat het gaat over ernstige onderzoekingen, eerbare pogingen om de theoretische en praktische medische wetenschap te bevorderen, en niet over een of andere manoeuvre, die onder het mom van de wetenschap slechts dient om andere doeleinden te bedekken en straffeloos te bereiken.

3.2. Sommigen menen van wel, omdat het individu ondergeschikt is aan de gemeenschap
Wat nu de gestelde vragen aangaat hebben velen gemeend en menen heden ten dage nog, dat men er bevestigend op moet antwoorden. Om hun opvatting te bewijzen, beroepen zij zich op het feit, dat het individu ondergeschikt is aan de gemeenschap; dat het welzijn van het individu moet wijken voor het algemeen welzijn en hieraan moet worden opgeofferd Zij voegen er nog aan toe, dat het offer van het individu, gebracht voor doeleinden van wetenschappelijk onderzoek en vorsing, uiteindelijk ten goede komt aan het individu.

3.3. De verschillende consequenties van deze opvatting
De grote naoorlogse processen hebben een schrikbarende hoeveelheid documenten aan het licht gebracht, die getuigen van het offer van het individu voor “het medische belang van de gemeenschap”. Men vindt in de akten getuigenissen en rapporten die aantonen, hoe met toestemming en soms zelfs op uitdrukkelijk bevel van het openbaar gezag bepaalde onderzoekcentra systematisch eisten, dat men hun de mensen van de concentratiekampen voor hun medische experimenten uitleverde en hoe men deze uitleverde aan die centra: zoveel mannen, zoveel vrouwen, zoveel voor dit experiment, zoveel voor dat. Er bestaan rapporten over het verloop en het resultaat van de experimenten, over de objectieve en subjectieve symptomen, die men bij de betrokken personen constateerde in de verschillende fasen van het experiment. Men kan deze aantekeningen niet lezen zonder vervuld te worden van een diep medelijden met deze slachtoffers, waarvan velen de dood zijn ingegaan, en zonder bevangen te worden door verbijstering over zulk een afdwaling van de menselijke geest en het menselijk hart. Maar wij kunnen er ook aan toevoegen: zij, die verantwoordelijk waren voor deze wreedheden, hebben niets anders gedaan dan bevestigend geantwoord op de vragen, die wij hebben gesteld en niets anders dan de praktische conclusies getrokken uit deze bevestiging.

Is het belang van het individu op dit punt onder geschikt aan het algemeen medisch belang? Of overschrijdt men hier, wellicht te goeder trouw, de meest elementaire eisen van het natuurrecht, een overschrijding, die geen enkel medisch onderzoek zich mag veroorloven?

Men zou de ogen moeten sluiten voor de werkelijkheid, als men zou menen, dat er in de medische wetenschap thans niemand meer is, die de ideeën vasthoudt en verdedigt, welke aan de door ons genoemde feiten ten grondslag liggen. Men volstaat met de rapporten enige tijd te volgen over de medische proeven en experimenten, om zich te overtuigen van het tegendeel. Onwillekeurig vraagt men zich af waardoor zulk een arts gemachtigd is om zo te durven ingrijpen, en wat hem daartoe ooit zou kunnen machtigen. Met een koude zakelijkheid wordt het experiment in zijn verloop en in zijn resultaten beschreven; men tekent aan, wat uitkomt en wat niet uitkomt. Over de vraag naar de morele geoorloofdheid geen woord. En toch bestaat deze vraag, en men kan haar niet wegwerken door ze dood te zwijgen.

3.4. Deze toepassing is vals
Voor zover in de bovengenoemde gevallen de morele rechtvaardiging van het ingrijpen steunt op een bevel van het openbaar gezag en dus op de ondergeschiktheid van het individu aan de gemeenschap, van het individueel welzijn aan het maatschappelijk welzijn, berust zij op een verkeerde uitleg van het princiep. Men moet opmerken, dat de mens in zijn persoonlijk zijn uiteindelijk niet aan het nut van de gemeenschap ondergeschikt is, maar dat integendeel de gemeenschap er is voor de mens,

3.5. De gemeenschap is immers geen physieke eenheid maar een morele
De gemeenschap is het grote middel, door de natuur en door God gewild, om de wisselwerkingen te regelen, waarin de wederzijdse behoeften elkaar aanvullen, om ieder te helpen volmaakt zijn persoonlijkheid volgens zijn individuele en sociale aanleg te ontwikkelen. De gemeenschap, als een geheel beschouwd, is geen physieke eenheid, die op zichzelf bestaat, en haar individuele leden zijn er geen integrerende delen van. Het physieke organisme van de levende wezens, van de planten, van de dieren of van de mens, bezit als geheel een eenheid, die op zichzelf bestaat; elk van zijn ledematen, bijv. de hand, de voet, het hart, het oog is een integrerend deel, dat krachtens heel zijn wezen in het geheel van het organisme moet worden opgenomen: Buiten het organisme heeft het door zijn natuur zelf geen enkele zin en geen enkel doel; het wordt geheel geabsorbeerd door de totaliteit van het organisme, waarmee het verbonden wordt.
Geheel anders is het in de morele gemeenschap en in ieder organisme met een zuiver moreel karakter. Het geheel heeft hier geen eenheid, die op zichzelf bestaat, maar louter een eenheid van doel en actie. In de gemeenschap zijn de individuen slechts medewerkers en instrumenten om het doel van de gemeenschap te verwezenlijken.

3.6. De gemeenschap kan daarom niet over het physieke wezen van de mens beschikken
Wat volgt hieruit voor het physieke organisme? De meester en de vruchtgebruiker van dit organisme, dat een zelfstandige eenheid bezit, kan direct en indirect beschikken over de integrerende onderdelen, de delen en de organen, binnen het kader van hun natuurlijke doelstelling; hij kan insgelijks tussenbeide komen, telkens en in de mate als het welzijn van het geheel dit vordert, om de ledematen er van te verlammen, te vernietigen, te mutileren of af te scheiden. Maar, als daarentegen het geheel slechts een eenheid van doel en van actie heeft, bezit zijn hoofd, dit is in dit geval het openbaar gezag, zonder twijfel een directe macht en het recht, eisen te stellen aan de activiteit van de delen. Maar in geen enkel geval kan het direct over zijn physiek wezen beschikken. Iedere directe aanslag op zijn wezen houdt ook een misbruik in van de bevoegdheid van het gezag.

3.7. De gemeenschap kan dus aan de arts zulk een recht niet geven
Welnu, het medisch ingrijpen, waarover het hier gaat, raakt onmiddellijk en direct het physieke wezen, hetzij van het geheel, hetzij van de afzonderlijke organen van het menselijk organisme. Maar krachtens het aangegeven beginsel heeft het publiek gezag op dit terrein geen enkel recht. Het kan dit recht dus ook niet meedelen aan de onderzoekers en aan de artsen. Van de staat echter moet de arts de machtiging ontvangen, als hij ingrijpt in het organisme van het individu “voor het belang van de gemeenschap”. Want dan handelt hij niet als privépersoon, maar als gevolmachtigde van het openbaar gezag. Maar dit openbaar gezag kan een recht, dat het zelf niet bezit, niet overdragen, behalve in het bovengenoemde geval, wanneer het optreedt als plaatsvervanger, als rechtmatige vertegenwoordiger in de plaats van de minderjarige, zolang deze niet zelf in staat is te beslissen, ofwel van een zwakzinnige of een krankzinnige.

Zelfs wanneer het gaat over de executie van een ter dood veroordeelde, beschikt de staat niet over het recht van het individu op zijn leven. Het is dan aan het publiek gezag voorbehouden, de veroordeelde te beroven van het goed van zijn leven tot uitboeting van zijn misdaad, nadat deze zelf door zijn misdaad reeds het recht op zijn leven verbeurd heeft.

3.8. Precisering van het totaliteitsbeginsel
Wij kunnen niet nalaten nog eens de kwestie, in dit derde deel behandeld, toe te lichten in het licht van het beginsel, waarop men zich in dergelijke gevallen gewoonlijk beroept, nl. het totaliteitsbeginsel. Dit beginsel leert, dat het deel er is om wille van het geheel en dat bijgevolg het welzijn van het deel ondergeschikt blijft aan het welzijn van het geheel; dat het geheel bepalend is voor het deel en er in zijn belang over kan beschikken. Het beginsel vloeit voort uit het wezen van de begrippen en van de dingen en moet daarom absolute waarde hebben.

Eerbied voor het totaliteitsprincipe in zich! Maar om het juist te kunnen toepassen, moet men eerst enkele voorbemerkingen duidelijk maken. De fundamentele vooronderstelling is, een helder begrip geven van de quaestio facti, de kwestie van het feit: staan de dingen, waarop men het princiep toepast, in een verhouding van geheel tot deel? Een tweede vooronderstelling: het duidelijk maken van de aard, de omvang en de beperktheid van die verhouding. Raakt die verhouding het wezen, of alleen maar het doen, ofwel beide? Wordt zij gedeeltelijk, onder een bepaald aspect, of onder alle aspecten toegepast? En neemt die verhouding op het terrein, waarop zij wordt toegepast, het deel in zich volledig op, of laat zij hieraan nog een beperkte finaliteit, een beperkte onafhankelijkheid? Het antwoord op deze vragen kan nooit afgeleid worden uit het totaliteitsbeginsel zelf; dat zou gelijk staan met een vicieuze cirkel. Wij moeten het antwoord putten uit andere feiten en andere kennis. Het totaliteitsbeginsel wil alleen maar dit zeggen: daar, waar werkelijk de verhouding van geheel tot deel aanwezig is en in de mate juist, waarin die verhouding aanwezig is, daar is het deel onderworpen aan het geheel en dit laatste kan dan ten eigen voordele beschikken over het deel. Al te dikwijls helaas vergeet men teveel deze overwegingen, als men zich beroept op het totaliteitsbeginsel, niet alleen op het gebied van de theoretische studie en op het terrein van de toepassing van het recht, van de sociologie, van de physica, van de biologie en van de medische wetenschap, maar ook in de logica, de psychologie en de metaphysiek.


Slot
1. De bedoeling van de paus

Onze bedoeling was, uw aandacht te vragen voor enkele beginselen van de plichtenleer, die de grenzen en de beperkingen bepalen bij het onderzoek en bij het beproeven van nieuwe medische methoden, die onmiddellijk op de levende mens worden toegepast.

