Katholieke Stichting Medische Ethiek
9 februari 1997

Hoofdstuk II: Criteria voor de status van het menselijk embryo

Het embryo - iets of iemand ?Hoofdstuk II uit “Het embryo: Iets of iemand?”, onder redactie van mgr.prof.dr. E. Sgreccia e.a., Colomba, 1997
door prof.dr. W.J. Eijk

Binnen de discussie over de toelaatbaarheid van abortus provocatus en experimenten met menselijke embryo’s staat het thema van de status van het embryo centraal. Het bereiken van een morele status betekent dat het embryo bepaalde rechten krijgt die aan alle mensen worden toegekend. Daarvóór zouden het eventueel onder bepaalde omstandigheden mogen worden afgedreven of in experimenten worden verbruikt.De moeilijkheid is dat de meningen over de vraag op welk moment aan het embryo een morele status zou moeten worden toegekend, zeer uiteenlopen. Zo worden de conceptie, het voelen van pijn, het begin van hersenactiviteit, levensvatbaarheid, de geboorte of een ontwikkelingsstadium na de geboorte genoemd. Dit zijn echter conclusies die hun geldingskracht ontlenen aan de criteria waarmee de status van het embryo wordt beoordeeld.

De grote verscheidenheid aan criteria maakt de bespreking van de status van het embryo tot een lastige opgave. Wanneer niet van meet af aan duidelijk is welk criterium wordt gehanteerd, lopen discussies over de status van het embryo onherroepelijk vast. Enige verheldering biedt het onderscheid tussen extrinsieke criteria, die niet aan het embryo als zodanig zijn ontleend, en intrinsieke criteria, die in het embryo zelf hun uitgangspunt hebben:

1. In extrinsieke zin wordt de status van het embryo bepaald door:
a) zijn acceptie door anderen,
b) de rechten die er door de positieve wet aan worden toegekend,
c) de kans tot verdere uitgroei die het geboden wordt.

2. De status van het embryo wordt in intrinsieke zin beoordeeld aan de hand van:
a) zuiver biologische gegevens,
b) de vraag of het al dan niet een individu is,
c) de vraag ofhet al dan niet een menselijke persoon is,
d) zijn intrinsieke finaliteit.

Pas wanneer het criterium is vastgesteld, kunnen de verschillende waarneembare indicatoren voor de status van het embryo worden aangegeven, zoals het moment van de bevruchting, het begin van aantoonbare hersenactiviteit of het moment waarop de wet het als subject van rechten zal erkennen.

De hier opgesomde criteria sluiten elkaar niet uit. Bepaalde stromingen kunnen verschillende ervan naast elkaar toepassen. Voor een fundamentele evaluatie is een bespreking van elk criterium afzonderlijk echter onontbeerlijk.

1. De extrinsieke criteria
a. De acceptatie van het embryo door anderen
Binnen de filosofie van de twintigste eeuw bestaat er een sterke tendens om het specifieke van de mens niet te zoeken in wat hij op zich is, maar in zijn relaties. Enkelen gaan daarin zover dat zij de relaties die de mens heeft, als het enig specifieke kenmerk beschouwen dat de mens van andere levende wezens onderscheidt. Volgens enkele Franse moraaltheologen, Ribes, Pohier en Roqueplo zou een embryo pas een volpersoonlijke en volmenselijke status hebben bereikt, wanneer het menselijke relaties heeft. Dat is het geval wanneer het door de ouders en in zeker opzicht ook door de maatschappij gewenst is. Mochten de ouders echter niet de intentie hebben om een kind te verwekken en zouden zij hebben getracht dat te voorkomen, dan zou het geen specifiek menselijke status hebben. (1) De biologische ontwikkelingsfase waarin het embryo verkeert speelt binnen deze benadering praktisch geen rol.

Het is evident dat aan deze visie grote bezwaren kleven. Langs deze weg zou men ook een ongewenste pasgeborene respect mogen onthouden en doden. Een duidelijk moment in de biologische ontwikkeling waarop de menselijke status van het embryo zou ingaan, kan hier immers niet worden aangegeven. Zelfs volwassenen zou men een echt menselijke status kunnen ontzeggen. Wat moet men dan denken van de oude stervende Indische vrouw die door haar zoon in een plastic op de vuilnisbelt wordt gedeponeerd. Houdt zij daarmee op een menselijke persoon te zijn? En wordt zij pas weer een menselijke persoon wanneer zij door de zusters van moeder Theresa wordt meegenomen en in een tehuis liefdevol verpleegd?

