Boodschap ter gelegenheid van de 34e Werelddag van de Zieken (11 februari 2026)
Paus Leo XIV
Geliefde broeders en zusters,
De vierendertigste Werelddag van de Zieken zal op 11 februari 2026 wereldwijd worden gevierd, met een plechtige hoofdviering in Chiclayo, Peru. Voor deze gelegenheid nodig ik uit om opnieuw stil te staan bij de figuur van de barmhartige Samaritaan. Hij blijft een blijvend actuele en wezenlijke gestalte om de schoonheid van de naastenliefde en de sociale dimensie van mededogen te herontdekken. Deze reflectie richt onze aandacht ook op de behoeftigen en op allen die lijden, in het bijzonder op de zieken.
Wij kennen het aangrijpende verhaal uit het Evangelie volgens Lucas (Lc 10, 25-37). Jezus antwoordt aan een wetgeleerde die Hem vraagt wie de naaste is die hij moet liefhebben: een man die van Jeruzalem naar Jericho reisde, werd door rovers overvallen en voor dood achtergelaten. Terwijl een priester en een leviet hem voorbijgingen, kreeg een Samaritaan medelijden. Hij verbond zijn wonden, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem. Ik heb ervoor gekozen dit Bijbelgedeelte te overwegen in het licht van de encycliek Fratelli tutti, geschreven door mijn geliefde voorganger paus Franciscus. Daar worden mededogen en barmhartigheid tegenover mensen in nood niet herleid tot een louter individuele inzet, maar beleefd binnen relaties: met broeders en zusters die hulp nodig hebben, met hen die voor hen zorgen en uiteindelijk met God, die ons zijn liefde schenkt.
1. Het geschenk van de ontmoeting: de vreugde van nabijheid en aanwezigheid
Wij leven in een cultuur van snelheid, onmiddellijkheid en haast – een cultuur van wegwerpen en onverschilligheid die ons verhindert onderweg halt te houden en werkelijk nabij te komen om het lijden en de noden rondom ons te zien. In de gelijkenis ging de Samaritaan, toen hij de gewonde man zag, niet voorbij. Hij keek hem aan met een open en aandachtige blik – de blik van Jezus zelf – en die blik bracht hem ertoe te handelen met menselijke en meevoelende nabijheid. De Samaritaan “bleef staan, ging naar de man toe en verzorgde hem persoonlijk, waarbij hij zelfs zijn eigen geld gebruikte om in zijn noden te voorzien… Bovenal schonk hij hem zijn tijd.” [: Franciscus, Encycliek Fratelli tutti (3 oktober 2020), 63.]
Jezus leert ons hiermee niet alleen wie onze naaste is, maar hoe wij zelf een naaste kunnen worden, dat wil zeggen hoe wij ons tot anderen kunnen wenden. [: Vgl. Fratelli tutti, 80-82.] In die zin kunnen wij met Augustinus zeggen dat de Heer niet wilde tonen wie de naaste van die man was, maar voor wie hijzelf een naaste moest worden. Niemand is werkelijk een naaste zolang hij zich niet uit vrije wil tot de ander wendt. Degene die een naaste werd, was degene die barmhartigheid toonde. [: Vgl. Augustinus, Sermo 171, 2; 179/A, 7.]
Liefde is geen passieve houding; zij gaat de ander tegemoet. Naaste zijn wordt niet bepaald door fysieke of sociale nabijheid, maar door de keuze om lief te hebben. Daarom worden christenen naasten van wie lijdt, naar het voorbeeld van Christus, de ware goddelijke Samaritaan die zich heeft verbonden met de gewonde mensheid. Dit zijn geen louter filantropische gebaren, maar tekenen waaruit blijkt dat persoonlijke deelname aan het lijden van de ander ook de gave van zichzelf inhoudt. Het betekent verder gaan dan het enkel vervullen van noden, zodat onze hele persoon deel wordt van het geschenk. [: Vgl. Benedictus XVI, Encycliek Deus Caritas Est (25 december 2005), 34; Johannes Paulus II, Apostolische brief Salvifici Doloris (11 februari 1984), 28.] Deze vorm van naastenliefde wordt noodzakelijk gevoed door de ontmoeting met Christus, die zich uit liefde voor ons heeft gegeven. Franciscus van Assisi heeft dit treffend verwoord toen hij over zijn ontmoeting met melaatsen zei: “De Heer zelf leidde mij onder hen,” [: Franciscus van Assisi, Testament, 2: Fonti Francescane, 110.] omdat hij door hen de zoete vreugde van de liefde had leren kennen.