2. Proeven op de levende mens zijn per se nog niet te verwerpen
Op het terrein van uw wetenschap is het een duidelijke wet, dat de toepassing van nieuwe methoden op de levende mens moet worden voorafgegaan door proefnemingen op het lijk of het studievoorbeeld en door een experimenteren op het dier. Maar soms blijkt dit procédé onmogelijk, onvoldoende of praktisch onuitvoerbaar. Dan zal het medisch onderzoek proberen zich te oefenen op haar onmiddellijk object, de levende mens, in het belang van de wetenschap, in het belang van de patiënt, in het belang van de gemeenschap, Dit is niet zonder meer te verwerpen, maar men mag niet verder gaan dan de grenzen die door de zedelijke beginselen, die wij boven hebben uiteengezet, worden gesteld.

3. De moraal stelt echter grenzen
Zeker, men mag, voordat men op zedelijk gebied het gebruik van nieuwe methoden toestaat, niet eisen, dat elk gevaar, elk risico uitgesloten wordt. Dit gaat de menselijke krachten te boven en zou ieder ernstig wetenschappelijk onderzoek verlammen en vaak uitvallen ten nadele van de patiënt. De beoordeling van het gevaar moet men in deze gevallen overlaten aan het oordeel van het ervaren en vakkundige arts. Maar toch blijft er – onze uiteenzetting heeft dat aangetoond – een graad van gevaar over, die de moraal niet kan toestaan. In twijfelachtige gevallen, waar de al bekende middelen falen, kan het gebeuren, dat een nieuwe methode, die tot nog toe onvoldoende beproefd is, naast zeer gevaarlijke elementen ook waardevolle kansen op succes biedt. Geeft de patiënt zijn toestemming, dan is de toepassing van het procédé in kwestie toegestaan. Maar deze manier van handelen mag men niet tot gedragslijn nemen voor de normale gevallen.

4. Toch belemmert de moraal de wetenschap niet
Men zal hier misschien opwerpen, dat de boven ontwikkelde ideeën een ernstige belemmering vormen voor het wetenschappelijke onderzoekingswerk. Toch zijn de grenzen, die wij getrokken hebben, geen definitief beletsel voor de vooruitgang. Op het terrein van de medische wetenschap is het niet anders geste1d dan op de andere gebieden van menselijk zoeken, menselijk proberen en menselijk handelen; de grote eisen van de moraal dwingen de onstuimige golven van het menselijk denken en willen, gelijk het water van de bergen, in een bepaalde bedding te stromen. Zij bedwingen die vloed om zijn merkwaardigheid en zijn nut groter te maken. Zij perken hem in, opdat hij niet buiten zijn oevers treedt en geen verwoestingen aanricht, die nooit zouden kunnen opwegen tegen het kostbare goed, dat nagestreefd wordt. Schijnbaar zijn de eisen van de moraal een rem. In werkelijkheid dragen zij bij tot het beste en het mooiste, wat de mens heeft voortgebracht voor de wetenschap, voor het individu en voor de gemeenschap.

5. Zegenwens
Moge de almachtige God en Zijn liefdevolle voorzienigheid u daartoe Zijn zegen en Zijn genade schenken.

© Vertaling uit het Frans van dr. M.H. Mulders c.ss.r., Ecclesia Docens nr. 131, uitgave van Gooi & Sticht, Hilversum 1954


Over morele aspecten van huwelijksleven en zwangerschap

Vegliare con sollecitudine

Toespraak van tot het congres van de Italiaanse katholieke unie van verloskundigen over morele aspecten van huwelijksleven en zwangerschap

Paus Pius XII
23 oktober 1951

Inleiding
Verhevenheid van uw taak als vroedvrouw

Liefdevol waken over die stille en mysterieuze wieg, waarin God aan de kiem door de ouders gegeven, een onsterfelijke ziel instort, om uw zorg te wijden aan de moeder en om aan het kind, dat zij in zich draagt, een gelukkige geboorte te verzekeren: ziedaar, beminde dochters, het voorwerp van uw beroep, het geheim van de verhevenheid en schoonheid er van. Wanneer men deze wonderlijke samenwerking tussen ouders, natuur en God overdenkt, waaruit een nieuw menselijk wezen naar beeld en gelijkenis van zijn Schepper (1) het leven ontvangt, dan zal men noodzakelijk de kostbare hulp, die gij aan dit werk geeft, op haar juiste waarde schatten. De heldhaftige moeder der Maccabeën vermaande haar zonen: “Ik weet niet, hoe gij in mijn schoot het bestaan hebt ontvangen; niet ik heb u geest en leven geschonken, niet ik heb uw aller lichaam gevormd. Neen, de Schepper van het heelal heeft de mens in zijn ontstaan gevormd.” (2)

Samenwerking van Schepper, natuur en mens bij het ontstaan van het nieuwe leven
Wie dus deze wieg van het wordende leven nadert en daarbij hoe dan ook actief mag optreden, behoort de orde te kennen, die daar volgens de wil van de Schepper moet worden onderhouden, en de wetten, die deze orde beheersen. Want het gaat hier niet over louter physische en biologische wetten, waaraan redeloze factoren en blinde krachten noodzakelijk gehoorzamen, maar om wetten, waarvan de uitvoering en de gevolgen zijn overgelaten aan de vrijwillige en vrije medewerking van de mens.

Deze orde, vastgesteld door het hoogste verstand, is gericht op het door de Schepper gewilde doel. Zij omvat het uiterlijk handelen van de mens en de innerlijke instemming van zijn vrije wil; zij sluit in: de daad en het nalaten er van uit plicht. De natuur legt heel de keten van oorzaken, waaruit een nieuw mensenleven zal voortkomen, in handen van de mens. Aan de mens komt het toe de levende kracht er van in werking te stellen; aan de natuur, de ontwikkeling ervan te leiden en tot voltooiing te brengen. Als de mens het zijne gedaan heeft en de wonderlijke ontwikkeling van het leven in beweging heeft gezet is het zijn plicht de groei ervan gewetensvol te eerbiedigen, een plicht, die hem verbiedt het werk van de natuur tegen te houden of de natuurlijke ontplooiing ervan te belemmeren.

Zo is het aandeel van de natuur en dat van de mens nauwkeurig bepaald. Door uw beroepsvorming en uw ondervinding kent gij de werking van de natuur en de daad van de mens en tevens de regels en wetten, waaraan beide zijn onderworpen. Uw geweten, verlicht door de rede en het geloof, onder 1eiding van het door God ingestelde gezag, leert u, hoever het geoorloofde handelen gaat en waar daarentegen het nalaten van een daad een strikte plicht is.

Uw beroep verplicht tot apostolaat
In het licht van deze beginselen willen wij u thans enkele beschouwingen voorhouden over het apostolaat, dat uw beroep u oplegt. Want elk door God gewild beroep houdt een zending in, de zending namelijk om op het terrein van dat beroep de gedachten en bedoelingen van de Schepper te verwezenlijken en om de mensen te helpen, de rechtvaardigheid en heiligheid van Gods plan te begrijpen en het goed, dat de vervulling er van voor henzelf meebrengt.

1. Uw beroepsapostolaat oefent gij op de eerste plaats uit door uw persoon
Men stelt vertrouwen in u

Waarom roept men u? Omdat men er van overtuigd is, dat gij uw taak verstaat; dat gij weet, wat moeder en kind nodig hebben; aan welke gevaren beiden zijn blootgesteld; hoe deze gevaren kunnen vermeden of overwonnen worden. Men verwacht van u raad en hulp, natuurlijk niet onbeperkt, maar binnen de grenzen van het menselijk weten en kunnen, overeenkomstig de vooruitgang en de tegenwoordige stand van de wetenschap en van de praktijk op het gebied van uw beroep.

Dit vertrouwen is vóór alles iets persoonlijks
Als men dit alles van u verwacht, dan is het, omdat men vertrouwen in u heeft, en dit vertrouwén is eerst en vooral iets persoonlijks. Het moet uitgaan van uw persoon. Aan dit vertrouwen te beantwoorden, is niet alleen uw oprecht verlangen, maar ook een eis van uw taak en uw beroep, en dus een gewetensplicht. Daarom moet gij uw beroepskennis zo hoog mogelijk trachten op te voeren.

Uw beroepsbekwaamheid is een eis en vorm van uw apostolaat
Maar uw beroepsbekwaamheid is ook een eis en een vorm van uw apostolaat. Hoe immers zou uw woord gezag hebben in zedelijke en godsdienstige vraagstukken, die met uw taak samenhangen, als gij een tekort aan beroepskennis toonde? Daarentegen zal uw advies op zedelijk en godsdienstig gebied veel zwaarder wegen, als gij eerbied weet af te dwingen door een hoogstaande beroepsbekwaamheid. Bij het gunstig oordeel, dat men zich over u vormt vanwege uw verdienstelijk optreden, voegt zich dan in de geest van hen, die uw hulp inroepen, de gegronde overtuiging, dat een bewust en trouw beleefd christendom geen beletsel is voor de beroepsbekwaamheid, maar deze juist aanmoedigt en waarborgt. Zij zullen duidelijk zien, dat gij bij de uitoefening van uw taak uw verantwoordelijkheid tegenover God beseft; dat gij in uw Godsgeloof de sterkste beweegreden vindt om met des te groter toewijding uw hulp te geven naarmate men die meer nodig heeft; dat gij in uw godsdienst als vaste grondslag van uw leven de kracht vindt tegenover onredelijke en onzedelijke eisen (van welke kant ze ook komen) een rustig, maar onverschrokken en onwrikbaar “neen” te plaatsen.

De apostolische kracht van een doorleefd christendom
Om de achting en waardering, die men u vanwege uw persoonlijk gedrag en vanwege uw kennis en ervaring toedraagt, zal men u gaarne de zorg voor moeder en kind toevertrouwen en misschien zonder het zelf te weten, zult gij een diepgaand, vaak stil, maar zeer krachtig apostolaat van doorleefd christendom uitoefenen. Want hoe groot ook het moreel gezag moge zijn van de eigenlijke beroepseigenschappen, toch voltrekt zich de invloed van de ene mens op de andere vooral onder het dubbele kenmerk van waarachtige menselijkheid en waarachtig christendom.