Door de evidente oppervlakkigheid en de extreme conclusies waartoe zij leidt, heeft de zuiver relationele benadering van de status van het menselijk embryo niet veel navolging gevonden.

b. De status van het embryo als een door de maatschappij toegekend recht
Het lijkt vanzelfsprekend dat het positieve recht de objectieve rechten van mensen waarborgt en beschermt. Vanwege de onenigheid over de status van het embryo in de moderne pluriforme maatschappij is naar veler overtuiging de enig haalbare oplossing in de praktijk dat de status van het embryo langs de weg van een democratische consensus wordt gedefinieerd. Of het embryo respect verdient of niet, zou dan uitsluitend afhangen van wat daar in de wet over geregeld is. (2)

In de meeste landen is abortus provocatus bij wet tot een zekere zwangerschapsduur en onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Velen in onze samenleving staan bij de vraag naar de objectieve status van de ongeborene nauwelijks stil, maar conformeren zich aan dit geldende positieve recht.

In een democratie zal een compromis vaak onvermijdelijk en in veel gevallen acceptabel zijn. De waarheid, ook die omtrent de status van het embryo, kan echter niet met behulp van statistisch onderzoek worden vastgesteld. Het is uiterst hachelijk wanneer een samenleving middels een consensus zou uitmaken welke status aan mensen of bepaalde menselijke ontwikkelingsstadia wordt toegekend. Met de wet in de hand kan een land bij meerderheidsbesluit etnische zuiveringen proberen door te voeren. Toch zullen we daar niet uit afleiden dat leden van etnische minderheden geen mensen met een morele status zijn. Het bezwaar dat ongeborenen die ongewenst of gehandicapt zijn zelf later “geen leven” zullen hebben of voor hun ouders een zware last betekenen, is geen objectieve reden om hen een morele status te ontzeggen. Asielzoekers zijn in het land waar zij hun toevlucht hebben gezocht, ook niet altijd welkom en gaan daar ook geen gemakkelijke toekomst tegemoet. Toch blijven zij mensen die recht op onze hulp en zorg hebben, indien zij buiten hun schuld genoodzaakt zijn hun eigen land te ontvluchten.

c. De kans tot verdere ontwikkeling
Een embryo dat niet in de baarmoeder wordt geïmplanteerd maar in het laboratorium achterblijft, zal bij de huidige stand van de techniek hooguit negen à tien dagen in leven blijven. Kans tot verdere ontwikkeling krijgt het alleen wanneer het in de baarmoeder wordt geplaatst. Mocht besloten worden dit laatste niet te doen, dan heeft dat beslissende gevolgen voor de status van het embryo, aldus Tauer:
“Wat ‘normale condities’ voor een zygote in de laboratoriumsituatie zijn, wanneer het overbrengen van het embryo of implantatie niet de bedoeling is, vormt een ingewikkelde kwestie. Als de normale omstandigheden van de zygote in het laboratorium in essentie dezelfde zijn als die van de eicel vóór de bevruchting, wat het geval lijkt te zijn, dan zal de zygote zich nooit tot een persoon kunnen ontwikkelen. Dus zou het beter als een ‘mogelijke’ persoon (possible person) geklassificeerd kunnen worden, die alleen onder zekere causaal gezien mogelijke (en met opzet gekozen) condities een persoon zou kunnen worden.” (3)

Is het embryo voor implantatie in de baarmoeder bestemd, dan heeft het een hogere status. Dit betekent dat het als een “potentiële persoon” (potential person) moet worden geklassificeerd, omdat het een daadwerkelijke kans op verdere ontwikkeling heeft. Het heeft dan niet langer een louter instrumentele waarde. (4)

De status van het embryo wordt ook hier afhankelijk gesteld van de keuze van anderen, met name van de wetenschappelijk onderzoeker en de ouders. Men zou kunnen betogen dat deze keuze alleen bij een embryo in de preïmplantatiefase kan worden gemaakt en in dit opzicht met de intrinsieke mogelijkheden van het embryo op dat moment rekening wordt gehouden. In feite geeft echter een extrinsiek criterium, de arbitraire beslissing van anderen, de doorslag bij de beoordeling of het embryo de status van een gameet (een onbevruchte eicel) of een hogere status heeft. Hierdoor worden de intrinsieke mogelijkheden van het embryo juist genegeerd.

De acceptatie door anderen of de toekenning van rechten door de maatschappij kunnen niet de morele status van het embryo uitmaken. Beide zijn secundair aan wat het embryo feitelijk is. Alleen aan de hand van intrinsieke cnteria kan men zich een objectief oordeel vormen over het respect dat men aan het embryo verschuldigd is.


