Hoofdstuk VII: Wetgevingsproces inzake experimenten met embryo’s

3. Eerste wetsvoorstel
Pas op 4 februari 1993 bood de regering een voorstel van wet aan. Het heette: Wijziging van de Wet inzake medische experimenten in verband met regels inzake handelingen met menselijke embryo’s en geslachtscellen. (5) Het bijzondere van dit voorstel was dat het aanhaakte aan een ander aan de Kamer reeds aangeboden voorstel, namelijk de Wet inzake medische experimenten. (6) De bedoeling was de twee, nadat zij het hele wetgevingstraject zouden hebben doorlopen, tot één geheel samen te voegen. Die vlieger ging niet op: de Kamer wenste een spoedige totstandkoming van de Wet inzake medische experimenten en wilde zich niet laten ophouden door een uiterst controversieel aanhangsel als een wet inzake het experimenteren met embryo’s. Het Voorlopig Verslag inzake de wet 22 588 verscheen op 2 oktober 1992 en op 12 januari 1996 werd de Memorie van Antwoord aan de Kamer aangeboden.

Het bovengenoemde eerste wetsvoorstel was ook nog in een ander opzicht merkwaardig: het bevatte slechts een verbod op het verrichten van een aantal griezelige handelingen (daarop komen wij nog terug) en een bepaling (daarop kwam het aan) welke de mogelijkheid opende voor een verbod gedurende twee jaren (eventueel te verlengen met eenzelfde termijn) wetenschappelijk onderzoek te verrichten met door in vitro fertilisatie tot stand gebrachte embryo’s (moratorium).

4. Tweede wetsvoorstel. Gesprekken tussen regering en beroepsgroep
Dit eerste wetsvoorstel werd gevolgd door een brief van de regering aan de Kamer van 11 februari 1994. (7) Daarin wordt verwezen naar de memorie van toelichting op het eerste wetsvoorstel en het daarin geuite voornemen van de regering tot overleg met “de beroepsgroep” en de wetenschappelijke onderzoekers (8) over de totstandkoming van een voorlopige stop op wetenschappelijk onderzoek met embryo’s.

Voorts wordt in die brief medegedeeld dat in 1993 een aantal gesprekken had plaatsgevonden waarbij over de inhoud van een definitieve regeling voor onderzoek met embryo’s en voor bepaalde onderzoekstoepassingen overleg was gepleegd.

In die brief geeft de regering tevens aan dat zij voornemens is aan de Raad van State ter advisering een nieuw (tweede) wetsvoorstel voor te leggen met regels inzake handelingen met menselijke geslachtscellen en embryo’s en inzake wetenschappelijk onderzoek met embryo’s. De regering wees erop dat zij met dit tweede voorstel beoogde tot een definitieve regeling te geraken. Het eerste door haar ingediende voorstel zou dan komen te vervallen.

5. Hoofdlijnen van het tweede voorstel (9)
Art. 1 omschrijft het embryo als het resultaat van samensmelting van menselijke geslachtscellen tot het moment van de geboorte.

In art. 2 wordt een groot aantal handelingen verboden. Het gaat hier om het maken van klonen, hybriden, mens-menschimères en mens-dierchimeres, het brengen van een menselijk embryo in het lichaam van een dier, het plaatsen van een dierlijk embryo in het lichaam van een mens, om kiembaanmanipulatie (het opzettelijk wijzigen van het genetisch matenaal van de kiembaancellen van een embryo), een embryo te doen ontstaan door samensmelting van geslachtscellen waarvan het genetisch materiaal opzettelijk is gewijzigd, het opzettelijk tot stand brengen van een polyploïd embryo (meer dan een zaadcel is de eicel binnengedrongen), en een polyploïd embryo opzettelijk gebruiken voor het doen ontstaan van een zwangerschap.

In art. 3 wordt het doen ontstaan van een embryo uitsluitend voor wetenschappelijk onderzoek verboden. Tevens wordt ontoelaatbaar verklaard een levend embryo buiten het menselijk lichaam dat zich langer dan veertien dagen heeft ontwikkeld, voor onderzoek of anderszins te gebruiken.

Art. 4 verbiedt onder meer preïmplantatiediagnostiek te verrichten bij een levend embryo. Een uitzondering werd echter gemaakt (onder meer) voor het geval het zou gaan om voorkoming van erfelijke aandoeningen met een hoog risico van herhaling binnen het gezin of de familie die zo ernstig zijn dat het kind aan de gevolgen van deze aandoemng op jeugdige leeftijd zou overlijden.

In art. 6 worden regels voorgesteld voor wetenschappelijk onderzoek met een embryo. Zulk onderzoek zou worden onderworpen aan het toeZicht van een commissie die slechts in beperkte mate een positief oordeel over een voorstel zou mogen geven: het zou moeten gaan om een polyploïd embryo en het onderzoek zou moeten zijn gericht op de toepassing en verbetering van in vitro fertilisatie of op de ontwikkeling (enz.) van preïmplantatiediagnostiek als bedoeld in art. 4; verder zou het onderzoek moeten leiden tot de vaststelling van nieuwe inzichten inzake onderzoeks- en behandelingsmethoden gericht op een gezonde ontwikkeling van het embryo en het tot stand komen van de beoogde zwangerschap.

Alles bijeengenomen ging het hier dus om een buitengewoon terughoudend wetsvoorstel.

Nadat de Raad van State over dit voorstel op 26 september 1994 aan de Koningin advies had uitgebracht (zie noot 9) besloot het inmiddels aangetreden paarse kabinet Kok van indiening van het voorstel bij de Kamer af te zien.

image_pdfimage_print