Hoofdstuk I: Aspecten van de bio-ethiek in de encycliek “Evangelium Vitae”

4. Een nieuwe beschaving
De encycliek geeft in haar structuur en inhoud een beeld van een nieuwe beschaving met de komst van het derde millennium. Het tweede millennium sluit af met een horizon die vooral de laatste eeuw overschaduwd is door de dood in de gestalte van twee grote wereldoorlogen en nieuwe vormen van gelegaliseerde uitroeiing, waarmee de encycliek zich bezighoudt. Het tweede millennium loopt ten einde, waarbij aan de mensheid en het geweten van de machthebbers, en deze keer ook van de wetenschappers, de reële mogelijkheid gelaten wordt tot zelfvernietiging van de mensheid. Alleen al de in wereld aanwezige kernkoppen zijn voldoende om een vernietigende energie te leveren die gelijk is aan 3000 kg. trotyl per bewoner van de aarde en hieraan dienen nog toegevoegd te worden de mogelijkheden tot uitroeiing en verandering die door eventuele ontsporingen van de recombinant DNA-technologie, manipulatie van de voortplanting en verwoesting en verandering van het milieu geboden worden.

In het jaar 1000 bracht de mensheid de laatste dag van 999 door in de vrees dat God een einde zou kunnen maken aan de mensheid. Wij bidden nu dat het niet de mens zelf is die zichzelf vernietigt.

Wij hebben behoefte aan een sterke, vaste hoop, aan een nieuwe beschaving. Een dergelijke beschaving heeft, naar onze mening, op grond van hetgeen waarop wij in ons commentaar op de encycliek al gewezen hebben, er behoefte aan vier bruggen te herstellen. Ik gebruik dit beeld om aan te geven dat, evenmin als men zonder bruggen kan reizen of het sociale leven kan activeren, het ook niet zonder deze vier bruggen – in figuurlijke zin – van culturele aard mogelijk zal zijn deze nieuwe hoop en deze nieuwe beschaving te vestigen.

a. De brug tussen rede en geloof
Zoals wij hebben aangegeven, brengt de encycliek op meer plaatsen in herinnering dat de ethische inhoud van het evangelie van het leven ook voor de menselijke rede herkenbaar is. Wij moeten het verleden dat begonnen is met de verheerlijking van de rede tijdens de Verlichting en het relativistische subjectivisme, te boven komen door een nieuw contactpunt te vinden: een geloof dat de rede niet verwaarloost, en een rede die open blijft staan voor het geloof en zich niet op grond van vooroordelen afsluit voor wat haar overstijgt. Het betreft een grote, nieuwe culturele ontdekkingstocht op mondiaal niveau om een nieuwe vorm van beschaving tot stand te brengen: een fides quaerens intellectum en ook een intellectus quaerens fidem. Heel de encycliek is een voorbeeld van deze harmonie.

b. De brug tussen de persoon en de natuur van de mens
In de nrs.19 en 20 van de encycliek wordt, zoals gezegd, de breuk tussen de subjectiviteit van de persoon en zijn natuur aangeklaagd als een kenmerk van de moderne tijd en op grond van dit feit komt men tot een depreciatie of reductie van de lichamelijkheid en de sexualiteit tot een louter materieel gegeven. Vervolgens dringt de encycliek erop aan de natuur, niet alleen buiten de mens (en hiervan is de mens de bewaker) te respecteren, maar ook en vooral de natuur in hemzelf, die niet alleen uit lichamelijkheid bestaat, maar in de lichamelijkheid tot uitdrukking komt. En in dit verband wordt er ook een ontologische benadering van de sexualiteit gevraagd. De sexualiteit van de persoon openbaart zich door middel van zijn lichamelijkheid: de betekenis komt naar voren in het teken en het teken is ontologisch een aanduiding voor de persoon in zijn totaliteit. Deze band tussen persoon, opgevat als subjectiviteit, en menselijke natuur, opgevat als totale realiteit van zijn wezen, impliceert ook een harmonie tussen de vrijheid en de waarheid van de mens.