2. De intrinsieke criteria
a. De biologische mensvisie
Het echtpaar Willke baseert zijn afwijzing van abortus provocatus op het gegeven dat biologisch gezien het menselijke leven vanaf de conceptie begint. De theologIe of de filosofie zouden in dit verband geen enkele dienst kunnen bewijzen, omdat er binnen beide disciplines zoveel verschillende opvattingen bestaan. (5) De biologische definitie van het begin het menselijk leven, namelijk het moment van de conceptie, zou daarentegen door niemand in twijfel worden getrokken.

Hoe aantrekkelijk deze conclusie binnen pro-life-kringen ook mag klinken, zij stoot op enkele onoverkomelijke bezwaren. Hier wordt voorbijgegaan het feit dat veel moderne ethici, zoals we straks zullen zien, een onderscheid tussen menselijke wezens en menselijke personen maken. Embryologische of medische gegevens kunnen op zich geen uitsluitsel over de status van het embryo geven, omdat zij binnen de diverse mensvisies op een verschillende manier worden geïnterpreteerd. Volgens bepaalde mensvisies is het uitgesloten dat het embryo vanaf de conceptie een mens zou kunnen zijn. Bovendien tendeert de zuiver biologische definitie naar een materialistische mensopvatting, waarbinnen de mens geen intrinsieke waardigheid maar hooguit een instrumentele waarde heeft.

b. Het embryo als individu
In 1990 werd in Engeland op aanbeveling van de Commissie Warnock een wet aangenomen die experimenten op embryo’s in vitro tot veertien dagen na de conceptie toestaat. In haar in 1984 gepubliceerde rapport stelde de commissie dat het embryo pas na de vorming van de primitief streep als individu kan worden beschouwd en pas vanaf dat moment een staat heeft bereikt, waarin het niet langer als experimenteel object mag worden gebruikt. (6) De reden is dat na de vorming van de primitiefstreep het embryo zich niet meer in twee identieke individuen kan splitsen. De primitiefstreep is een langwerpige ophoping van cellen aan een van de uiteinden van het embryonale schild op de veertiende of vijftiende dag na de bevruchting. Zij is de eerste aanduiding van de voorachterwaartse as van het embryo. Op deze plaats ontstaan door celmigratie een aantal lagen met gedifferentieerde cellen. In het embryonale schild kunnen zich maximaal twee primitiefstrepen ontwikkelen, maar splitsing van het erdoor aangeduide embryo zal vanwege de beginnende differentiatie niet meer optreden. Verschillende ethici hebben deze visie overgenomen. (7)

Deze periode van twee weken valt ongeveer samen met de periode vóór de implantatie in het baarmoederslijmvlies, die op de elfde tot dertiende dag voltooid is. In deze periode wordt dikwijls van “pre-embryo” gesproken, welke term suggereert dat het embryo nog geen menselijk individu is en als zodanig zou dienen te worden gerespecteerd. (8)

De hier gevolgde redenering gaat van de presumptie uit dat het embryo geen individu is zolang het zich nog kan splitsen. Het is echter de vraag of dat juist is. Er is ook een andere verklaring mogelijk, namelijk dat bij de mens tot de vorming van de primitiefstreep aseksuele voortplanting voorkomt. Als ik bij het omspitten van de tuin een worm in tweeën hak, gaan de beide gedeelten schijnbaar ongestoord ieder hun eigen weg. Het lijkt een weinig aantrekkelijke gedachte dat bij de mens iets dergelijks ook mogelijk is, maar wie zal het tegendeel kunnen bewijzen.

Dat aseksuele voortplanting bij de mens mogelijk zou zijn, zo betoogden Ashley en O’Rourke in 1989, zou zijn aangetoond op het moment dat wetenschappelijk onderzoekers erin zouden slagen volwassen mensen te klonen door middel van kerntransplantatie. (9) Deze methode behelst dat de kerninhoud met de chromosomen uit een lichaamscel afkomstig van een volwassene in een bevruchte eicel wordt gebracht, waarvan de eigen kern is verwijderd. Bij amfibieën heeft men met deze techniek opmerkelijk resultaten geboekt, maar bij zoogdieren is de kerntransplantatie nooit gelukt Dit doet vermoeden dat deze methode ook bij mensen, zeker in de nabije toekomst, geen effect zal sorteren. (10)

Een ander verschijnsel dat ertegen zou pleiten dat het vroege embryo een individu is, is de recombinatie van embryo’s. In dierexperimenten blijkt het mogelijk twee tot maximaal drie embryo’s met elkaar te combineren. Het resultaat is één individu dat echter alle cellijnen van de oorspronkelijke embryo’s bevat. (11) De ontdekking eind jaren zestig dat er mensen zijn die zowel cellen met twee X-chromosomen als cellen met een X- en een Y-chromosoom hebben, wijst erop dat recombinatie ook bij menselijke embryo’s voorkomt. (12)

De recombinatie van embryo’s is eveneens geen dwingend bewijs dat het vroege embryo geen individu zou zijn. Met evenveel recht zou men kunnen veronderstellen dat een van de embryo’s lichamelijk door het andere wordt geabsorbeerd en aldus als individu ophoudt te bestaan. De interpretatie van dit verschijnsel is overigens mede afhankelijk van de mensvisie die men als uitgangspunt neemt.

