Hoofdstuk VII: Wetgevingsproces inzake experimenten met embryo’s

Noten
1. Zie voorts, H.M. Kuitert, “Hoever mag de dokter gaan met de geaborteerde vrucht?” Trouw, 4 oktober 1984.
2. H.M. Kuitert, Medisch Contact, 38 (1983), p. 433. In De Telegraaf, van 23 april 1983 maakte Frits Gongrijp gewag van het feit dat de Leidse internist dr. J.Ph. Terwiel in de Bloemenhove-kliniek bloedonderzoek had verricht bij foetussen. Aangezien hij niet tevoren bij de ethische commissie van zijn eigen academisch ziekenhuis in Leiden te rade was gegaan, werd publicatie van het resultaat van zijn studie inzake stollingsfactoren in het bloed van vijf maanden oude foetussen door de British Joumal of Haematology geweigerd.
3. Nederlands Dagblad, 1988, 8 november.
4. Tweede Kamer, 1989-1990, 21132, nr. 8, pp. 33-34.
5. Tweede Kamer 1992-1993, 23016, nrs. 1-4.
6. Tweede Kamer 1991-1992,22588.
7. Tweede Kamer, 1993-1994, 23016, nr. 5.
8. De gesprekken zijn gevoerd met vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie, de Vereniging voor Klinische Genetica Nederland, de Vereniging van Klinsch Embryologen, de Nederlandse Anthropologische Vereniging, de Erasmus Umversiteit, de Vrije Universiteit en de Rijksuniversiteit Limburg.
9. Dit tweedè wetsvoorstel met de memorie van toelichting het daarover door de Raad van State uitgebrachte advies (26.9.1994) en het nader rapport van de regering aan de Koningin (272.1995) zijn ter inzage gelegd op de afdeling Parlementaire Documentatie, zie aldaar.
10. Tweede Kamer 1993-1994, 23016, nr.6.
11. Tweede Kamer 1994-1995, 23016, nr. 7.
12. Zie par. 5 inzake art. 2
13. 23016, nr. 8.
14. Tweede Kamer 1989-1990, 21132, nr. 8, p. 33/34.
15. Zie een bespreking van deze tekst (welke ter beoordeling is toegezonden aan de lidstaten) door Aart Hendriks in NJCM-Bulletin, 1995,54.
16. Zie supra sub 9 aanhef: tweede alinea.
17. Supra sub 9 sub a.
18. Tweede Kamer 1978-1979, 15475, nrs. 1-3,33.
19. Zie supra sub 5.
20. Zie supra sub a.
21. Vgl. W.J. Eijk, “Experimenteren met bevruchte eicellen en embryo’s,”Pro Vita 10 (1993), nr. 1, pp. 1-7 en de daar aangehaalde passage uit Donum Vitae.
22. Zie supra sub 9.
23. Zie ook noot 24.
24. In een discussie tussen de minister van VWS en de Tweede Kamer over (on)wenselijkheid van geslachtskeuze voor de conceptie, deelde de minister mede het wetsvoorstel op de fertilisatietechnieken de meeste geëigende plaats te vinden voor een wettelijke regeling betreffende een verbod op geslachtskeuze op niet medische gronden (Tweede Kamer 1994-1995, 24 238, nrs. 1 en 2, en 1995-1996, nr.3 inzake geslachtskeuze). Het Nederlands Dagblad van 20.1.96 maakt gewag van vragen van de CDA-Kamerleden A. Lansink en M. Soutendijk aan de minister van WVS of het wel juist is op voormeld wetsvoorstel te wachten nu het nog wel 1998 kan worden omdat de minister eerst wil beschikken over een rapport van de Gezondheidsraad dat pas in de tweede helft van 1996 wordt verwacht. Op 10 februari 1997 publiceerde de Raad zijn advies aan de Minister onder de titel “Het Planningsbesluit IVF” (publica1ienr. 1997/03).
25. Zie supra sub 4.
26. Zie supra sub 5 slot. 27. Zie supra sub 9.
28. Vgl. J.E.M. Akveld, “Abortus en het gebruik van foetaal weefsel,” Geneeskunde en Ethiek, 5 (1995), p. 74.
29. Vgl. J.K.M. Gevers, “Gezondheidsrecht is meer dan regelgeving,” Geneeskunde en ethiek, 5 (1995), p. 84.
30. De brief van 16 maart 1995 met de daarbij gevoegde notitie, gericht aan de Tweede Kamer (zie par. 8 supra) was aanleiding voor de Rooms-Katholieke Bisschoppenconferentie zich te wenden tot de ministers Borst en Sorgdrager bij brief van 10 juni 1996 waarin de conferentie haar grote bezorgdheid uitte over het door de ministers ingenomen standpunt. De brief werd door de bisschoppen in kopie toegezonden aan alle kamerleden. Verwezen wordt voorts naar het antwoord van de minsters d.d. 4 oktober 1996, CSZ-ME, 96 100 56.
31. Zie verder de bijlage bij de memorie van toelichting op het reeds genoemde tweede wetsvoorstel.

Overgenomen met toestemming van uitgeverij Colomba.

image_pdfimage_print