2. Het tweede aspect van uw apostolaat is de ijver in het verdedigen van de waarde en de onschendbaarheid van het menselijk leven
De waarde van het menselijk leven

De wereld van onze dagen heeft er dringend behoefte aan hiervan overtuigd te worden door het drievoudig getuigenis van het verstand, het hart en de feiten. Uw beroep stelt u in staat dit getuigenis te geven en maakt het u tot plicht. Soms is het een enkel woord te juister tijd en met tact gesproken tot de moeder of de vader. Vaker nog oefent heel uw gedrag en het overtuigde van uw optreden een bescheiden en stille invloed op hen uit. Beter dan anderen kunt gij weten en naar waarde schatten, wat het menselijk leven is in zichzelf en wat het betekent voor het gezond verstand, voor uw geweten, voor de maatschappij, voor de Kerk en bovenal in het oog van God. Al het andere op aarde heeft de Heer gemaakt voor de mens; en de mens zelf is, wat zijn bestaan en wezen betreft, geschapen voor God en niet voor enig schepsel, ofschoon hij, wat zijn handelen aangaat, verplichtingen heeft ook jegens de gemeenschap. Welnu, het kind, ook het nog ongeboren kind, is “mens” in gelijke mate en op gelijke titel als de moeder.

De onschendbaarheid van het menselijk leven
Bovendien heeft elk menselijk wezen, ook het kind in de moederschoot, zijn recht op het leven onmiddellijk van God, niet van de ouders, evenmin van enig menselijke gemeenschap of van enig menselijk gezag. Daarom kan geen enkele mens, geen enkel menselijk gezag, geen enkele wetenschap, geen enkele medische, eugenetische, sociale, economische of zedelijke “indicatie” een geldige rechtstitel aanvoeren of geven voor een rechtstreeks vrijwillig beschikken over het menselijk leven van een onschuldige, d.w.z. een beschikken, dat gericht is op de vernietiging van dit leven, hetzij als doel, hetzij als middel tot een ander doel, al is dit doel op zich misschien niet ongeoorloofd. Zo is bijv. de redding van het leven van de moeder een zeer verheven doel, maar het rechtstreeks doden van het kind als middel tot dit doel is niet geoorloofd. Het rechtstreeks vernietigen van het zg. “nutteloze leven”, geboren of nog niet geboren, zoals dit enkele jaren geleden op grote schaal werd gepraktiseerd, laat zich op geen enkele wijze rechtvaardigen. Daarom heeft de Kerk, toen men met deze praktijk begon, uitdrukkelijk verklaard, dat het doden, ook als dit gebeurt op.last van het staatsgezag, van degenen, die hoewel onschuldig, toch door fysieke of psychische gebreken geen nut hebben voor het volk, maar er veeleer een last voor zijn, in strijd is met het natuurrecht en het positief goddelijk recht en dus ongeoorloofd. (3) Het leven van een onschuldige is onschendbaar en elke rechtstreekse aanslag of aanval daarop schendt een van de fundamentele wetten, zonder welke een veilige menselijke samenleving niet mogelijk is. Wij hoeven u niet in bijzonderheden te onderrichten omtrent de betekenis van deze fundamentele wet en de draagwijdte er van in uw beroep. Maar vergeet niet: boven iedere menselijke wet, boven iedere “indicatie” staat onvergankelijk de wet van God.

Eerbied wekken voor het leven en het, zo nodig, verdedigen
Uw beroepsapostolaat legt u de plicht op om de kennis van en de achting en eerbied voor het menselijk leven, waarmee gij door uw christelijke overtuiging bezield zijt, ook aan anderen mee, te delen; om het zo nodig moedig te verdedigen en om, wanneer het noodzakelijk en in uw vermogen is, het onbeschermde nog verborgen leven van het kind te beschermen, steunend op de kracht van het goddelijk gebod: “non occides”: gij zult niet doden. (4) Deze taak van verdediging is soms de meest noodzakelijke en dringende; toch is zij niet het edelste en belangrijkste deel van uw zending; want deze is niet louter negatief, maar vooral opbouwend en heeft tot doel te bevorderen, te bouwen en te versterken.

Het kind is een geschenk van God
Stort in de geest en het hart van moeder en vader waardering, verlangen, vreugde, liefdevol aanvaarden van het kind vanaf zijn eerste schreien. Het kind, gevormd in de moederschoot, is een geschenk van God, (5) die de zorg er voor toevertrouwt aan de ouders. Hoe fijngevoelig, hoe bekoorlijk schildert de H. Schrift de lieftallige kinderschaar, verenigd rondom de tafel van hun vader! Zij zijn de beloning van de rechtvaardige, gelijk onvruchtbaarheid dikwijls een straf is voor de zondaar. Luistert naar het woord van God in de onovertroffen poëzie van de psalm: “Uw vrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok binnen in uw woning, uw kinderen als twijgen van een olijf rondom uw tafel. Zie hoe de mens, die God vreest, wordt gezegend!” (6) Van de zondaar daarentegen staat geschreven: “Uw nakomelingschap worde tot vernietiging gedoemd, in het eerstvolgend geslacht worde zelfs de naam er van uitgedelgd.” (7)

De aanvaarding van het kind door de vader
Haast u, zoals reeds de oude Romeinen deden, het kind na zijn geboorte in de armen van zijn vader te leggen, maar dan in een onvergelijkelijk verhevener geest: bij hen was het de bevestiging van het vaderschap en van het gezag, dat daaruit voortvloeit; hier is het een blijk van dankbaarheid jegens de Schepper, het afsmeken van Gods zegen, het op zich nemen van de plicht om met liefdevolle toewijding de taak te vervullen, die God hem heeft toevertrouwd. Als de Heer de trouwe dienaar prijst en beloont, omdat hij vijf talenten rente liet opbrengen, (8) welk een lof, welk een beloning bestemt Hij dan niet voor de vader, die het hem toevertrouwde menselijk leven voor Hem bewaart en grootbrengt, het menselijk leven, dat al het goud en zilver van de wereld overtreft?

Wat het kind betekent voor de moeder
Uw apostolaat richt zich echter vooral op de moeder. Ongetwijfeld spreekt in haar de stem van de natuur en legt in haar hart het verlangen, de vreugde, de moed, de liefde, de wil, zorg te dragen voor het kind. Maar om de bekoring tot kleinmoedigheid in al haar vormen te kunnen overwinnen, moet die stem versterkt worden en als het ware een bovennatuurlijke klank krijgen. Uw taak is het, de jonge moeder niet zozeer met woorden, als door heel uw levenswijze en gedrag de grootheid, schoonheid en verhevenheid te doen begrijpen van het leven, dat ontwaakt, zich ontwikkelt en leeft in haar schoot, dat uit haar geboren wordt, dat zij in haar armen draagt en voedt aan haar borst. Uw taak is het voor haar ogen en in haar hart te doen stralen het groot geschenk van Gods liefde voor haar en haar kind. In talrijke voorbeelden laat de H. Schrift u de echo horen van de smeekbeden en daarna van de liederen van dankbare vreugde van zoveel moeders, die eindelijk werden verhoord, na lang onder tranen de gunst van het moederschap te hebben afgesmeekt. Zelfs de smarten, die de moeder na de erfzonde lijden moet om aan haar kind het leven te schenken, kunnen de band, die hen beiden verbindt, alleen maar versterken. Zij heeft het kind des te meer lief, naarmate het haar meer smart heeft gekost. Dit is met roerende en diepe eenvoud uitgedrukt door Hem, die het moederhart gevormd heeft: “De vrouw in barensnood is bedroefd, omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kind ter wereld heeft gebracht, denkt zij niet meer aan de weeën uit vreugde, dat er op de wereld een mens geboren is.” (9) Bovendien schildert de Heilige Geest door de pen van de Apostel Paulus nog eens de grootheid en vreugde van het moederschap. God schenkt aan de moeder het kind, maar terwijl Hij het schenkt, laat Hij haar daadwerkelijk meewerken tot het ontluiken van de bloem, waarvan Hij de kiem in haar schoot had gelegd en deze medewerking wordt een weg, die haar voert tot haar eeuwige zaligheid: “De vrouw zal zalig worden door het voortbrengen van kinderen.” (10)

Uw apostolaat voor het kind als een “zegen”
Deze volmaakte overeenstemming van geloof en rede is voor u een waarborg, dat gij de volle waarheid bezit en dat gij volkomen veilig uw apostolaat van eerbied en liefde voor het ontluikende leven kunt voortzetten. Als gij dit apostolaat weet uit te oefenen bij de wieg, waarin het pasgeboren kind schreit, dan zult gij gemakkelijk datgene kunnen bereiken, wat gij krachtens uw beroepsovertuiging in overeenstemming met de wet van God en van de natuur meent te moeten voorschrijven voor het welzijn van moeder en kind.

Wij behoeven overigens u, die er ondervinding van hebt, niet te bewijzen, hoe noodzakelijk tegenwoordig dit apostolaat van eerbied en liefde voor het nieuwe leven is. Het komt helaas dikwijls voor, dat reeds een voorzichtig zinspelen op kinderen als een “zegen” voldoende is, tegenspraak of misschien zelfs spot uit te lokken. Veel vaker wordt gedacht en gesproken over de zware “last” van de kinderen. Hoe is die mentaliteit in strijd met de gedachte van God en de taal van de H. Schrift, en ook met het gezond verstand en het natuurlijk gevoel! Al zijn er ook toestanden en omstandigheden, waarin de ouders zonder de wet van God te overtreden de “kinderzegen” mogen ontwijken, toch geven deze gevallen van overmacht niet het recht valse opvattingen te scheppen, de waarden omlaag te halen en de moeder te minachten, die de moed en de eer heeft gehad het leven te schenken aan een kind.

Uw zorg voor het bovennatuurlijk heil van het kind
Wat wij tot nu toe zeiden heeft betrekking op de bescherming van en de zorg voor het natuurlijk leven; maar het geldt des te meer voor het bovennatuurlijk leven, dat het pasgeboren kind ontvangt door het doopsel. In de tegenwoordige heilsorde bestaat er geen ander middel, dit leven mee te delen aan het kind, dat nog niet het gebruik van het verstand heeft. En toch is de staat van genade op het ogenblik van sterven absoluut noodzakelijk om zalig te worden. Zonder deze is het niet mogelijk tot het bovennatuurlijk geluk, de zaligende aanschouwing van God te komen. Voor een volwassene kan een akt van liefde volstaan om de heiligmakende genade te verkrijgen en het doopsel te vervangen; voor het nog ongeboren of pasgeboren kind staat deze weg niet open. Neemt men dus in aanmerking, dat de liefde tot de naaste ons verplicht hem bij te staan in geval van nood; dat deze plicht des te ernstiger en dringen der is, naarmate het te geven goed of het te vermijden kwaad groter is en naarmate degene, die in nood verkeert, minder in staat is zichzelf te helpen en te redden, dan begrijpt men gemakkelijk, hoe uiterst belangrijk het is te zorgen voor het doopsel van een kind, dat het gebruik van de rede volkomen mist en dat in ernstig levensgevaar verkeert of zeker zal sterven. Ongetwijfeld rust deze plicht allereerst op de ouders; maar in geval van nood, wanneer men geen tijd te verliezen heeft of geen priester kan roepen, komt aan u de verheven taak toe het doopsel toe te dienen. Blijft dus niet in gebreke deze liefdedienst te bewijzen en dit actief apostolaat van uw beroep uit te oefenen. Moge het woord van Jezus voor u een steun en een bemoediging zijn: “Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven.” (11) En bestaat er wel groter en schoner barmhartigheid dan aan de ziel van het kind tussen de drempel van het leven, die het nauwelijks heeft overschreden en de drempel van de dood, die het aanstonds zal overschrijden de intrede in de glorievolle en zalige eeuwigheid te verzekeren?