Het geschenk van de ontmoeting vloeit voort uit onze eenheid met Jezus Christus. Wij erkennen Hem als de barmhartige Samaritaan die ons het eeuwige heil heeft gebracht, en wij maken Hem aanwezig telkens wanneer wij ons uitstrekken naar een gewonde broeder of zuster. Ambrosius zei: “Aangezien niemand meer werkelijk onze naaste is dan Hij die onze wonden heeft genezen, laten wij Hem liefhebben als Heer en ook als naaste; want niets is zo nabij als het hoofd bij de leden. Laten wij ook hen liefhebben die Christus navolgen; laten wij hen liefhebben die lijden door de armoede van anderen, omwille van de eenheid van het Lichaam.” [: Ambrosius, Expositio Evangelii secundum Lucam, VII, 84.] ‘Eén zijn in de Ene’ – door nabijheid, aanwezigheid en ontvangen en gedeelde liefde – betekent vreugde vinden in de zoetheid van de ontmoeting met de Heer.
2. De gedeelde zending van zorg voor de zieken
Lucas vervolgt dat de Samaritaan “met ontferming bewogen werd”. Mededogen veronderstelt hier een diepe innerlijke beweging die aanzet tot handelen. Het is een gevoel dat van binnenuit opwelt en leidt tot een geëngageerd antwoord op het lijden van de ander. In deze gelijkenis is mededogen het kenmerk van actieve liefde: het blijft niet theoretisch of sentimenteel, maar krijgt gestalte in concrete daden. De Samaritaan kwam nabij, verzorgde de wonden, nam verantwoordelijkheid en verleende zorg.
Opmerkelijk is dat hij dit niet alleen deed: “De Samaritaan vond een herbergier die voor de man zou zorgen; ook wij zijn geroepen ons te verenigen als één familie die sterker is dan de optelsom van afzonderlijke individuen.”[: Franciscus, Fratelli tutti, 78.] In mijn ervaring als missionaris en bisschop in Peru heb ik velen ontmoet die barmhartigheid en mededogen tonen in de geest van de Samaritaan en de herbergier. Familieleden, buren, zorgverleners, mensen die betrokken zijn bij de pastorale zorg voor zieken en vele anderen blijven onderweg staan om nabij te komen, te genezen, te ondersteunen en te begeleiden. Door te geven wat zij hebben, geven zij aan het mededogen een sociale dimensie. Deze ervaring, die zich afspeelt binnen een netwerk van relaties, overstijgt een louter individuele inzet.
Daarom heb ik in de apostolische exhortatie Dilexi Te de zorg voor de zieken niet enkel een “belangrijk onderdeel” van de zending van de Kerk genoemd, maar een echte “kerkelijke daad” (nr. 49). Ik citeerde Cyprianus om te tonen hoe deze dimensie een maatstaf vormt voor de gezondheid van een samenleving: “Deze pest en ziekte, hoe afschuwelijk en dodelijk zij ook lijken, toetsen de gerechtigheid van ieder en onderzoeken de gezindheid van het menselijk geslacht: of de gezonden de zieken dienen, of verwanten elkaar oprecht liefhebben, of meesters medelijden hebben met hun zieke dienaren, of artsen de zieken die om hulp smeken niet verlaten.” [: Cyprianus, De mortalitate, 16.]
‘Eén zijn in de Ene’ betekent werkelijk erkennen dat wij leden zijn van één Lichaam dat het mededogen van de Heer brengt tot het lijden van alle mensen, ieder volgens zijn eigen roeping. [: Vgl. Johannes Paulus II, Salvifici Doloris, 24.] Het lijden dat ons tot mededogen beweegt, is bovendien niet het lijden van een vreemde, maar dat van een lid van ons eigen Lichaam, aan wie Christus, ons Hoofd, ons opdraagt zorg te verlenen, ten bate van allen. In die zin wordt onze dienst vereenzelvigd met het lijden van Christus zelf en draagt zij, wanneer zij in christelijke geest wordt aangeboden, bij tot de vervulling van het gebed van de Verlosser om de eenheid van allen. [: Vgl. Salvifici Doloris, 31.]