Velen zien in het feit dat de unieke samenstelling van het erfelijk materiaal in de chromosomen vanaf de conceptie vastligt, een bewijs voor de individualiteit van het embryo. Hier zou echter tegenover staan dat het ontwikkelingsprogramma zoals dat in de chromosomen besloten ligt, niet direct na de conceptie actief is. In het begin wordt de energie in het embryo geleverd door mitochondriën die van de moeder afkomstig zijn. De ontwikkeling aan het begin wordt dus niet door het eigen DNA van de zygote gestuurd, maar door boodschapper-RNA en eiwitten afkomstig van de vader en moeder. (13) Dit is echter op zich geen reden om de individualiteit van de zygote in twijfel te trekken. Of het programma voor de verdere groei nu direct of pas enkele dagen later actief wordt, het ligt op het moment van de geboorte vast en zal, wanneer zich geen stoornissen voordoen, vanaf een bepaald moment de ontwikkeling van het embryo sturen en reguleren.

Het criterium van de individualiteit van het embryo wordt vaak gecombineerd met het moment waarop het embryo een persoon zou worden. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het embryo in ieder geval nooit als een persoon kan worden beschouwd, wanneer het nog geen individu is. Zo heeft Ford de vorming van de primitiefstreep in combinatie gebracht met het moment van de bezieling. (14)

c. Het embryo als persoon
De vraag of het embryo al dan niet een persoon is, lijkt op het eerste gezicht een helder en eenvoudig criterium. Is het een menselijke persoon, dan verdient het als zodanig respect. Is het embryo slechts een “pre-persoon” of “potentiële” persoon, dan zou het navenant minder rechten hebben. Het moment waarop het embryo een persoon zou worden, is echter zeer omstreden. Het daarvoor aangegeven tijdstip hangt op de eerste plaats van de visie af die men op de menselijke persoon heeft. Bovendien worden zelfs binnen één bepaalde visie nog heel verschillende momenten aangegeven, waarop het embryo ais persoon zou moeten worden beschouwd.

De discussie over de status van het embryo wordt in onze tijd hoofdzakelijk door de neokantiaanse en de traditionele christelijke mensvisie bepaald. De neokantiaanse mensvisie, die door veel moderne ethici als uitgangspunt wordt genomen, is gekarakteriseerd door een dualisme, doordat zij een scherpe scheiding veronderstelt tussen de biologische natuur van de mens en de specifieke functies die hem tot een persoon maken. Deze zijn het bewustzijn, het denken en de mogelijkheid tot communicatie.

Het is duidelijk dat binnen deze visie het embryo vóór de aanleg en een zekere ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel onmogelijk een persoon kan zijn. Tauer meent dat wanneer het zenuwstelsel bepaalde ervaringen van de omgeving toelaat, het embryo zich tot een “psychische persoonlijkheid” heeft ontwikkeld, die zeer dicht het stadium van het persoon zijn in strikte zin benadert. Deze ervaringen kunnen onbewust zijn, maar zoals we uit de psycho-analyse weten, al aanleiding tot de vorming van herinneringen zijn die later het bewustzijn kunnen beïnvloeden. Op grond hiervan acht zij voldoende gronden aanwezig om aan het embryo vanaf de zevende week niet alleen morele waarde, maar ook het begin van het persoon zijn in moreel significante zin toe te schrijven. (15)

Engelhardt acht een manifeste rationele activiteit en capaciteit tot sociale communicatie een vereiste om van een persoon te kunnen spreken. Omdat deze functies waarschijnlijk pas rond het eerste jaar na de geboorte aanwezig zijn, zijn ongeborenen en pasgeborenen geen volledige menselijke personen met de bijbehorende morele status. Voordat zij personen zijn, zijn zij hooguit in biologisch opzicht menselijke wezens. (16) Hier blijkt eens te meer dat pogingen om met louter biologische criteria aan te tonen dat de bevruchte eicel al een menselijk wezen is en daarom een bijzondere morele status zou hebben, vruchteloos zijn.