3. Een derde aspect van uw beroepsapostolaat kan men noemen: de moeder helpen in het bereidvaardig en edelmoedig vervullen van haar moederlijke taak
Het voorbeeld van Maria

Zodra de allerheiligste Maagd Maria de boodschap van de engel had vernomen, antwoordde zij: “Zie de dienstmaagd des Heren. Mij geschiede naar uw woord.” (12) Een “fiat”, een vurig “ja” op de roeping tot moeder. Een maagdelijk moederschap onvergelijkelijk hoger dan elk ander; maar toch een werkelijk moederschap in de ware en eigenlijke zin van het woord. (13) Daarom besluit de gelovige bij De engel des Heren, na Maria’s aanvaarden te hebben herdacht, aanstonds met de woorden: “En het Woord is vlees geworden.” (14)

De oprechte aanvaarding van het moederschap
Een van de fundamentele eisen van de juiste zedelijke orde is, dat aan het gebruik van het huwelijksrecht de oprechte, innerlijke aanvaarding van de taak en de plichten van het moederschap beantwoordt. Op deze voorwaarde volgt de vrouw de door de Schepper aangewezen weg naar het doel, dat Hij voor Zijn schepsel heeft bepaald, door haar in de uitoefening van die taak deelgenote te maken van Zijn goedheid, wijsheid en almacht volgens de boodschap van de engel: “concipies in utero et paries”: gij zult in uw schoot ontvangen en baren. (15)

Uw apostolaat voor het moederschap
Als dit dus het biologische fundament is van uw beroepswerkzaamheid, dan zal een noodzakelijk voorwerp van uw apostolaat zijn: het begrip van en de liefde voor de taak van het moederschap trachten te behouden, op te wekken en te bevorderen.

Wanneer de echtgenoten het als een eer beschouwen en waarderen, nieuw leven te verwekken, waarvan zij met heilig ongeduld het openbloeien verbeiden, is uw taak gemakkelijk. Gij hoeft dan slechts deze innerlijke gevoelens bij hen te cultiveren; dan volgt de bereidheid om dat wordende leven te aanvaarden en er voor te zorgen vanzelf. Helaas is dit niet altijd het geval. Dikwijls verlangt men niet naar het kind, erger nog: men vreest het. Hoe zou men in deze toestand nog bereid zijn tot het vervullen van zijn plicht? Hier moet gij uw apostolaat op doeltreffende en krachtdadige wijze uitoefenen. Vóór alles negatief door elke immorele medewerking te weigeren; vervolgens ook positief door met fijngevoelige zorg te trachten vooroordelen, vrees in allerlei vormen of kleinmoedige voorwendsels te verdrijven, door te trachten naar vermogen ook de uiterlijke hinderpalen uit de weg te ruimen, die het aanvaarden van het moederschap moeilijk kunnen maken. Wanneer men uw raad en hulp slechts inroept om het voortbrengen van het nieuwe leven te vergemakkelijken, om het te beschermen en tot volle ontwikkeling te brengen, dan kunt gij zonder meer uw medewerking verlenen. Hoe dikwijls echter doet men een beroep op u om het voortbrengen en het behoud van dit leven te verhinderen, zonder zich in het minst te bekommeren om de voorschriften van de zedelijke orde. Aan een dergelijk verlangen gehoor geven zou een verlaging betekenen van uw kennis en bekwaamheid, door medeplichtig te worden aan een onzedelijke handeling; het zou een verraad zijn aan uw apostolaat. Dit eist een kalm, maar beslist “neen”, dat geen overtreding toelaat van de wet van God en de uitspraak van het geweten. Daarom verplicht uw beroep u tot een degelijke kennis van die goddelijke wet, zodat gij haar kunt doen eerbiedigen, zonder te kort te doen aan haar voorschriften en zonder de eisen er van te overdrijven.

De fundamentele wet van de huwelijksomgang
Onze voorganger Pius XI zaliger gedachtenis, heeft in zijn encycliek Casti Connubii van 31 December 1930 opnieuw plechtig de fundamentele wet van de huwelijksdaad en de huwelijksomgang afgekondigd: ieder ingrijpen van de echtgenoten bij het stellen van de huwelijksdaad of bij de ontwikkeling van de natuurlijke gevolgen er van, ingrijpen, dat tot doel heeft, deze daad van haar natuurlijke kracht te beroven en het voortbrengen van nieuw leven te verhinderen, is immoreel; en geen enkele “indicatie” of noodzakelijkheid kan een intrinsiek immorele handeling veranderen in een morele en geoorloofde daad. (16)

Deze regel is nu nog volledig van kracht gelijk zij het was in het verleden, en zal het ook in de toekomst altijd blijven, omdat het niet een louter voorschrift van menselijk recht is, maar de uitdrukking van een wet van de natuur en van God.

Laten onze woorden een veilige richtlijn zijn voor alle gevallen, waarin uw beroep en uw apostolaat van u een duidelijke en resolute beslissing eisen.

Het ongeoorloofde van de rechtstreekse onvruchtbaarmaking
Het betekent veel meer dan een louter gebrek aan bereidwilligheid in het dienen van het leven, als het ingrijpen van de mens niet alleen op een enkele daad betrekking heeft, maar het organisme zelf aantast met het doel om het door middel van onvruchtbaarmaking te beroven van het vermogen nieuw leven voort te brengen. Ook hier hebt gij voor uw innerlijke houding en uw uitwendig gedrag een duidelijke richtlijn in de leer van de Kerk. De rechtstreekse onvruchtbaarmaking, d.w.z. die beoogt, als middel of als doel, de voortplanting onmogelijk te maken, is een ernstige schending van de zedenwet en daarom ongeoorloofd. Ook het staatsgezag heeft geen enkel recht onder voorwendsel van welke “indicatie” ook, ze toe te laten, veel minder nog ze voor te schrijven of te doen voltrekken ten nadele van onschuldigen. Dit beginsel vindt men reeds uitgesproken in de bovenvermelde encycliek van Pius XI over het huwelijk. (17) Daarom heeft de H. Stoel, toen een tiental jaren geleden de onvruchtbaarmaking op steeds grotere schaal werd toegepast, zich genoodzaakt gezien, uitdrukkelijk en openlijk te verklaren, dat de rechtstreekse onvruchtbaarmaking, hetzij van blijvende of tijdelijke aard, van man of vrouw, ongeoorloofd is krachtens de natuurwet, waarvan zelfs de Kerk, zoals gij weet, niet kan ontslaan. (18)

Verzet u dus in uw apostolaat, zoveel gij kunt, tegen, deze perverse tendenzen en weigert daaraan uw medewerking.

De periodieke onthouding
a. De voorlichting te geven inzake de periodieke onthouding

Bovendien stelt zich tegenwoordig het ernstige probleem, of en in hoeverre de plicht, bereid te zijn tot de dienst van het moederschap, zich laat verenigen met de steeds meer gebruikelijke praktijk, zich te houden aan de tijden van de natuurlijke onvruchtbaarheid (de zg. agenesische perioden bij de vrouw), wat een duidelijke uiting schijnt van een wil in strijd met die bereidheid.

Met recht verwacht men van U, dat gij in medisch opzicht goed op de hoogte zijt van deze bekende theorie en van de vooruitgang, die op dit gebied nog valt te voorzien, en eveneens dat uw raad en uw hulp niet steunen op louter populaire publicaties, maar op wetenschappelijke objectiviteit en op het gezaghebbend oordeel van gewetensvolle specialisten op het terrein van geneeskunde en biologie. Het is niet de taak van de priester maar van u, de echtgenoten, hetzij bij persoonlijke consultatie, hetzij door middel van degelijke uitgawen voor te lichten omtrent de biologische en technische kant van deze theorie, zonder u evenwel in te laten met een misplaatste of onpassende propaganda. Maar ook op dit gebied vraagt uw apostolaat van u, als vrouwen als christin, dat gij de zedelijke normen, waaraan de toepassing van die theorie is gebonden, kent en verdedigt. En hier is de Kerk competent.

b. Het huwelijksgebruik in de onvruchtbare tijd in het algemeen
Om te beginnen moet men twee mogelijkheden beschouwen. Als het toepassen van die theorie niets anders betekent dan dat de echtgenoten gebruik kunnen maken van hun huwelijksrecht ook op de dagen van natuurlijke onvruchtbaarheid, dan bestaat er geen enkel bezwaar: want hierdoor stellen zij geen enkel beletsel en doen zij op geen enkele wijze afbreuk aan het voltrekken van de natuurlijke daad en aan haar verdere natuurlijke gevolgen. Hierin juist is de toepassing van de theorie in kwestie wezenlijk onderscheiden van het reeds besproken misbruik, dat bestaat in het verkeerd stellen van de daad zelf. Als men daarentegen verder gaat, door nl. de huwelijksdaad uitsluitend in die dagen toe te staan, dan moet het gedrag van de echtgenoten nauwkeuriger onderzocht worden.

c. De beperking van het huwelijksrecht tot de onvruchtbare tijd
En hier moeten wij opnieuw twee mogelijkheden beschouwen. Als reeds bij de sluiting van het huwelijk tenminste één van de echtgenoten de bedoeling zou gehad hebben hef huwelijksrecht zelf en niet alleen het gebruik er van te beperken tot de onvruchtbare tijden, zodat de andere echtgenoot op de andere dagen zelfs niet het recht zou hebben de daad te vragen, dan zou dit betekenen, dat er aan de huwelijkstoestemming iets wezenlijks ontbreekt. Dit zou de ongeldigheid van het huwelijk zelf ten gevolge hebben, omdat het recht, dat uit de huwelijksovereenkomst voortvloeit, een blijvend, ononderbroken, en niet alleen bij tussenpozen geldend recht is van beide echtgenoten tegenover elkaar.

d. De beperking van het huwelijksgebruik tot de onvruchtbare tijden
Als daarentegen die beperking van de daad tot de dagen van natuurlijke onvruchtbaarheid niet op het recht zelf betrekking heeft, maar alleen op het gebruik van het recht, dan is de geldigheid van het huwelijk niet aan twijfelonderhevig. Toch is een dergelijk gedrag van de echtgenoten al of niet als zedelijk geoorloofd te beschouwen, naargelang de bedoeling, zich blijvend naar die tijden te regelen, al of niet steunt op voldoende en degelijke zedelijke beweegredenen. Het feit alleen, dat de echtgenoten de aard van de daad niet aantasten en ook bereid zijn het kind, dat ondanks hun voorzorgsmaatregelen zou geboren worden, te aanvaarden en op te voeden, is op zich niet voldoende, de juistheid van de bedoeling en het zedelijk verantwoorde van die beweegredenen te waarborgen.

e. Morele waardering van dit laatste
De reden hiervan is, dat het huwelijk verplicht tot een levensstaat, die, gelijk hij bepaalde rechten geeft, zo ook verplicht tot een positief werk, dat met die levensstaat verband houdt. In een dergelijk geval kan men het algemene beginsel toepassen, dat een positief werk kan worden nagelaten, als gewichtige redenen, onafhankelijk van de goede wil van hen, die er toe verplicht zijn, aantonen, dat dat werk niet wenselijk is, of bewijzen, dat het door de rechthebbende – in dit geval het menselijk geslacht niet naar billijkheid kan geëist worden.