De encycliek drukt dit als volgt uit: “Waar liggen de wortels van deze opmerkelijke tegenstrijdigheid? We kunnen ze vinden in een alomvattende beoordeling van culturele en morele aard, te beginnen met de mentaliteit die het concept van de subjectiviteit tot het uiterste doorvoert, zelfs vervormt, en die als subject van rechten alleen de persoon erkent die volledige of tenminste beginnende autonomie geniet en die niet in een toestand van totale afhankelijkheid van anderen verkeert. Maar hoe kunnen we deze benadering rijmen met de verheffing van de mens als wezen dat “niet gebruikt mag worden”? De theorie van de mensenrechten stoelt juist op de constatering dat de menselijke persoon, in tegenstelling tot dieren en dingen, niet onderworpen kan worden aan overheersing door anderen. We moeten ook de mentaliteit noemen die ertoe neigt persoonlijke waardigheid gelijk te stellen met het vermogen tot verbale en expliciete, of tenminste waarneembare, communicatie. Het is duidelijk dat op basis van deze vooronderstellingen er geen plaats in de wereld is voor iemand die, zoals een ongeborene of stervende, door zijn conditie op zich een kwetsbaar subject is, of voor iemand die geheel op anderen aangewezen lijkt te zijn, volkomen afhankelijk van hen is, en alleen kan communiceren door middel van de geluidloze taal van wederzijdse liefde. Dan wordt macht de maatstaf voor keuze en handeling in intermenselijke betrekkingen en in het sociale leven. Maar dit is precies het tegenovergestelde van wat een rechtsstaat, als gemeenschap waarin “het argument van de macht” is vervangen door “de macht van het argument,” historisch gezien voorstaat…Er is nog een dieper aspect dat benadrukt moet worden: vrijheid ontkent en vernietigt zichzelf, en wordt bovendien een factor die tot de vernietiging van anderen leidt, als zij haar essentiële band met de waarheid niet meer erkent en eerbiedigt. In een poging aan alle vormen van traditie en gezag te ontgroeien, kan vrijheid zelfs het meest voor-de-hand-liggende bewijs voor een objectieve en universele waarheid, die de grondslag vormt van het persoonlijke en sociale leven, weigeren te aanvaarden. Het gevolg is dat de persoon dan uiteindelijk de waarheid omtrent goed en kwaad niet meer als het enige en onbetwistbare uitgangspunt voor zijn eigen keuzes neemt, maar slechts zijn subjectieve en veranderlijke mening of zijn zelfzuchtig eigenbelang en zijn bevliegingen.” (16)

Dat wil ook zeggen dat men zich geen normale sexualiteit kan voorstellen zonder dat die in de lichamelijkheid tot uitdrukking komt, en dat men niet kan denken aan een scheiding tussen de “sex” (de engelse term voor de lichamelijke geslachtskenmerken) en de “gender” (de engelse term voor het gevoel tot een bepaald geslacht te behoren en het daarbij passende gedrag, dat eventueel van de lichamelijke geslachtskenmerken zou kunnen afwijken).

Deze brug natuur-persoon kan, indien men de natuur in de volle betekenis van het woord neemt, een aanzet geven tot een nieuwe beschaving en een nieuwe cultuur, die gebaseerd is op de harmonie tussen geest en lichaam en tussen persoon en omgeving.

c. De brug tussen de burgerlijke en de morele wet
De derde brug die de encycliek wil herstellen, is die tussen de burgerlijke en de morele wet. Dit bijzondere aspect van de encycliek wordt in het derde hoofdstuk behandeld.

Wij hebben er reeds op gewezen. Men kan een burgerlijke wet alleen maar baseren op het respect voor de fundamentele waarden van ethische aard en op het algemeen welzijn; wanneer de burgerlijke wet van dit fundament gescheiden wordt of er tegen ingaat, dan veroorzaakt men een trauma in de maatschappij, een schok in het leven van het individu en verstoort men de samenleving.