Deze opvatting heeft een aantal praktische consequenties ook voor andere terreinen van de medische ethiek. Strikt doorgeredeneerd zou de patiënt in een persisterend vegetatieve staat niet langer als een persoon kunnen worden beschouwd. De anencefale pasgeborene zou ook geen persoon zijn, om reden waarvan wel is gesuggereerd dat hij eventueel als orgaandonor zou kunnen dienen. (17)

Een fundamenteel bezwaar tegen de neokantiaanse mensvisie is dat zij de mens moeilijk als een eenheid kan verklaren. Het menselijk wezen staat tegenover de persoon zoals de biologische natuur tegenover het geestelijke, het denkvermogen. Hetzelfde kan worden gezegd van het neocartesiaanse model van een menselijke geest die het elektrisch ontladingsproces van de hersenschors zou aflezen, zoals dat door Eccles wordt verondersteld. (18)

Anderzijds kan de menselijke persoon niet zuiver en alleen uit materie bestaan. Het denken in abstracte ideeën is een immateriële functie. Materiële processen, zoals chemische reacties, verlopen volgens een gedetermineerd patroon. De menselijke persoon is echter duidelijk een wezen dat zij het niet zonder beperkingen tot vrij handelen in staat is. Zowel het denkvermogen als de vrijheid veronderstellen in de mens een geestelijk levensprincipe.

Hoe kunnen het geestelijke en het lichamelijke in de mens zich tot elkaar verhouden en hoe kan de mens toch een eenheid blijven? Het specifieke van de “vorm” van het leven is dat het lichaam functioneert als een gecoördineerd en geïntegreerd geheel. Na de dood, het verdwijnen van deze specifieke “vorm”, mogen individuele cellen in het lichaam nog kortstondig voortleven getuige haar- en nagelgroei, het lichaam vormt echter niet langer één functionerend geheel. Dezelfde vorm die de materie tot het menselijk lichaam formeert, is ook het principe van de geestelijke functies van de mens. Anders valt de mens niet als een eenheid te verklaren.

Deze formulering van de verhouding tussen het geestelijke en het lichamelijke in de mens, die uiteindelijk aan Aristoteles is ontleend, is vanaf de dertiende eeuw door een groot deel van de christelijke theologen overgenomen om de traditionele christelijke opvatting van de mens als een eenheid van lichaam en ziel te verklaren. (19) Binnen deze formulering wordt de ziel gezien als de substantiële vorm van de mens. Zij sluit goed aan bij de mensvisie van de Heilige Schrift. (20) Al spoedig is zij binnen de leer van de katholieke kerk overgenomen, tijdens het Concilie van Vienne in 1312 (21) en het Vijfde Lateraans Concilie van 1512-1517 (22) en in de nieuwste encycliek Veritatis splendor. (23)

Ook de traditionele christelijke mensvisie heeft de vraag wanneer het embryo een persoon wordt niet eenduidig beantwoord. Zowel de directe bezieling op het moment van de conceptie als de verlate bezieling zijn verdedigd.

d. De intrinsieke finaliteit van het embryo
Als extra argument voor de toelaatbaarheid van vroege abortus provocatus of experimenten met embryo’s wordt wel gewezen op het feit dat de christelijke traditie tot in de negentiende eeuw de voorkeur gaf aan de theorie van de verlate bezieling. (24) Dit roept echter de vraag op waarom de christelijke theologen dan tot in de tweede helft van deze eeuw unaniem abortus provocatus ook vóór het moment van de bezieling hebben afgewezen. Blijkbaar hebben zij aan het embryo ook in de vroege ontwikkelingsfase toch een morele status toegeschreven.

Zeer bekend is de volgende tekst van Tertullianus:
“Omdat moord eenmaal verboden is, is het voor ons ook ongeoorloofd de conceptus te vernietigen gedurende de periode dat het bloed in een mens wordt omgevormd. Het voorkomen van de geboorte staat gelijk met een vroege moord; en het maakt niet uit of iemand het leven beëindigt dat al geboren is, of het leven verstoort dat nog in een ontwikkelingsfase op weg naar de geboorte is; een mens is ook degene die het zal worden; ook elke vrucht is reeds in het zaad.” (25)

Met de omvorming van het bloed in een mens doelt Tertullianus op de van oorsprong aristotelische opvatting dat het bloed in de baarmoeder bij zwangerschap niet zoals bij de menstruatie werd uitgedreven, maar achterblijft en onder invloed van de actieve formerende kracht van het mannelijk zaad tot het lichaam van het embryo wordt omgevormd. Op het moment dat dit proces nog in volle gang is, is er aldus Tertullianus iets in de baarmoeder aanwezig dat minstens als een mens moet worden gerespecteerd, omdat het dat zal worden. Als extra argument wordt toegevoegd dat elke vrucht reeds virtueel in het zaad aanwezig is.

