Hoofdstuk VII: Wetgevingsproces inzake experimenten met embryo’s

6. Vragen uit de Kamer
Bij brief van 28 april 1994 beantwoordde de regering een aan haar overhandigde lijst met vragen waaraan het volgende (zakelijk weergegeven) wordt ontleend. Men lette erop dat het wetsvoorstel in dit stadium berustte bij de Raad van State en dus nog niet aan de Kamer was aangeboden.

a. Preimplantatiediagnostiek
Een aanta1 vragen had betrekking op preïmplantatiediagnostiek (PID). Aanvankelijk wilde de regering die niet toestaan. Waarom nu wel? (vr 1). Het antwoord was dat alleen onderzoek met embryo’s zou worden toegestaan waarbij het embryo niet beschadigd zou worden. Hieraan werd toegevoegd dat in de eerste fase van het wetenschappelijk onderzoek ter ontwikkeling van PID naar alle waarschijnlijkheid embryo’s “teloor” zouden moeten gaan en dat in het nieuwe wetsontwerp onderzoek alleen zou worden toegestaan waarbij het embryo niet zou worden beschadigd. Als uitzondering zouden echter gelden handelingen met polyploïde embryo’s voorzover gericht op verbetering van IVF en PID. Ook werd gevraagd (vr 5) of de toepassing van PID in gevallen van erfelijke aandoeningen niet een zeer ruime interpretatie van de onderzoeker zou meebrengen en of de regering zich voorstelt meer heldere en concrete richtlijnen te formuleren. De regering wees erop dat in het wetsvoorstel werd uitgegaan van een verbod en dat uitzonderingen aan strikte voorwaarden zouden worden verbonden.

b. Beroepsgroep en Academisch Ziekenhuis Maastricht
In verband met PID werd voorts geïnformeerd naar het resultaat van het overleg met de beroepsgroep en naar de opstelling terzake van het Academisch Ziekenhuis Maastricht (vr 6 en 7). De regering beriep zich op de grote terughoudendhetd van de beroepsgroep en de wetenschappelijke onderzoekers en gaf aan dat het AZM – voorzover de regering bekend – inzake PID handelt in overeenstemming met de voorwaarden in het wetsvoorstel.

Hoe is het mogelijk – zo werd ook nog gevraagd – dat al sprake is van handelingen en wetenschappelijk onderzoek met embryo’s voordat de wetgever zich in finale zin heeft uitgesproken? (vr 10). Het antwoord was dat zolang er geen wettelijke regeling is, handelingen en onderzoek niet aan specifieke daarvoor geldende regels zijn gebonden en dat eventueel alsnog een tijdelijke stop van kracht zou kunnen worden.

7. Nader rapport aan de Koningin
Het spoor van het wetgevingsproces verder volgende, vragen wij nu aandacht voor hetgeen daarin tot nog toe is verricht na het aantreden in 1994 van het kabinet Kok. In haar nader rapport aan de Koningin (zulk een rapport pleegt te volgen op een door de Raad van State uitgebracht advies) deelde de regering mede dat zij zich nader had beraden over de beide wetsvoorstellen en daarbij tot de conclusie was gekomen dat voor de regelgeving met betrekking tot embryo’s in een aantal opzichten andere uitgangspunten wenselijk zijn dan ten grondslag liggen aan die wetsvoorstellen.

Daarom gaf het kabinet er de voorkeur aan met een geheel nieuw wetsvoorstel te komen. Het verzocht dan ook het eerste wetsvoorstel dat al bij de Kamer aanhangig was te mogen intrekken en het tweede wetsvoorstel met het advies van de Raad buiten verdere behandeling te mogen laten en voorts dit rapport met het advies en het voorstel van wet met de daarbij behorende toelichting openbaar te mogen maken.

8. Uitgangspunten voor nieuw wetsvoorstel
Bij brief van 16 maart 1995 (11) deelde de Minister van VWS aan de Kamer mede, daartoe gemachtigd door de Koningin, het bij de Kamer ingediende voorstel van wet in te trekken. Men lette erop dat in dat voorstel was voorzien in de mogelijkheid van een tijdelijk verbod op het verrichten van wetenschappelijk onderzoek met door IVF tot stand gebrachte embryo’s. Die mogelijkheid was dus nu vervallen. Maar, zo redeneert de Minister, zij en de Minister van Justitie streven naar een spoedige totstandkoming van een definitieve regeling weshalve in de tussentijd geen noodzaak zou bestaan voor het opleggen van tijdelijke verboden.

