Het gesprek over abortus is een spiegel van ons mensbeeld

Katholiek Nieuwsblad, 12 november 2025
door Roy Harmanus, theoloog en pianodocent

Het maatschappelijke gesprek over abortus gaat vooral over rechten, keuzes en omstandigheden. Maar in de kern gaat het over de vraag: wat is een mens? Het wordt tijd om tot die kern door te dringen.

Deze week vindt de jaarlijkse Week van het Leven plaats, waarin landelijk wordt stilgestaan bij de waarde van het ongeboren leven. Achter die oproep schuilt meer dan een maatschappelijke campagne: het is een uitnodiging voor ons allen tot bezinning op wat leven en mens-zijn eigenlijk betekenen.

In een tijd waarin autonomie, medische mogelijkheden en persoonlijke keuzes centraal staan, raakt dit thema aan de diepste morele vragen van onze cultuur. Wat zegt onze houding tegenover het ongeboren leven over ons eigen mensbeeld, onze waarden en onze visie op waardigheid? Abortus raakt aan de kern van wie we zijn.

Nieuw genetisch geheel

In het publieke debat praten we zelden over die kern. We spreken over rechten, keuzes en omstandigheden, maar minder over de vraag die daaronder ligt: wat is de mens? Wanneer het ongeboren leven geen mens of persoon is, lijkt abortus moreel geen probleem. Wanneer het dat wél is, moet men zich afvragen of het beëindigen van dat leven te rechtvaardigen valt.

Veel biologen wijzen erop dat bij de bevruchting, wanneer de celkernen van de sperma- en eicel versmelten, een nieuw genetisch geheel ontstaat, met alle vermogens in aanleg. Dit unieke DNA-profiel is te onderscheiden van het DNA van moeder en vader. Vanaf dat moment is er sprake van een uniek mensenleven dat, juist om die uniciteit, bescherming verdient.

Toch is daarmee het gesprek nog niet ten einde. Voor sommigen staan de omstandigheden of de vrijheid van keuze centraal. Anderen vragen zich af waar de grens ligt tussen menselijk leven en persoon-zijn. Drie benaderingen keren daarbij telkens terug:

1. Wanneer omstandigheden allesbepalend lijken

Veel gesprekken gaan vooral om omstandigheden. Wie luistert naar vrouwen die voor een onmogelijke keuze staan, voelt het gewicht van verdriet, angst en onzekerheid. Hun verhalen verdienen begrip en nabijheid, geen veroordeling.

Maar de pijn van de situatie verandert niet de morele aard van de handeling wanneer we erkennen dat het om menselijk leven gaat. In andere situaties accepteren we dat principe zonder moeite: men rechtvaardigt het doden van een onschuldige volwassene niet omdat de situatie schrijnend is. Nood vraagt om hulp en compassie, maar biedt uiteindelijk geen morele rechtvaardiging.

2. Wanneer mens-zijn voorwaardelijk wordt

Anderen vinden dat de foetus geen mens of persoon is, omdat er geen sprake is van zelfbewustzijn, rationaliteit, hartslag of zelfstandigheid. Maar als we deze grenzen hanteren, plaatsen we ook pasgeborenen, comapatiënten of mensen met een tijdelijke hartstilstand buiten bescherming. De lijn wordt dan willekeurig.

Persoon-zijn is niet iets wat we worden, maar iets wat we zijn, niet bepaald door functies of zelfstandigheid, maar door ‘wat’ iemand is. Een gangbare definitie van persoon is: een individu dat tot een rationele soort behoort, ongeacht zijn ontwikkelingsfase. De foetus is dan geen ander soort wezen, maar een menselijke persoon in ontwikkeling.

De verschillen tussen embryo, kind en volwassene in grootte, leeftijd of afhankelijkheid veranderen niet het ‘wezen’ van de mens. Om die redenen kunnen de verschillen moreel gezien niet doorslaggevend zijn.

3. Wanneer autonomie botst met verantwoordelijkheid

Anderen erkennen dat de foetus een menselijke persoon is, maar stellen dat een vrouw niet verplicht is haar lichaam beschikbaar te stellen aan een ander. De vergelijking met orgaandonatie klinkt al snel: niemand is verplicht een nier af te staan om een ander te redden.

Dat verlangen naar autonomie is begrijpelijk. Vrijheid over je lichaam is een groot goed. Tegelijk roept het een diepere vraag op: waar begint onze verantwoordelijkheid tegenover het leven van een ander?

Er is een wezenlijk verschil met orgaandonatie waardoor de analogie niet werkt. Zwangerschap is geen medische ingreep, maar het natuurlijke gevolg van een handeling die tot nieuw leven heeft geleid. Waar men de oorzaak is van het bestaan van een ander, ontstaat een unieke verantwoordelijkheid. Ook is abortus geen ‘nalaten’ zoals het weigeren van een orgaan, maar een actieve daad die het leven van het kind beëindigt.

Daarnaast is de baarmoeder geen willekeurige bron van hulp, maar een natuurlijk orgaan dat precies op deze functie gericht is. De afhankelijkheid van het kind van de baarmoeder vermindert zijn morele status niet, net zoals een pasgeborene afhankelijk is van zorg en voeding. Het gaat dan niet langer over ‘mijn lichaam, mijn keuze’, maar ‘gedeelde verantwoordelijkheid’.

Willekeur

Uiteindelijk raakt de discussie over abortus niet alleen aan politieke overtuigingen of zelfbeschikking, maar aan ons mensbeeld. Geloven we dat elk mens, ongeacht ontwikkelingsfase of functie, dezelfde waardigheid bezit? Dat waardigheid een gegeven is, geen verdienste?

Als waardigheid afhankelijk wordt van autonomie of keuze, verliezen juist de meest afhankelijke mensen hun bescherming. Als rechten afhangen van welke eigenschappen mensen wel of niet bezitten, riskeren we morele willekeur. En waar de waarde van de één wordt ondermijnd, wordt de waardigheid van allen aangetast.

Echte dialoog

Alleen wanneer we de kernvraag naar wat de mens is zorgvuldig en open durven bespreken, krijgt het gesprek richting. Hoe we daarover spreken, bepaalt of onze woorden verbinden of verdelen. Echte dialoog wortelt in genade en compassie, en ziet in de ander geen tegenstander maar een medemens.

Zij kenmerkt zich door onbevangen luisteren en empathie, maar ook door aandacht voor eerlijkheid en helderheid in taal en redeneringen. Want onuitgesproken vaagheid is vaak de oorsprong van ons onbegrip. Daarom is het belangrijk dat we de kernvraag – wat de ongeborene is – in het vizier blijven houden. Zo zorgen we ervoor dat we niet langs elkaar praten.

Vanuit deze benadering wordt duidelijk dat empathisch luisteren en eerlijk redeneren elkaar niet tegenspreken. Ze scheppen juist ruimte voor begrip, zelfs bij blijvend verschil. Alleen dan kan polarisatie wijken voor werkelijk verstaan: een verstaan dat niet stopt bij verschil, maar zich verdiept in wat ons ten diepste tot mens maakt.

Overgenomen met toestemming van Katholiek Nieuwsblad.
image_pdfimage_print