3. Altijd gedragen door de liefde tot God, onszelf en de naaste ontmoeten
In het dubbele gebod – “U zult de Heer, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf” (Lc 10,27) – erkennen wij het primaat van de liefde tot God en de rechtstreekse gevolgen daarvan voor elke dimensie van menselijke liefde en relaties. “De liefde tot de naaste is het tastbare bewijs van de echtheid van onze liefde tot God,” zoals de apostel Johannes getuigt: “Niemand heeft ooit God gezien; als wij elkaar liefhebben, blijft God in ons en is zijn liefde in ons tot voltooiing gekomen… God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem” (1 Joh 4,12.16). [: Apostolische exhortatie Dilexi Te (4 oktober 2025), 26.] Hoewel het voorwerp van deze liefde verschilt – God, de naaste en zichzelf – en als onderscheiden uitdrukkingen kan worden verstaan, blijven zij in wezen onverbrekelijk met elkaar verbonden. [: Vgl. Dilexi Te, ibid.]
Het primaat van de goddelijke liefde houdt in dat menselijk handelen niet wordt ingegeven door eigenbelang of beloning, maar door een liefde die rituele normen overstijgt en tot uitdrukking komt in ware eredienst. De naaste dienen betekent God liefhebben met daden. [: Vgl. Franciscus, Fratelli tutti, 79.]
Dit perspectief helpt ons ook de ware betekenis van zelfliefde te verstaan. Het betekent afstand doen van elke poging om onze eigenwaarde of waardigheid te baseren op wereldse stereotypen – zoals succes, carrière, status of afkomst [: Vgl. Fratelli tutti, 101.] – en onze juiste plaats terugvinden voor God en de naaste. Benedictus XVI merkte op: “Als geestelijk wezen wordt de mens bepaald door zijn relaties. Hoe authentieker hij deze relaties beleeft, des te meer rijpt zijn persoonlijke identiteit. Niet door isolatie vestigt de mens zijn waarde, maar door zich in relatie te plaatsen met anderen en met God.” [: Benedictus XVI, Encycliek Caritas in Veritate (29 juni 2009), 53.]
Geliefde broeders en zusters, “het ware geneesmiddel voor de wonden van de mensheid is een levensstijl die gegrondvest is op broederlijke liefde, met haar wortel in de liefde tot God.” [: Franciscus, Boodschap aan de deelnemers aan de 33e Internationale Jongerenbijeenkomst (MLADIFEST), Medjugorje, 1-6 augustus 2022 (16 juli 2022)] Ik hoop oprecht dat onze christelijke levensstijl altijd deze broederlijke, ‘Samaritaanse’ geest zal weerspiegelen: een geest die gastvrij, toegewijd en ondersteunend is, geworteld in onze eenheid met God en ons geloof in Jezus Christus. Door deze goddelijke liefde bezield, zullen wij onszelf kunnen schenken voor het welzijn van allen die lijden, in het bijzonder van onze broeders en zusters die ziek, oud of gekweld zijn.
Laten wij onze gebeden richten tot de Heilige Maagd Maria, troost van de zieken, en haar vragen allen bij te staan die lijden en nood hebben aan mededogen, troost en een luisterend oor. Laten wij haar voorspraak afsmeken met dit oude gebed, dat in gezinnen wordt gebeden voor wie leeft met ziekte en pijn:
Lieve Moeder,
wijk niet van mij.
Wend uw ogen niet van mij af.
Ga met mij mee op elk moment
en laat mij nooit alleen.
U die mij altijd beschermt
als een ware Moeder,
verkrijg voor mij de zegen
van de Vader,
de Zoon
en de heilige Geest.
Van harte verleen ik mijn apostolische zegen aan allen die ziek zijn, aan hun families en aan allen die voor hen zorgen – zorgverleners en pastorale medewerkers – en in het bijzonder aan allen die deelnemen aan deze Werelddag van de Zieken.
Vanuit het Vaticaan, 13 januari 2026