De huwelijksovereenkomst, die aan de echtgenoten het recht geeft aan de neiging van de natuur te voldoen, plaatst hen in een levensstaat, de huwelijksstaat. Welnu, de natuur en de Schepper leggen aan de echtgenoten, die van dit recht gebruik maken door de specifieke daad van hun levensstaat, de taak op te zorgen voor de instandhouding van het menselijk geslacht. Dit is het kenmerkende werk, dat de eigenlijke waarde van hun staat uitmaakt, het bonum prolis (het goed van de kinderzegen). Enkeling en maatschappij, volk en staat, ook de Kerk hangen in de door God gestelde orde voor hun bestaan af van het vruchtbare huwelijk. Daarom misdoet men tegen de zin zelf van het huwelijksleven, als men de huwelijksstaat aanvaardt, voortdurend gebruik maakt van de daad, die daaraan eigen en daarin alleen geoorloofd is, en daarbij zich steeds en opzettelijk, zonder gewichtige reden aan zijn eerste plicht onttrekt.
Van dat positieve verplichte werk kan men, ook voor lange tijd, zelfs voor geheel de duur van het huwelijk ontslagen zijn om ernstige redenen, zoals die niet zelden gelegen zijn in de zg. medische, eugenetische, economische en sociale “indicatie”. Hieruit volgt, dat het zich houden aan de onvruchtbare tijden in zedelijk opzicht geoor1oofd kan zijn; en in de genoemde omstandigheden is het dit ook. Als er echter volgens een verstandig en billijk oordeel dergelijke ernstige redenen, hetzij van persoonlijke aard, hetzij voortvloeiend uit uiterlijke omstandigheden niet aanwezig zijn, dan kan de wil van de echtgenoten om blijvend de vruchtbaarheid van hun vereniging te vermijden, terwijl zij toch doorgaan volledig te voldoen aan hun geslachtelijke neiging, slechts voortkomen uit een valse waardering van het leven en uit beweegredenen, die buiten de juiste zedelijke normen vallen.

Uw apostolaat in bijzonder moeilijke gevallen
Maar nu zult gij hier misschien tegen inbrengen, dat gij bij de uitoefening van uw beroep soms voor zeer moeilijke gevallen komt te staan, waarin men nl. niet kan eisen, dat men zich aan de mogelijkheid van het moederschap blootstelt, terwijl dit integendeel volstrekt moet worden vermeden, en waarin van de andere kant het zich houden aan de onvruchtbare perioden ofwel geen voldoende waarborg biedt, ofwel om andere redenen moet worden uitgesloten. En dan vraagt gij, hoe men dan nog kan spreken van een apostolaat in dienst van het moederschap.

Wanneer de omstandigheden volgens uw zeker en beproefd oordeel een absoluut “neen” eisen, d.w.z. de uitsluiting van het moederschap, dan zou het onjuist en verkeerd zijn een “ja” op te leggen of aan te raden. Het gaat hier inderdaad over concrete feiten en bijgevolg niet over een theologische, maar een medische kwestie; deze behoort dus tot uw competentie. Toch vragen de echtgenoten in zulke gevallen van u geen medisch advies, dat noodzakelijk negatief moet luiden, maar de goedkeuring van een “techniek” van de huwelijksomgang, die waarborg biedt tegen de mogelijkheid van het moederschap. En zo wordt gij dan opnieuw geroepen uw apostolaat uit te oefenen, in zover gij er geen twijfel over laat bestaan, dat ook in deze uiterste gevallen elk preventief handelen en elke rechtstreekse aanslag op het leven en de ontwikkeling van het kind in geweten verboden en verwerpelijk is, en dat er maar één weg open blijft, nl. die van onthouding van ieder volledig gebruik van het natuurlijk vermogen. Hier verplicht uw apostolaat u tot een helder en beslist oordeel en een rustige zekerheid.

De mogelijkheid van algehele onthouding
Maar men zal opwerpen, dat een dergelijke onthouding onmogelijk, dat een dergelijke heldhaftigheid niet te verwezenlijken is. Deze opwerping kunt gij tegenwoordig overal horen en lezen, ook van de kant van hen, die krachtens plicht en bekwaamheid heel anders moesten oordelen. En om dit te bewijzen voert men het volgende argument aan: “Niemand is verplicht tot het onmogelijke en van geen enkele verstandige wetgever kan men veronderstellen, dat hij door zijn wet ook tot het onmogelijke wil verplichten. Welnu, voor echtgenoten is onthouding op lange termijn onmogelijk. Dus zijn zij niet verplicht tot onthouding; dit kan niet de zin zijn van de goddelijke wet.”

Op deze manier leidt men uit praemissen, die gedeeltelijk waar zijn, een onjuiste gevolgtrekking af. Om dit in te zien behoeft men de termen van het bewijs slechts om te keren: God verplicht niet tot het onmogelijke. Welnu, God verplicht de echtgenoten tot onthouding, als hun vereniging niet kan plaats hebben volgens de wetten van de natuur. Dus is in deze gevallen onthouding mogelijk. Een bevestiging van dit bewijs vinden wij in de leer van het concilie van Trente, dat in het hoofdstuk over de noodzakelijke en mogelijke onderhouding van de geboden leert, met verwijzing naar een tekst van St. Augustinus: “God beveelt het onmogelijke niet, maar terwijl Hij beveelt, vermaant Hij u te doen, wat gij kunt en te vragen, wat gij niet kunt en Hij helpt u om het te kunnen.” (19)

Ook in het huwelijk kan heroïsme beoefend worden
Laat u daarom bij de uitoefening van uw beroep en bij uw apostolaat niet in de war brengen door dit grote woord: onmogelijkheid, noch in uw innerlijk oordeel, noch in uw uitwendig gedrag. Leent u nooit tot iets, dat in strijd is met de wet van God en uw christelijk geweten. Men doet de mannen en vrouwen van onze tijd onrecht met hen niet in staat te achten tot een blijvend heroïsme. Tegenwoordig wordt de heldhaftigheid om zoveel redenen, misschien onder de druk van de harde noodzakelijkheid of soms ook in dienst van de ongerechtigheid, beoefend in een mate en een omvang, die men in het verleden onmogelijk zou hebben geacht. Waarom zou dus dit heroïsme als het door de omstandigheden werkelijk geëist wordt, halt moeten maken voor het gebied van de hartstochten en de natuurlijke neigingen? Natuurlijk: wie zichzelf niet wil beheersen kan het ook niet; en wie meent zich te kunnen beheersen met alleen te steunen op eigen krachten zonder oprecht en volhardend de hulp van God te vragen, zal jammerlijk teleurgesteld worden.

Dit met betrekking tot uw apostolaat om de echtgenoten te winnen voor de dienst van net moederschap, niet in de zin van een blinde slavernij onder de drang van de natuur maar van een uitoefening van de echtelijke rechten en plichten, geleid door de beginselen van de rede en het geloof.


4. Het laatste aspect van uw apostolaat betreft de verdediging zowel van de juiste rangorde der waarden als van de waardigheid van de menselijke persoon
Opvattingen omtrent de persoonswaarden als eigenlijk doel van de huwelijksomgang

De “persoonswaarden” en de noodzakelijkheid ze te eerbiedigen is een onderwerp dat sinds twintig jaar steeds meer de schrijvers bezig houdt. In veel van hun werken krijgt ook de specifiek geslachtelijke daad zijn plaats om haar dienstbaar te maken aan de persoonlijkheid van de echtgenoten. De eigenlijke en diepste zin van de uitoefening van het huwelijksrecht zou hierin bestaan, dat de lichamelijke vereniging de uitdrukking en verwezenlijking is van de persoonlijke en affectieve vereniging.

Artikelen, hoofdstukken, hele boeken, bijeenkom: sten, met name ook over “de techniek van de liefde”, worden gewijd aan de verbreiding van deze gedachten, aan de toelichting er van door raadgevingen aan de jonggehuwden als leidraad in het huwelijk, opdat zij niet uit onwetendheid of verkeerd begrepen schaamtegevoel of ongegronde angstvalligheid, ongebruikt laten wat God, die ook de natuurlijke neigingen geschapen heeft, hun geeft. Als uit deze volledige wederzijdse overgave van de echtgenoten een nieuw leven voortkomt, dan is dit een gevolg, dat buiten de “persoonswaarden” blijft, of hoogstens tot de periferie er van behoort; een gevolg, dat men niet afwijst, maar dat men niet als het middelpunt wil zien van de huwelijksomgang.

Volgens deze theorieën zouden uw zorg voor het leven, dat nog verborgen is in de moederschoot en voor de voorspoedige geboorte van het kind nog slechts ondergeschikt belang hebben en op de tweede plaats komen.

Deze opvattingen betekenen een omkering van de juiste rangorde der waarden
Als nu deze betrekkelijke waardering slechts de waarde van de persoon van de echtgenoten zou benadrukken boven die van het kind dan zou men dit vraagstuk strikt genomen buiten beschouwing kunnen laten. Maar wij staan hier integendeel voor een verregaande omkering van de rangorde der waarden en der doelstellingen, die door de Schepper zelf zijn gewild. Wij hebben te doen met de verbreiding van een geheel van gedachten en gevoelselementen. die rechtstreeks in strijd zijn met de duidelijkheid, de diepte en de ernst van de christelijke opvatting. En hier moet opnieuw uw apostolaat zich doen gelden. Het kan immers voorkomen, dat de moeder en echtgenote u in vertrouwen neemt en dat gij ondervraagd wordt over de geheimste verlangens en de intimiteiten van het huwelijksleven. Maar hoe zult gij dan, in het bewustzijn van uw zending, de echtgenoten er toe kunnen brengen de waarheid en de juiste orde in hun waardering en handelen te eerbiedigen, als gij zelf hiervan niet nauwkeurig op de hoogte zijt, en niet de karaktervastheid bezit, om te verdedigen, wat volgens uw overtuiging waar en juist is ?