Het probleem van het gewetensbezwaar is een bescherming van het individu en ook een profetische oproep: maar het is niet de integrale oplossing van het probleem. De integrale oplossing is de wet haar fundament van rationaliteit en verzoenbaarheid met de fundamentele waarden terug te geven: “Men mag echter democratie niet in die mate tot mythe maken dat ze tot een vervanging wordt van moraliteit of tot een panacee tegen de onzedelijkheid. Van nature is zij een “orde” en, als zodanig, een werktuig en niet een doel. Haar “zedelijk” karakter komt niet vanzelf, maar hangt af van de overeenstemming met de zedenwet waaraan zij, zoals ieder ander menselijk gedrag, onderworpen moet zijn, dat wil zeggen: het hangt af van de zedelijkheid van de doelen die zij nastreeft en van de middelen die zij gebruikt. Wanneer tegenwoordig een bijna wereldwijde overeenstemming over de waarde van de democratie kan worden vastgesteld, dan wordt dat als een positief “teken van de tijd” beschouwd, zoals ook het leergezag van de Kerk herhaaldelijk heeft uitgesproken. Maar de waarde van de democratie staat of valt met de waarden die zij belichaamt en koestert: fundamenteel en onmiskenbaar zijn zeker de waarden van iedere menselijke persoon, het respect voor zijn onaantastbare en onvervreemdbare rechten alsook de bestemming van het “algemeen belang” tot doel en richtinggevend criterium voor het politieke leven.” (17)

d. De brug tussen wetenschap en techniek
De vierde brug is de meer specifieke brug van de bio-ethiek: de brug tussen wetenschap en techniek enerzijds en de menselijke waarden anderzijds. De moderne experimentele wetenschap, vooral op het gebied van de fysica, de biologie (de recombinant DNA-technologie), de neurologie en de neurochirurgie, evenals de communicatiemiddelen, bergt een grote mogelijkheid tot verwoesting in zich, zoals wij gezegd hebben, en kan leiden tot het manipuleren van genen, hersenen en gedrag, als men er niet slaagt een brug te slaan tussen de bio-ethiek en het welzijn van het individu en de gemeenschap. De harmonie van wetenschap en technologie met ethische waarden kan die reikwijdte van de mens in de wereld garanderen, waarop MacLuhan doelde, toen hij sprak over de middelen van sociale communicatie, die geen despotisme en verwoesting is, maar uitbreiding van de verkenningsmogelijkheden en van een communicatief taalgebruik voor een mensheid die steeds meer één en solidair wordt. Moge God aan dit derde millennium geven dat het bijdraagt aan het realiseren van deze bruggen en deze nieuwe beschaving. In nr.28 van de encycliek staat nog te lezen: “Deze horizon van licht en schaduw moet er ons allen volledig bewust van maken dat we tegenover een geweldige en dramatische botsing staan tussen kwaad en goed, dood en leven, de “cultuur van de dood” en de “cultuur van het leven.” Wij bevinden ons niet alleen “tegenover,” maar noodzakelijkerwijze “midden in” dit conflict: we zijn er allemaal bij betrokken en hebben er allemaal deel aan, met de onontkoombare verantwoordelijkheid van een onvoorwaardelijke keuze voor het leven.” (18)

Het is ook aan ons de bouw van deze brug te bevorderen.

Noten
1) Evangelium Vitae, nr.5.
2) T.a.v., nr.6.
3) T.a.v.,, nr.29.
4) Dei Verbum, nr.3.
5) Vgl. Evangelium Vitae, nr.73.
6) Vgl. T.a.v., nrs.70 t/m 72.
7) Vgl. T.a.v., nr.73.
8) Vgl. T.a.v., nr.63.
9) Vgl. T.a.v., nrs.16 en 63.
10) Vgl. T.a.v., nr.66.
11) Vgl. T.a.v., nr.67.
12) Vgl. T.a.v., nr.14.
13) Vgl. T.a.v., nr.13.
14) T.a.v., nr.13.
15) T.a.v., nr.17.
16) T.a.v., nr.19.
17) T.a.v., nr.70.
18) T.a.v., nr.28.

vertaling: drs. H.M.G.Kretzers

Overgenomen met toestemming van uitgeverij Colomba.

image_pdfimage_print