In een bij deze brief gevoegde “Notitie regelgeving inzake enige handelingen en wetenschappelijk onderzoek met embryo’s en foetussen” schetst de Minister de uitgangspunten van de door de regering beoogde wettelijke regeling.

a. Rest-embryo’s
Centraal staat in deze Notitie de visie van de regering op het probleem van de na een IVF-behandeling overblijvende embryo’s. Dat is, aldus de regering, inherent aan de beperkingen van de techniek. Kort samengevat betoogde zij dat het om verschillende redenen (de individuele variatie van het aantal gerijpte eicellen is aanzienlijk, eicellen kunnen nog niet worden ingevroren en moeten daarom alle worden bevrucht, hormoonstimulatie zeer belastend voor de vrouwen niet geheel risicoloos), noodzakelijk wordt geacht dat de behandelende artsen meer dan één eicel tot rijping brengen, waardoor echter het probleem ontstaat van de overblijvende embryo’s. Dan moet men, zo ging zij voort, besluiten hetzij ze “teloor te laten gaan” hetzij ze beschikbaar te stellen voor donatie of wetenschappelijk onderzoek. Dat bij de IYF-behandeling embryo’s overblijven vindt zij weliswaar bezwaarlijk maar niet zo onoverkomelijk dat daarom de techniek als ontoelaatbaar moet worden beschouwd. De maatschappelijke acceptatie lijkt breed te zijn, omdat het leed dat ongewenste kinderloosheid met zich brengt groot is. Rest-embryo’s, zo besloot zij, mogen echter niet “vrijelijk voor onderzoek” gebruikt worden want er is “alle reden” ze bescherming te bieden waar het hier immers gaat om beginnend menselijk leven. Daarom gaat het baars inziens ook “te ver” om embryo’s enkel voor wetenschappelijk onderzoek tot stand te brengen.

b. Koppeling PID met IVF
Aandacht wordt ook besteed aan de in het tweede wetsvoorstel voorgenomen regeling betreffende PID. In dat voorstel was voorzien in een verbod van toepassing van deze techniek echter met de mogelijkheid van een uitzondering (zeer kort samengevat) ingeval van erfelijke aandoeningen met een hoog risico van herhaling binnen het gezin of de familie (art.4). Het kabinet achtte een voorstel op dit punt evenwel prematuur. Het overweegt dat de techniek zich nog bevindt in het stadium van voornemens voor de eerste klinische toepassingen die nog deel uitmaken van wetenschappelijk onderzoek. Wel acht het een koppeling van deze techniek met die betreffende IVF noodzakelijk en wacht het af wat de Gezondheidsraad over deze techniek zal aangeven in zijn advies over het Planningsbesluit inzake IVF.

Vragen inzake overblijvende embryo’s die niet voor wetenschappelijk onderzoek ter beschikking worden gesteld, zullen aan de orde komen bij een gelijktijdig te ontwerpen wetsvoorstel inzake fertilisatietechnieken. Zo ook waar het zal gaan om beslissingsbevoegdheid over geslachtscellen en restembryo’s ingeval sprake is van scheiding of overlijden.

Onder de nieuwe regeling zullen voorts moeten vallen levende menselijke embryo´s, waarij van een embryo sprake is vanaf het moment van binnendringen van een zaadcel in de eicel. De regeling zal slaan op embryo’s die overblijven of die met geïmplanteerd kunnen worden omdat ze polyploïd zijn (bevrucht door meer dan een zaadcel).

Een regeling voor PID acht de Minister, gelet op het nog vroege stadium van ontwikkeling van deze techniek, “nog niet nodig” (zie boven).

c. Het ongeboren kind als patiënt
Afzonderlijk zal worden overwogen of in dit stadium regels wenselijk zijn voor onderzoek bij embryo’s en foetussen tijdens de zwangerschap volgens het advies van de Gezondheidsraad, “Het ongeboren kind als patiënt zal een dergelijke behandeling in de toekomst bij hoge uitzondering tot de mogelijkheden kunnen gaan behoren.

d. Centrale commissie
De notitie wordt besloten met enkele beschouwingen over het positieve oordeel dat een centrale commissie zal moeten geven over wetenschappelijk onderzoek met embryo’s, over het vereiste van toestemming van bepaalde personen en over een aantal te verbieden handelingen (zie boven). (12)

image_pdfimage_print