Het eerste en meest wezenlijke doel van het huwelijk is de voortplanting en opvoeding
Welnu, de waarheid is, dat het huwelijk als natuurlijke instelling krachtens de wil van de Schepper als eerste en meest wezenlijk doel niet heeft de persoonlijke vervolmaking van de echtgenoten, maar het voortbrengen en het opvoeden van het nieuwe even. De andere doeleinden, ofschoon eveneens door de natuur gewild, staan niet op één lijn met het eerste doel en nog minder erboven, maar zijn daaraan wezenlijk ondergeschikt. Dit geldt van ieder huwelijk, ook van het onvruchtbare huwelijk; gelijk men van ieder oog kan zeggen, dat het bestemd en gemaakt is om te zien, ook al komt het in abnormale gevallen, door bijzondere innerlijke en uitwendige omstandigheden nooit tot visuele waarneming.

Verklaringen van de H. Stoel
Juist om een eind te maken aan alle onzekerheid en misvattingen, die valse theorieën dreigden te verspreiden omtrent de rangorde van de doeleinden in het huwelijk en hun wederzijdse betrekkingen, hebben wijzelf enkele jaren geleden (10 Maart 1944) (20) een verklaring opgesteld over de orde van die doeleinden, en aangegeven, wat uit de innerlijke structuur zelf van het natuurlijk vermogen blijkt, wat gemeengoed is van de christelijke overlevering, wat de pausen herhaaldelijk hebben geleerd en wat ten slotte in de vereiste vorm is vastgelegd door het wetboek van het kerkelijk recht. (21) Zelfs heeft de H. Stoel kort daarna, om de hiermee strijdige meningen recht te zetten, in een decreet openlijk verklaard, dat de mening van enkele moderne schrijvers onaanvaardbaar is, die ontkennen, dat het eerste doel van het huwelijk de. voortplanting en opvoeding is, of leren, dat de secundaire doeleinden niet wezenlijk ondergeschikt zijn aan het eerste doel, maar op één lijn daarmee staan en daarvan onafhankelijk zijn. (22)

De andere waarden van het huwelijk staan in dienst van het eerste doe
Willen wij hiermee het goede en juiste in de persoonlijke waarden, die uit het huwelijk en de beleving ervan voortvloeien, ontkennen of verkleinen? Geenszins, want de Schepper heeft in het huwelijk tot het voortbrengen van het nieuwe leven mensen bestemd van vlees en bloed, mensen met geest en hart, en zij zijn geroepen om het leven te schenken aan hun nakomelingschap als mensen en niet als redeloze dieren. Tot dit doel wil de Heer de vereniging van de echtgenoten. De H. Schrift zegt immers van God, dat Hij de mens schiep naar Zijn beeld en hem schiep als man en vrouw (23) en dat Hij gewild heeft, gelijk herhaaldelijk in de heilige boeken wordt verzekerd, dat “de man vader en moeder verlaat en zich met zijn vrouw verenigt en zij één vlees vormen.” (24) Dit alles is dus waar en door God gewild, maar het moet niet worden losgemaakt van de eerste taak van het huwelijk, nl. de dienst voor het nieuwe leven. Niet alleen het gezamenlijk werken van de echtgenoten in het uiterlijk leven, maar ook heel hun persoonlijke verrijking, hun verstandelijke en geestelijke verrijking, zelfs het meest geestelijke en diepe in de huwelijksliefde als zodanig is door de wil van de natuur en van de Schepper in dienst gesteld van de nakomelingschap. Uiteraard betekent het volmaakte huwelijksleven ook de algehele toewijding van de ouders aan hun kinderen; en de huwelijksliefde in haar kracht en innigheid wordt juist geëist door de waarachtige zorg voor het kind en waarborgt de uitoefening ervan. (25)

De huwelijksdaad is een persoonlijke samenwerking van de echtgenoten
Als men de samenleving van de echtgenoten en de huwelijksdaad herleidt tot een puur organische functie voor het overbrengen van de levenskiemen, verlaagt men de huiselijke woning, heiligdom van het gezin, als het ware tot een louter biologisch laboratorium. Daarom hebben wij in onze toespraak van 29 September 1949 tot het internationaal congres van katholieke artsen uitdrukkelijk de kunstmatige bevruchting uitgesloten van het huwelijk. De huwelijksdaad is in haar natuurlijke structuur een persoonlijke handeling, een gelijktijdig en onmiddellijk samenwerken van de echtgenoten, dat krachtens de natuur zelf van de handelende subjecten en de aard van de daad de uitdrukking is van de wederzijdse overgave, waardoor volgens het woord van de Schriftuur de vereniging “in één vlees” (26) tot stand komt.

Dit betekent veel meer dan het verenigen van twee levenskiemen, dat ook kunstmatig kan plaats hebben, dat wil zeggen, zonder de natuurlijke daad van de echtgenoten. De huwelijksdaad, verordend en gewild door de natuur, is een persoonlijke samenwerking, waartoe de echtgenoten elkander bij het aangaan van het huwelijk wederkerig het recht geven.

Gevolgtrekkingen uit het voorafgaande
Wanneer daarom deze daad in haar natuurlijke vorm van het begin af aan en blijvend onmogelijk is, ontbreekt er iets wezenlijks aan het voorwerp van de huwelijksovereenkomst. Hierop komt neer wat wij toen hebben gezegd: “Men: moet niet vergeten: alleen het voortbrengen van nieuw leven volgens de wil en het plan van de Schepper sluit in een wonderlijke volkomenheid de verwezenlijking van de beoogde doeleinden in. Het is in overeenstemming zowel met de lichamelijk-geestelijke natuur en de waardigheid van de echtgenoten als met de normale en voorspoedige ontwikkeling van het kind.” (27)

Zegt dus aan het verloofde meisje of de jong gehuwde vrouw, die u zou spreken over de waarden van het huwelijksleven, dat deze persoonlijke waarden, hetzij in de lichamelijke of zinnelijke, hetzij in de geestelijke sfeer, werkelijk echte waarden zijn, die evenwel door de Schepper in de rangorde van de waarden niet op de eerste, maar op de tweede plaats zijn gesteld.

De waarde van het vrijwillig afstand doen van het huwelijk
Voegt hieraan nog iets anders toe, dat in vergetelheid dreigt te raken. Al deze secundaire waarden van de voortplantingssfeer en het voortplantingswerk vallen binnen het kader van de specifieke taak van de echtgenoten, die is: het voortbrengen en opvoeden van het nieuwe leven. Verheven en edele taak! Zij behoort echter niet tot het wezen van een volmaakt menselijk wezen, alsof het niet verwezenlijkt worden van de natuurlijke voortplantingsdrang een soort vermindering van de menselijke persoon zou betekenen. Het afstand doen van die verwezenlijking is geen ,verminking van de persoonlijke en geestelijke waarden, vooral niet als het geschiedt uit zeer hoge beweegredenen. Van dit vrijwillig afstand doen uit liefde tot het rijk van God heeft de Heer gezegd:. “Non omnes capiunt verbum istud, sed quibus datum est”: niet allen begrijpen deze leer, maar alleen zij, aan wie het gegeven is.” (28)

Een overdreven prijzen van het Voortplantingswerk, ook in de wettige en zedelijk vereiste morele vorm van het huwelijksleven, zoals tegenwoordig niet zelden gebeurt, is daarom niet alleen onjuist en in strijd met de waarheid; het sluit ook het gevaar in van een valse instelling van verstand en gevoel, die goede en verheven gevoelens kan tegenwerken en verstikken, vooral in de nog onervaren jeugd, die de “teleurstellingen van het leven nog niet kent. Want welk normaal mens, gezond naar lichaam en ziel, wil ten slot te gerekend worden tot degenen, wie het ontbreekt aan karakter en geestkracht?

Moge uw apostolaat overal, waar gij uw beroep uitoefent, de geesten verlichten en deze juiste rangorde van de waarden inscherpen, opdat de mensen hun oordeel en hun gedrag daarnaar regelen.

De geslachtelijke voldoening is ondergeschikt aan het doel van het huwelijk
Onze uiteenzetting over de taak van uw beroepsapostolaat zou echter onvolledig zijn zonder een kort woord over de bescherming van de menselijke waardigheid in het gebruik van de geslachtelijke neiging. Dezelfde Schepper, die Zich in Zijn goedheid en wijsheid voor de instandhouding en voortplanting van het menselijk geslacht van het handelen van man en vrouw heeft willen bedienen door hen in het huwelijk te verenigen, heeft ook gewild, dat de echtgenoten bij die daad een genot en voldoening ondervinden in lichaam en geest. De echtgenoten doen dus niets verkeerds, als zij deze voldoening zoeken en genieten. Zij aanvaarden, wat de Schepper voor hen bestemd heeft.

Niettemin moeten de echtgenoten Gok hier een juiste gematigdheid weten te betrachten. Gelijk bij het genot van spijs en drank, moeten zij zich ook bij het geslachtelijk genot niet onbeheerst overgeven aan de zinnelijke neiging. De juiste regeling is dus: het gebruik van het natuurlijk voortplantingsvermogen is alleen in het huwelijk zedelijk geoorloofd in dienst en volgens de rangorde van de doeleinden van het huwelijk. Hieruit volgt, dat ook alleen in het huwelijk en volgens deze regel het verlangen naar en het smaken van dat genot en die voldoening geoorloofd zijn. Want het genieten is onderworpen aan de wet van de handeling, waaruit het voortvloeit en niet andersom: de handeling aan de wet van het genieten. En deze zo redelijke wet heeft niet alleen betrekking op het wezen, maar ook op de omstandigheden van de handeling, zodat men, ook al blijft het wezen van de daad onaangetast, kan misdoen door de wijze waarop men ze stelt.