De achterliggende gedachte in deze tekst is dat het ontwikkelingsproces vanaf het moment van de conceptie doelmatig verloopt. Er ligt in de conceptus, met name in het zaad, een essentiële doelgerichtheid (intrinsieke finaliteit) om tot een mens uit te groeien en deze dient te worden gerespecteerd.

In zijn commentaar op het Lucasevangelie schrijft Ambrosius: “Om uw lichtvaardigheid in te perken, u bent er u bewust van dat de handen van uw Schepper de mens in de baarmoeder vormt. Hij is aan het werk, en u schendt met uw lusten het geheim van de heilige baarmoeder?” (26) Hier gaat het niet om vruchtafdrijving. Ambrosius lijkt te veronderstellen dat onbeteugelde seksuele hartstochten tot steriliteit leiden. In ieder geval gaat hij ervan uit dat de vorming van het embryo binnen het kader van Gods scheppend handelen een doelgericht ontwikkelingsproces is.

Dezelfde gedachte treft men ook bij Augustinus aan: “En toch in alle zieke mensen die geboren worden, bewerkt God wat goed is, door het lichaam te vormen, aan het lichaam leven te geven, door het te voeden …” (27) Hij denkt hierbij niet aan een directe inwerking van God op het biologisch ontwikkelingsproces van het embryo, maar een transcendentele causaliteit die de directe biologische oorzaken omvat. (28) Dezelfde doelgerichtheid gekoppeld aan de scheppingsgedachte komt tot uiting in de wijze waarop Thomas van Aquino het ontstaan van de mens beschrijft. (29)

Het verijdelen van de procreatie wordt door de christelijke theologen gezien als een weigering om een volgens de scheppingsorde vastgesteld doel of goed van het huwelijk te verwezenlijken. Het is vanuit deze gedachtengang dat de kerkvaders en de middeleeuwse theologen het gebruik van steriliserende middelen (anticonceptiva), het doden van de nog niet bezielde zowel als van de bezielde vrucht en infanticide op één lijn stelden. (30)

Ofschoon in hun ogen abortus vóór de bezieling geen homicidium (moord) genoemd kan worden, spreken zij toch van een ongeoorloofde ingreep, omdat de intrinsieke finaliteit van het embryo om het moment van de bezieling te bereiken erdoor geschonden wordt. Hooguit heeft men gedurende bepaalde perioden de abortus van een onbezielde foetus lichter bestraft of, (31) indien het leven van de moeder op het spel stond, geoorloofd geacht. (32)

De ruime aanhang die de theorie van de verlate bezieling onder christelijke theologen in de loop der eeuwen heeft gehad, rechtvaardigt geenszins de conclusie dat vroege abortus provocatus of experimenten waarin embryo’s worden verbruikt, vanuit de christelijke traditie verdedigd kunnen worden. De traditie schreef ook aan het onbezielde embryo een morele status toe op basis van zijn intrinsieke finaliteit. Volgens de hedendaagse biologie ligt deze finaliteit besloten in het ontwikkelingsprogramma dat op geleide van de chromosomen, waarvan de samenstelling vanaf het moment van de bevruchting vastligt, wordt uitgevoerd.


3. Welk criterium verdient de voorkeur?
Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat het embryo vanaf het moment van de conceptie een menselijke persoon is. (33) Dit lijkt een reden te zijn om te morele status van het embryo primair hiermee in verband te brengen. Toch gaat mijn voorkeur naar het criterium van de intrinsieke finaliteit uit. Dit criterium geldt ongeacht of het embryo nu een persoon is of niet. Dit zou op zich moraaltheologen die de verlate bezieling als argument hanteren de wind uit de zeilen nemen.

Sommigen onder hen passen het oude moraalsysteem van het probabilisme toe, volgens welke men in bepaalde gevallen een waarschijnlijke opinie die tegen de norm ingaat mag volgen, ook al is de opinie ten gunste van de norm meer waarschijnlijk. Omdat de redenen die ertegen pleiten dat het vroege embryo onder de norm voor het respect voor het leven valt, minstens net zo goed en solide zouden zijn als de argumenten voor het tegengestelde, zou men gerechtigd zijn om zijn persoonlijke waarschijnlijk geachte mening te volgen. Een aanhanger van de theorie van de verlate bezieling zou langs deze weg vroege abortus en experimenten met embryo’s kunnen rechtvaardigen. (34) Nog afgezien van de vraag of men hier niet de meest veilige weg zou moeten volgen en dus geen enkel risico nemen om menselijke personen op te offeren als middel tot een doel, zou men toch de morele status van het embryo op basis van zijn intrinsieke finaliteit moeten erkennen.

