Hoofdstuk VII: Wetgevingsproces inzake experimenten met embryo’s

9. Overleg met de Kamer
De regering is op enkele van de bovengenoemde punten nog teruggekomen in een overleg dat op 28 juni 1995 plaatshad, met de vaste comissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport en met de vaste comissie voor Justitie. (13)

De Minister van VWS, mevrouw Borst, wees erop dat in de samenleving op grond van de diverse levensbeschouwelijke standpunten verschillend wordt gedacht over de beschermwaardigheId van embryo’s, daaraan toevoegende dat het kabinet uitgaat van het standpunt van de toenemende beschermwaardigheid van een embryo, vanaf het moment van de conceptie, en dat het vanaf het allereerste begin gaat om potentieel menselijk leven.

a. Wet afbreking zwangerschap
Dit uitgangspunt achtte zij ook consistent met (o.m.) de Wet afbreking zwangerschap “die uitgaat van speciale bescherming in de periode tussen de innesteling en de levensvatbaarheid van de foetus en een toenemende bescherming in de periode vanaf 24 weken.” Op principiële gronden, zo merkte zij op, is bij het onderzoek met embryo’s de grens van veertien dagen getrokken omdat bij een natuurlijke zwangerschap dáár namelijk het moment is van de innesteling; individuele cellen zijn dan niet meer toti-potent maar tonen onderscheid naar de diverse delen van het menselijk lichaam. Op dit moment zo gaf zij aan, heeft deze grens nog geen praktische betekenis, omdat embryo’s slechts negen dagen kunstmatig in leven kunnen worden gehouden; in de toekomst echter zal die grens onafhankelijk van de vorderingen in de techniek worden gehandhaafd.

b. Kweken van embryo’s
Voor wat betreft het speciaal voor onderzoek kweken van embryo’s betoogde zij dat het kabinet hier een “duidelijk onderscheid” zag met restembryo’s, omdat het bij het kweken gaat “om het scheppen van menselijk leven met als uiteindelijk doel de vernietiging ervan, waarmee volgens het kabinet beslist een stap te ver wordt gegaan.” Anderzijds wees zij het implanteren van alle embryo’s van de hand gezien de gezondheidsrisico’s die voor moeder en kind zijn verbonden aan een meerlingzwangerschap. Gelet op de opstelling van de beroepsgroep vreesde zij niet dat meer embryo’s tot stand worden gebracht dan voor IVF -behandeling strikt noodzakelijk zijn.

c. Personen in het familierecht
De Minister van Justitie mevrouw Sorgdrager, bracht naar voren dat een IVF-behandeling te allen tijde het tot stand brengen van een zwangerschap ten doel moet hebben en dat de vraagstelling over daaruit voortkomende rest-embryo’s primair is gericht op het bewaren ervan. Pas als dat om welke reden dan ook niet meer aan de orde is, komen de vragen wie beslissingsbevoegd is en wat er moet gebeuren: donatie, teloor laten gaan of beschikbaar stellen voor onderzoek. Daarvoor zullen regels moeten worden gegeven. Hoewel het familierecht in de zin van het Burgerlijk Wetboek alleen van toepassing is op levend ter wereld gekomen personen, zal, zo besloot zij, bij de voorbereiding van wetgeving ook aan eventuele familierechtelijke aspecten aandacht worden besteed.

10. Raad van Europa
In het regeerakkoord waarmee het kabinet Lubbers-Kok in 1989 aantrad (14) werd uitgesproken dat bij het totstandbrengen van een wettelijke regeling rekening zou worden gehouden met de Europese ontwikkelingen. Door mevrouw Borst werd er nu op gewezen dat het Europese ontwerp voor een bio-ethiek verdrag zich “goed” verhoudt met het standpunt dat het kabinet in de notitie heeft ingenomen, daaraan toevoegende dat het verdrag eveneens het tot stand brengen van menselijke embryo’s speciaal voor wetenschappelijk onderzoek verbiedt.

Vermeld zij dat het hier om een concept-verdrag gaat inzake “de bescherming van de rechten van de mens en de waardigheid van het menselijk wezen bij de toepassing van biologie en geneeskunde” opgesteld door een commissie handelende in opdracht van het Comité van Ministers van de Raad van Europa.

Art. 15 luidt: 1. Where research on embryos in vitro is allowed by law, such research may only be permitted in the case of embryos which have not been developed for more than 14 days. 2. The creation of human embryos solely for research purposes is prohibited. (15)

image_pdfimage_print