Een moderne opvatting in strijd met dit beginsel
Het overtreden van deze regel is even oud als de erfzonde. Toch loopt men in deze tijd gevaar het grondbeginsel zelf uit het oog te verliezen. Tegenwoordig immers pleegt men in woord en geschrift (en dit doen ook enkele katholieken) de noodzakelijke autonomie, het eigen doel en de eigen waarden van de sexualiteit en de beleving er van te verdedigen, onafhankelijk van het doel, dat is het voortbrengen van nieuw leven. Men zou de orde zelf die door God is vastgesteld, aan een nieuw onderzoek en een nieuwe wet willen onderwerpen. Men zou in de wijze, waarop men aan de geslachtelijke neiging voldoet, geen andere beperking willen aanvaarden, dan het eerbiedigen van het wezen van de natuurlijke daad. Daardoor zou men de zedelijke plicht tot het beheersen van zijn hartstochten vervangen door de vrijheid om blind en onbeheerst de grillen en neigingen van de natuur te volgen; en dit moet vroeg of laat strekken tot nadeel van de moraal, het geweten en de menselijke waardigheid.

Had de natuur uitsluitend of althans op de eerste plaats beoogd een wederzijds zich geven van de echtgenoten en het bezitten van elkaar in vreugde en genieten, en had zij, die daad alleen maar gewild om het geluk van hun persoonlijke ervaring zo hoog mogelijk op te voeren en niet om hen te prikkelen tot de dienst van het leven, dan had de Schepper een ander plan gevolgd in de vorm en de structuur van de natuurlijke daad. Maar nu is die daad ten slotte geheel en al ondergeschikt aan en geordend tot die ene grote wet van de “generatio et educatio prolis” (de voortplanting en opvoeding van het kind), d.w.z. tot het verwezenlijken van het eerste doel van het huwelijk als oorsprong en bron van het leven.

Antichristelijke genotzucht
Helaas wordt de wereld onophoudelijk overstroomd door golven van genotzucht, die heel het huwelijksleven dreigen te verzwelgen in de wassende vloed van gedachten, verlangens en handelingen, met ernstig gevaar en groot nadeel voor de eerste taak van de echtgenoten.

Dikwijls schaamt men zich niet van deze antichristelijke genotzucht een leer te maken, waarbij men het verlangen inscherpt om bij de voorbereiding en de voltrekking van de huwelijksgemeenschap het genot steeds hoger op te voeren; alsof bij de huwelijksomgang heel de zedenwet slechts bestond in het juist stellen van de daad zelf, en alsof al het andere, hoe het ook gebeurt, gerechtvaardigd werd door het uiten van de wederzijdse liefde, geheiligd door het sacrament van het huwelijk, prijzenswaardig en verdienstelijk voor God en voor het geweten. Om de waardigheid van de mens en om die van de christen, die een beperking opleggen aan de uitwassen van de zinnelijkheid, bekommert men zich niet.

De eis van de christelijke zedenwet
Neen. De ernst en de heiligheid van de christelijke zedenwet laten niet toe, dat men onbeheerst de geslachtelijke neiging involgt en zo alleen naar voldoening en genot streeft. Zij veroorlooft aan de mens als redelijk wezen niet, zich zover te laten meeslepen, noch met betrekking tot het wezen, noch met betrekking tot de omstandigheden van de daad.

De wederzijdse eerbied in het huwelijk waarborg van echt geluk
Sommigen voeren als reden aan, dat het geluk in het huwelijk rechtstreeks evenredig is aan het wederzijds genot in de huwelijksomgang. Neen. Het geluk in het huwelijk integendeel rechtstreeks evenredig aan de wederzijdse eerbied tussen de echtgenoten, ook in hun intieme betrekkingen. Niet alsof zij hetgeen de natuur biedt en de Schepper geschonken heeft, onzedelijk achten en afwijzen maar omdat deze eerbied en de wederzijdse achting, die daaruit voortkomt, een van de sterkste elementen is van een zuivere liefde, een liefde, die daardoor des te inniger is.

Uw apostolaat voor de eer van het christelijk huwelijk
Verzet u in uw beroepswerkzaamheid, zoveel gij kunt, tegen het opdringen van deze verfijnde genotzucht, waaraan iedere geestelijke waarde ontbreekt en die daarom christelijke echtgenoten onwaardig is. Wijst er op, hoe de natuur weliswaar het spontaan verlangen heeft gegeven naar het genot en het goedkeurt in een wettig huwelijk, maar niet als doel op zich, doch uiteindelijk voor de dienst aan het leven. Verwijdert uit uw geest die cultus van het genot en doet uw best de verbreiding tegen te gaan van een literatuur, die meent de intimiteiten van het huwelijksleven in alle bijzonderheden te moeten beschrijven zogenaamd om de echtgenoten op de hoogte te brengen, te leiden en gerust te stellen. Om het nauwgezet geweten van echtgenoten gerust te stellen, is in het algemeen het gezond verstand, het natuurlijk aanvoelen en een korte onderrichting over de duidelijke en eenvoudige beginselen van de christelijke zedenwet voldoende. Als in bijzondere omstandigheden een verloofd meisje of een jonggehuwde vrouw uitvoeriger inlichtingen nodig heeft over een of ander speciaal punt, is het uw taak haar met fijne tact een nadere verklaring te geven in overeenstemming met de natuurwet en het gezond christelijke geweten.

Wat wij u hebben voorgehouden, heeft niets te maken met manichaeïsme of jansenisme, zoals sommigen willen doen voorkomen om zichzelf te rechtvaardigen. Het is slechts een verdediging van de eer van het christelijk huwelijk en van de persoonlijke waardigheid van de echtgenoten. Tot dit doel mee te werken is, vooral in onze tijd, een dringende plicht van uw beroepszending.

Slot
Hiermee zijn wij gekomen aan het einde van onze uiteenzetting. Uw beroep opent voor u een breed terrein van veelzijdig apostolaat; apostolaat, dat minder bestaat in woorden dan in daden en in het geven van leiding; apostolaat, dat gij slechts dan met succes kunt uitoefenen, als gij doordrongen zijt van het doel van uw zending en van de middelen om het te bereiken, en als gij bezield zijt met een vaste en besliste wil, steunend op een diepe godsdienstige overtuiging, die gedragen en versterkt wordt door het geloof en de christelijke liefde.

Terwijl wij over u de machtige hulp van Gods licht en Gods kracht afsmeken, geven wij u van harte als onderpand en waarborg van overvloedige hemelse genaden, onze apostolische zegen.

Noten
1. Verg. Gen. 1, 26-27
2. 2 Makk. 7, 22-23
3. Decr. H. Off. 2 Dec. 1940, A.A.S. 32, 553-554
4. Ex. 20,13
5. Verg. Ps. 126,3
6. Ps. 127, 3-4
7. Ps. 108, 13
8. Verg. Matt. 25, 21
9. Joh. 16,21
10. 1 Tim. 2, 15
11. Matt. 5, 7
12. Luk. 1, 38
13. Verg. Gal. 4, 4
14. Joh. 1, 14
15. Luk. 1, 31
16. A.A.S. 22, 1930, 559-562
17. Ibid. 564-565
18. Decr. H. Off. 22 febr. 1940, A.A.S. 32, 1940, 73.
19. Conc. Trid., Sess. 6, cap. 11 (Denz. 804); S. August., De natura et gratia, cap 43, n. 50 ; -ML 44,271.
20. Deze verklaring werd niet gepubliceerd; het decreet van het H. Officie van 1 april 1944 stemt er zakelijk mee overeen – verg. F. Hürth S.J., in Periodica 40 (1951) 424-425.
21. Can. 1013, § 1.
22. Decr. H. Off., 1 apr. 1944 (A.A.S. 36, 103)
23. Vgl. Gen. 1, 27.
24. Gen. 2, 24; Matt. 19, 5; Efes. 5, 31.
25. Vgl S. Thomas, Summa Theologica, III q. 29, a. 2; – Suppl. Q. 49, a. 2 ad 1.
26. Gen. 2, 24
27. A.A.S. 41, p 560
28. Matt. 19, 11.

Nederlandse vertaling uit het Italiaans van dr. Chr. Oomen CssR., Serie Ecclesia Docens 0191 Gooi & Sticht, Hilversum, 1952


Over kunstmatige bevruchting

Votre présence

Tot het vierde Internationale Congres van Katholieke artsen over kunstmatige bevruchting

Paus Pius XII
29 september 1949

Inleiding
Doel van deze toespraak

Uw aanwezigheid hier bij ons, dierbare zonen en dochters, houdt een diepe betekenis in, die ons een grote vreugde schenkt. Het feit, dat gij hier 30 verschillende naties vertegenwoordigt, ofschoon de kloof, die ontstond in de jaren vóór, gedurende en na de oorlog, nog lang niet overbrugd is; het feit, dat gij ons de verheven gedachten komt meedelen, waardoor gij bij uw besprekingen op medisch gebied wordt geleid; het feit eindelijk, dat gij op dit gebied niet alleen maar een beroep uitoefent, maar veeleer een waarachtige en verheven bediening van naastenliefde, dat alles is wel in staat om u een vaderlijke ontvangst onzerzijds te verzekeren. Behalve onze zegen verwacht gij van ons enkele woorden van raad met betrekking tot uw plichten. Wij zullen er ons toe beperken, u enkele korte gedachten te geven omtrent de verplichtingen, die de vooruitgang van de medische wetenschap, het schone en het edele van de beoefening van deze wetenschap en haar betrekkingen met de natuurlijke en christelijke zedenleer voor u meebrengen.

1. De christelijke medicus en de vooruitgang van de wetenschap
1.1. Moderne vooruitgang van de medische wetenschap

Sinds eeuwen, en vooral in onze tijd, ziet men de medische wetenschap voortdurend vorderingen maken. Deze vooruitgang is zeker veelzijdig en omvat de meest uiteenlopende takken van theorie en praktijk. Vooruitgang in de studie van het lichaam en het organisme, over heel het gebied van fysica, chemie en natuurkunde, in de kennis van de geneesmiddelen, van hun eigenschappen, van de manier ze te gebruiken; vooruitgang in de therapeutische toepassing niet alleen van de fysiologie, maar ook van de psychologie en van de onderlinge beïnvloeding van het fysieke en morele.