Er is echter nog een meer fundamentele reden. Sommigen nemen aan dat de foetus ook in een stadium dat het al een persoon zou zijn, toch om bepaalde redenen, bijvoorbeeld omdat door middel van prenatale diagnostiek een defect is aangetoond, mag worden afgedreven. Hetzelfde geldt voor het doden van pasgeborenen met aangeboren en/of erfelijke afwijkingen, waarbij de vraag of zij als personen moeten worden beschouwd, verder niet aan de orde wordt gesteld. (35) Zowel onder christelijke moraaltheologen als in kringen van seculiere ethici wordt tegenwoordig de morele beoordeling van een handeling dikwijls aan de hand van een afweging van premorele waarden bepaald. Het doden van een embryo zou hooguit een premoreel kwaad zijn. Na afweging van dit kwaad tegen een goed doel dat men ermee beoogt, het belang van de moeder bij abortus provocatus of de vooruitgang van de geneeskunde bij experimenten in embryo’s, zou het doden van ongeborenen eventueel moreel aanvaardbaar kunnen zijn. (36) Vanwege de intrinsieke finaliteit van de menselijke persoon zowel als die van het embryo en de foetus die op weg zijn om dat te worden, mag men het leven van de mens met louter als instrumenteel goed bejegenen. Erkenning van de intrinsieke finaliteit vormt de meest fundamentele waarborg voor de bescherming van het leven voor en na de geboorte.

