Hoofdstuk III: Experimenten met embryo’s

4. Toekomstige experimenten op menselijke embryo’s
Daarnaast worden ook experimenten met dierlijke embryo’s verricht op het terrein van de DNA-recombinant technologie (genetische manipulatie), farmaceutische research, productie van chimeren en parthenogenese, die mogelijk in de toekomst ook in menselijke embryo’s zullen plaatsvinden. Deze worden hieronder kort belicht, behalve de genetische manipulatie van embryo’s die het onderwerp van het volgende hoofdstuk vormt.

a. Het testen van geneesmiddelen
Embryo’s worden ook genoemd als objecten voor het testen van geneesmiddelen. Door het softenon(thalidomide)drama aan het einde van de jaren vijftig werd duidelijk hoe gevaarlijk geneesmiddelen voor de ongeboren vrucht kunnen zijn. De kinderen van vrouwen die gedurende de zwangerschap softenon (een slaapmiddel) hadden gebruikt, kregen ernstige ontwikkelingsstoornissen aan de armen en benen. Door nieuwe geneesmiddelen eerst op embryo’s uit te proberen zou men zich een beeld kunnen vormen van de eventuele schadelijke bijwerkingen.

Voorts zouden menselijke embryo’s ook kunnen dienen om het effect van chemotherapeutica te bestuderen, waarmee de groei van kwaadaardige gezwellen kan worden tegengegaan. Deze geneesmiddelen manifesteren hun effect vooral in cellen die zich snel delen. Omdat het embryo wordt gekenmerkt door een snelle groei en celdeling, zou het een geschikt object zijn om de effectiviteit en de toxiciteit van chemotherapeutica in menselijke cellen te onderzoeken.

Het Warnock rapport neigt ertoe om het testen van geneesmiddelen slechts op zeer beperkte schaal toe te staan: “Wij zijn er sterk van overtuigd dat het routinematig testen van geneesmiddelen in menselijke embryo’s geen aanvaardbaar onderzoeksterrein is, omdat dit de productie van grote aantallen embryo’s zou vergen. We zijn echter tot de conclusie gekomen dat er zeer bijzondere omstandigheden kunnen zijn waarin het testen van dergelijke stoffen op zeer kleine schaal zou zijn te rechtvaardigen”. Gebruik van embryo’s voor dit doel zou hen echter compleet tot een gebruiksmiddel verlagen. Er zou immers geen nut voor het embryo zelf zijn te verwachten, want het wordt door het experiment waarschijnlijk ernstig beschadigd en in ieder geval naderhand vernietigd.

b. De productie van chimeren
In 1965 slaagde Mintz erin twee erfelijke niet verwante jonge muizenembryo’s met elkaar te combineren tot één embryo. Na implantatie in een draagmoeder kwam hier één volwassen individu uit voort. Maximaal drie embryo’s konden op deze wijze tot één individu worden gecombineerd. De betreffende muizen, die chimeren worden genoemd, hadden dus vier respectievelijk zes ouders. In een later stadium van ontwikkeling blijkt dat na transplantatie van bepaalde gedeeltes van de embryonale hersenen van de Japanse kwartel naar de hersenen van kippenembryo’s de hieruit voorgekomen kippen kunnen kraaien als jonge Japanse kwartels. Dit is de eerste keer dat gedrag van de ene diersoort op de andere wordt overgebracht door de transplantatie van hersenweefsel. (25)

De combinatie van embryo’s heeft grote verdiensten gehad voor de bestudering van de ontwikkeling van zoogdieren en het lokaliseren van bepaalde ziekten. Bij dieren heeft men sommige ziekten zoals blindheid en anemie kunnen mitigeren door de combinatie van gezonde embryo’s met embryo’s met erfelijke defecten. Opvallend is dat cellen van bepaalde tumoren na combinatie met cellen van muizenembryo’s normaliseren. (26) Overigens zijn de vier-ouder-individuen verhoogd gevoelig voor tumoren, tonen zij een verhoogde mortaliteit en zijn zij vaak sterie1. (27)

Stel dat na combinatie van twee menselijke embryo’s één menselijke persoon zou ontstaan. Een van beide embryo’s zou de kans hebben gehad zich verder te ontwikkelen, terwijl de ander lichamelijk zou zijn “geabsorbeerd”. Dit betekent simpelweg de dood van dit laatste embryo. De combinatie van menselijke en dierlijke embryo’s is evident immoreel. Evenals bij de vorming van mens-dier-hybriden zou men zich moeten afvragen wat het resulterende individu is.