1.2 Het gebruik van de moderne resultaten en het zoeken naar nieuwe mogelijkheden
Om toch maar geen enkel voordeel van die vooruitgang ongebruikt te laten, is de medicus voortdurend bedacht op alle middelen om de kwalen en het lijden der mensen, zoal niet te genezen dan toch te verlichten. Als chirurg tracht hij de noodzakelijke operaties minder pijnlijk te maken; als gynaecoloog doet hij alle moeite, de pijnen van de bevalling te verzachten, zonder evenwel de gezondheid van moeder of kind in gevaar te brengen, zonder afbreuk te doen aan de gevoelens van moederlijke tederheid voor het pasgeboren kind. Als alleen reeds de geest van menselijkheid, de natuurlijke liefde voor zijn medemensen ieder gewetensvol medicus stimuleert en leidt bij zijn onderzoekingen, wat zal dan niet de christelijke geneesheer doen, die door goddelijke liefde gedrongen wordt om zich, met alle zorg en met opoffering zichzelf, te wijden aan het welzijn van hen, die hij terecht en volgens het geloof als zijn broeders beschouwt? Zeker, hij verheugt zich van ganser harte over de geweldige vooruit gang, die reeds plaats heeft gehad, over de resultaten, die zijn voorgangers reeds bereikten of die thans worden nagestreefd door zijn collega’s, met wie hij solidair is in de voortzetting van een prachtige traditie; en hij is terecht fier ook op zijn eigen aandeel hieraan. Toch voelt hij zich nooit voldaan; altijd ziet hij nieuwe etappen voor zich, die nog moeten worden afgelegd, nieuwe vorderingen, die nog moeten worden gemaakt. Hij werkt daaraan hartstochtelijk. Als medicus streeft hij er naar, de mensheid en iedere mens verlichting te schenken. Als geleerde smaakt hij bij de steeds nieuwe ontdekkingen met verrukking de “vreugde van het kennen”. Als gelovige en als christen weet hij in de nieuwe schoonheid, welke hij ontdekt, in de nieuwe horizonten, die zich eindeloos voor hem openen, de grootheid en de macht van de Schepper te zien, de onuitputtelijke goedheid van de Vader, die in het levend organisme zoveel krachten legde om zich te ontwikkelen, zich te verdedigen en, in de meeste gevallen, zichzelf te genezen, en hem ook nog in de levenloze of levende, in de minerale, plantaardige en dierlijke natuur de geneesmiddelen doet vinden voor de ziekten van het lichaam.

1.3 De christelijke zin van de medicus
De medicus zou niet volledig aan het ideaal van zijn roeping beantwoorden als hij, profiterend van de nieuwste vorderingen van wetenschap en geneeskunde, in zijn praktijk alleen maar zijn vernuft en bekwaamheid gebruikte, zonder daarbij ook – wij zouden willen zeggen: vooral – zijn menselijk hart, zijn fijngevoelige liefde als christen te laten spreken. Hij werkt niet “in anima vili” (op een laagstaand wezen); hij behandelt wel rechtstreeks het lichaam, maar het lichaam, bezield door een onsterfelijke, geestelijke ziel; en krachtens de geheimvolle maar onverbreekbare band tussen het fysieke en het zedelijke, kan hij niet doeltreffend op het lichaam inwerken, als hij niet tevens inwerkt op de geest.

1.4 Misbruik van de moderne wetenschap
Hetzij de christelijke medicus zich bezig houdt met het lichaam of met de gehele mens, hij moet zich steeds wachten voor de betovering van de techniek, voor de verleiding om zijn weten en zijn kunnen te gebruiken voor andere doeleinden dan voor het welzijn van zijn patiënten. Goddank hoeft hij zich nooit te verweren tegen een andere bekoring, die misdadig is, nl. om de weldaden, die God in de natuur heeft verborgen, te gebruiken voor lage belangen, voor niet te noemen hartstochten en onmenselijke aanslagen. Wij behoeven helaas niet ver te zoeken en ver terug te gaan om concrete gevallen van zulk een afschuwelijk misbruik te vinden. De splitsing van het atoom en de voortbrenging van atoomenergie is bijvoorbeeld heel iets anders dan het vernielend gebruik ervan buiten iedere controle om. De schitterende vooruitgang van de moderne luchtvaarttechniek is heel iets anders dan het massaal gebruik van eskaders bommenwerpers, waarbij men hun actie onmogelijk kan beperken tot militaire en strategische doelen. En vooral, een eerbiedig zoeken om de schoonheid van God te onthullen in de spiegel van Zijn werken en Zijn macht in de krachten van de natuur, is heel iets anders dan de verafgoding van die natuur en van die materiële krachten door de ontkenning van haar Schepper.

1.5 Het goede gebruik van de moderne wetenschap
Wat doet daarentegen de medicus, die zijn roeping waardig is? Hij grijpt diezelfde krachten, die eigenschappen van de natuur aan om daardoor genezing, gezondheid en levenskrachten te schenken en dikwijs wat nog meer waard is, om ziekten, besmetting of epidemieën te voorkomen. Onder zijn handen wordt de geweldige macht van de radio-activiteit opgevangen en aangewend tot genezing van kwalen, die op geen enkele andere behandeling reageren; de eigenschappen van het zwaarste vergif dienen voor het bereiden van doeltreffende geneesmiddelen; de gevaarlijkste infectiekiemen worden op allerlei manieren gebruikt bij de serotherapie en de vaccinatie.

1.6 De eisen van de natuurlijke en christelijke zedenleer
Ten slotte handhaaft de natuurlijke en christelijke zedenleer overal haar onvervreemdbare rechten. Hieruit, en niet uit overwegingen van gevoeligheid en van materialistische en naturalistische filantropie vloeien de essentiële beginselen van de medische plichtenleer voort: de waardigheid van het menselijk lichaam, de voortreffelijkheid van de ziel boven het lichaam, de verbondenheid van alle mensen, het soevereine recht van God op het leven en op de bestemming daarvan.


2. Zedelijke waardering van de kunstmatige bevruchting
Wij hebben reeds vaak gelegenheid gehad, een aantal speciale punten te bespreken met betrekking tot de medische moraal. Maar er is een kwestie, die thans op de voorgrond treedt en die even dringend als andere kwesties het licht van de katholieke zedenleer nodig heeft, het vraagstuk van de kunstmatige bevruchting. Wij mogen deze gelegenheid niet laten voorbijgaan, zonder in het kort en in grote lijnen het zedelijk oordeel te geven, dat in deze materie geldt.

2.1 Men moet rekening houden met moraal en recht
Waar het gaat over de mens, mag de praktijk van de kunstmatige bevruchting noch uitsluitend noch zelfs hoofdzakelijk beschouwd worden vanuit biologisch en medisch oogpunt zonder rekening te houden met moraal en recht.

2.2 Kunstmatige bevruchting buiten het huwelijk
De kunstmatige bevruchting buiten het huwelijk moet eenvoudig en zonder meer als immoreel verworpen worden.

De natuurwet en de positieve goddelijke wet bepalen immers, dat het voortbrengen van nieuw leven slechts de vrucht kan zijn van het huwelijk. Alleen het huwelijk waarborgt de waardigheid van de gehuwden (in dit geval vooral van de vrouw), hun persoonlijk goed. Krachtens zijn aard voorziet alleen het huwelijk in het welzijn en de opvoeding van het kind.

Bijgevolg is er onder katholieken omtrent de veroordeling van kunstmatige bevruchting buiten het huwelijk geen verschil van mening mogelijk. Het kind, dat onder die omstandigheden ontvangen wordt, zou door het feit zelf onwettig zijn.

2.3 Kunstmatige bevruchting in het huwelijk door het actieve element van een derde
De kunstmatige bevruchting in het huwelijk maar bewerkt door het actieve element van een derde, is eveneens immoreel en als zodanig onherroepelijk te verwerpen.

Alleen de echtgenoten hebben een wederzijds recht op elkanders lichaam om nieuw leven voort te brengen, en wel een uitsluitend, onoverdraagbaar en onvervreemdbaar recht. En dat moet zo zijn, ook omwille van het kind. Aan ieder, die het leven schenkt aan een kind, legt de natuur krachtens deze band zelf de plicht op, het te verzorgen en op te voeden. Maar tussen de wettige echtgenoot en het kind, dat de vrucht is van het actief element van een derde (ook al stemt de echtgenoot hierin toe), bestaat geen enkele morele en juridische band van echtelijke procreatie.

2.4 Kunstmatige bevruchting in het huwelijk in het algemeen
Wat nu de geoorloofdheid betreft van de kunstmatige bevruchting in het huwelijk, mogen wij voor het ogenblik volstaan met te wijzen op de volgende beginselen van het natuurrecht: het feit alleen, dat het beoogde resultaat langs deze weg wordt bereikt, rechtvaardigt nog niet het gebruik van het middel zelf; ook is het op zichzelf zeer gewettigde verlangen der gehuwden naar een kind niet voldoende om de rechtmatigheid te bewijzen van de toepassing der kunstmatige bevruchting, waardoor dit verlangen verwezenlijkt zou worden.

Het zou verkeerd zijn te menen, dat de mogelijkheid om dit middel te gebruiken een huwelijk geldig zou kunnen maken tussen personen, die vanwege het impedimenten impotentiae (het beletsel van geslachtelijk onvermogen) niet in staat zijn een huwelijk aan te gaan.

Van de andere kant is het overbodig op te merken, dat het actieve element nooit geoorloofd verkregen kan worden door handelingen tegen de natuur.

Ofschoon men nieuwe methoden niet a-priori mag uitsluiten alleen omdat ze nieuw zijn, is er toch, wat de kunstmatige bevruchting betreft, niet alleen reden om uiterst gereserveerd te zijn, maar men moet haar volstrekt afwijzen. Hierdoor sluiten wij niet noodzakelijk het gebruik uit van bepaalde kunstmatige middelen, die alleen dienen ofwel om de natuurlijke daad te vergemakkelijken ofwel om de natuurlijke daad, die op normale wijze gesteld is, haar doel te doen bereiken.

Men vergete niet: alleen het voortbrengen van nieuw leven, volgens de wil en het plan van de Schepper, brengt in een wonderlijke graad van volmaaktheid de verwezenlijking met zich van de nagestreefde doeleinden. Zij is in overeenstemming zowel met de lichamelijke en geestelijke natuur en de waardigheid van de echtgenoten, als met een normale en gelukkige ontwikkeling van het kind.

3. Slot en zegen
Uw oprecht godsdienstige geest en uw geste van dit ogenblik, beminde zonen en dochters, staan borg voor uw onwrikbare trouw aan al uw plichten als katholieke medici, borg ook voor uw wil om door uw voorbeeld en invloed, de beginselen, die uzelf bezielen, te bevorderen onder uw collega’s en uw leerlingen, onder uw patiënten en hun gezinnen. En met dit vertrouwen schenken wij met al de vaderlijke liefde van ons hart aan u en aan al degenen, die gij hier vertegenwoordigt, aan uw gezinnen en aan allen, die u dierbaar zijn, onze apostolische zegen.

© 1956, Ecclesia Docens 0758, uitg. Gooi & Sticht, Hilversum