Noten
1. Avortement et respect de la vie humaine (Colloque du Centre catholique des médecins français, commission conjugale), Paris: Editions du Seuil, 1972, pp. 93-104, 174-184 194-204.
2. Cfr. ChE. Curran, “Abortion: Contemporary Debate in Philosophical and Religious Ethics,” in: Encyclopedia of bioethics, ed. W.T. Reich, New York/London: The Free Press/Collier Macmillan, 1982, vol. 1, pp. 21-22; cfr. L.S. Cahill, “The embryo and the fetus: new moral contexts,” Theological Studies 54 (1993), p. 142.
3. C.A. Tauer, “Personhood and Human Embryo and Fetuses,” The Journal of Medicine and Philosophy 10 (1985), p. 264.
4. Ibid. pp. 263-264.
5. J. Willke, B. Willke, Abortion: Questions and Answers, Cincinnati: Hayes Publishing Company, 1988 (herziene ed.), pp. 5-6.
6. The Warnock Report, n. 11.5 en 11.22, in: M Wamock, A Question of Life. The Warnock report on Human Fertilisation and Embryology, Oxford: Basil Blackwell, 1985, p. 59 en 66
7. N.M. Ford, When did I begin?, Cambridge: Cambridge University Press, 1988; Th.A. Shannon, A.B. Wolter, “Reflections on the moral status of the pre-embryo ” Theological Studies 51 (1990), pp. 612-614; L.S. Cahill, op. cit., pp. 127-130.
8. Sommigen menen dat van de term “pre-embryo” geen enkele suggestie in deze zin uitgaat, omdat het in de embryologie een klassieke gewoonte is om de vrucht pas na de implantatie als embryo te betitelen. Vóór de implantatie sprak men van blastogenese en daarna van embryogenese. Cfr. G.M.W.R. de Wert, J.P.M Geraedts, “IVF, pre-embryo-research en ethiek,” Metamedica 67 (1988), pp. 106-133, speciaal voetnoot 1.
9. B.M. Ashley, K.D. O’Rourke, Health Care Ethics. A Theological Analysis, St. Louis: The Catholic Health Association of the United States, 1989, p. 212.
10. W.J. Eijk, The ethical aspects of genetic engineering of human beings, Kerkrade, 1990, pp.34-36.
11. Ibid. pp. 37-39.
12. A Hellegers, “Fetal development” Theological Studies 31 (1970), p. 5. 13. Th.A. Shannon, A.B. Wolter, op. cit., p. 608.
14. N.M.Ford, op.cit.,pp.170-177.
15. C.A. Tauer, “Personhood and Human Embryo and Fetuses,” op. cit., pp. 253-266.
16. H. Engelhardt, “Viability and the use of the fetus,” in Abortion and the status of the fetus, ed. W.B. Bondeson, H. Engelhardt, et al., Dordrecht D. Reide1, 1983 (Philosophy and Medicine, vol. 13), pp. 184-191; H. Engelhardt, The Foundations of Bioethics, New York/ Oxford: Oxford University Press, 1986, pp. 104-109.
17. RD. Truog. J.C. F1etcher, “Brain Death and the Anencephalic Newbom,” Bioethics 4 (1990), pp. 199-215.
18. J.C. Eccles, Das Gehirn des Menschen, München/Zürich: R. Piper und Co. Verlag, 1984 (5e ed.), pp. 263-280; Idem, “The effect of silent thinking on the cerebral cortex”, in: The brain-mind problem. Philosophical and neurophysiological approaches, ed. Balázs Gulyás, Leuven/Assen/Maastricht: Leuven University Press/Van Gorcum, 1987, pp. 31-60.
19. L. Elders, De natuurfilosofie van Sint-Thomas van Aquino, Brugge: Tabor, 1989, pp. 283-293.
20. De bijbel ziet de mens duidelijk als een eenheid. Zie C. Squarise, “Corpo,” in: Dizionario enciclopedico di teologia morale, L. Rossi, A Valsecchi (red.), Cinisello Balsamo (Milano): Edizioni Paoline, 1987, pp. 153-157; I. Fucek, “Prospettive teologiche ed etiche in tema di corporeità umana,” Medicina e morale 40 (1990), pp. 936-940
21. DS n. 902.
22. Ibid., n. 1440.
23. Veritatis splendor n. 48.
24. G.R. Dunstan, “The human embryo in the western moral tradition,” in: The status of the human embryo. Perspectives from moral tradition, G.R. Dunstan, MJ. Seller (red.), London: King Edward’s Hospital Fund for London, 1990, p. 55.
25. Tertullianus, Apologeticus adversus gentes pro christianis, c. IX (PL 1,371-372): “Nobis vero, homicidio semel interdicto, etiam conceptum utero, dum adhuc sanguis in hominem delibatur, dissolvere non licet. Homicidii festinatio est prohibere nasci; nec refert natarn quis eripiat animam, an nascentem disturbet homo est, et qui est futurus; etiam fructus omnis jam in semine est.”
26. Ambrosius, Expositio Evangelii secundum Lucam, I. 1, 44 (PL 15, 1632): “Ad cohibendam petulantiam tuam, manus quasdam tui auctoris in utero hominem formantis advertis. Ille operatur, et tu sacri uteri secreturn incestas libidine?”
27. Augustinus, Senno CLVI, c. II (PL 38, 851): “Et tarnen in omnibus qui nascuntur infirmis Deus quod bonum est operatur, formando corpus, vivificando corpus, aIlimenta praebendo … ” Cfr. Idem, Contra Julianum Pelagianum I. V,34 (PL 44, 804): “Ut autem concipiatur fetus atque nascatur, divini est operis, non humani.”
28. Augustinus, De anima et ejus origine, I. 1, c. XVI (PL 44, 488-489).
29. Thomas van Aquino, Scriptum super libros sententiarum Petri Lombardi, 2, d. 18, q. 2, a. 3; De potentia, q. 3, ad 9; Summa contra gentiles,2, 87-89; Summa Theologica, 1, q. 76, a. 3, ad 3, en 1, q. 118, a. 2, ad 2; De spiritualibus creaturis, a. 3, ad 12; De anima, a. 11.
30. Augustinus, De nuptiis et concupiscentia, I. 1, c. XV (PL 44, 423); Petrus Lombardus, Sententiae, I. IV, d. 31, c. 3-4; Thomas van Aquino, Scriptum super libros sententiarum Petri Lombardi, IV, d. 31, Expositio textus.
31. J. Connery, Abortion: The Development of the Roman Catholic Perspective, Chicago: Loyola University Press, 1977, pp. 142-148.
32. G. Grisez, Abortion: the Myths, the Realities, and the Arguments, New York: Corpus Books,1970,pp.165-184.
33. W.J. Eijk, The ethical aspects of genetic engineering of human beings, op.cit, pp. 139-188.
34. C.A. Tauer, “The tradition of probabilism and the moral status ofthe early embryo,” Theological Studies 45 (1984), pp. 3-33; B. Soane, “Roman catholic casuistry and the moral standing of the human embryo,” in: The status of the human embryo, op. cit., pp. 81-84.
35. KNMG-Commissie aanvaardbaarheid levensbeëindigend handelen, Interim-rapport inzake levensbeëindigend handelen bij wils-onbekwame patiënten. Deel I: Zwaar-defecte pasgeborenen, Utrecht, 1990, p. 12.
36. T.L. Beauchamp, J.F. Childress, Principies of Biomedical Ethics, New York/Oxford: Oxford University Press, 1989 (3° ed.), pp. 132-133.

Overgenomen met toestemming van uitgeverij Colomba.