Moet het ook als mens worden beschouwd, wanneer het niet kan denken of andere typisch menselijke activiteiten toont? Welke criteria zou men dan moeten aanleggen om de menselijkheid vast te kunnen stellen? (28)

c. Parthenogenese
Parthenogenese tenslotte is de ontwikkeling van een onbevruchte eicel in een embryo zonder tussenkomst van een zaadcel. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door in de bevruchte eicel de mannelijke pronucleus vóór de fusie met de vrouwelijke te verwijderen of door chemische prikkeling van de eicel. (29) Bij amfibieën zijn op deze wijze enkele levensvatbare individuen verkregen. Niet bevruchte muizeneicellen en menselijke eicellen komen echter niet verder dan het vier- tot achtcellige stadium. Waarschijnlijk is parthenogenese bij zoogdieren en ook de mens onmogelijk, doordat de chromosomen van de zaadcel bij de vorming van de placenta en de vruchtvliezen een onmisbare rol spelen. Ethisch gezien is parthenogenese bij de mens, zo dat al ooit mogelijk zou zijn, moreelonaanvaardbaar omdat het een aseksuele voortplanting is en bijgevolg haaks staat op de waardigheid van de menselijke procreatie. (30)

Conclusie
Het lijdt geen enkele twijfel dat experimenten in embryo’s een enorme vooruitgang van de geneeskunde beloven en metterdaad zullen betekenen. Ofschoon experimenten met een direct therapeutisch oogmerk in principe aanvaardbaar zouden zijn, maken de praktische ethische bezwaren, vooral bij de huidige stand van onze kennis, ingrepen in embryo’s ontoelaatbaar. Experimenten die op de vernietiging van embryo’s uitlopen of hun grote schade toebrengen zijn niet gerechtvaardigd, hoe groot het voordeel ervan voor toekomstige generaties ook mag zijn. Ook hier geldt de fundamentele regel van de moraal: het doel heiligt niet de middelen.

Noten
1. Delen van dit hoofdstuk zijn ontleend aan W.J. Eijk, “Experimenteren met bevruchte eicellen en embryo’s,” Pro vita 10 (1993), nr. 1, pp. 1-7.
2. “Nuremberg Code,” in: Encyclopedia of Bioethics, W. T . Reich (red.), New York/London: Macmillan Libarary Reference USA Simon & Schuster and Prentice Hall International, 1995, vol. 5, pp. 2763-2764.
3. Ibid., pp. 2765-2767.
4. Pius Xll, “Iis qui interfuerunt Conventui primo intemationali de Histopathologia Systematis nervorum” (13 september 1952), AAS 34 (1952), pp. 779-789; Johannes Paulus II, “I farmaci al servizio della vita umana ” (24 oktober 1986), Insegnamenti di Giovanni Paolo II , Rome: Libreria Editrice Vaticana, IX, 2 (1986), pp. 1181-1186.
5. B.M. Ashley, K.D. O’Rourke, Healthcare Ethics. A Theological Analysis, St. Louis: The Catholic HeaIth Association of the United States, 1989 (3. ed.), pp. 234-243.
6. Zie hoofdstuk VII in dit boek.
7. Donum vitae 1, 4, Analecta van het bisdom Roermond, 68 (1987), pp. 55-56.
8. “Problemi etici e giuridici della manipolazione genetica, ” Aggiormamenti Sociali 40 (1989), p. 563, n. 32.
9. Experimenten op niet-levensvatbare embryo’s worden verdedigd door bijvoorbeeld F.E. Baylis, “The ethics of ex utero research on spare ‘non-ViabIe’ IVF human embryos,” Bioethics4 (1990), pp. 311-329.
10. National Commission for Protection of Human Subjects of Biomedical and BehavioraI Research, Research invoIving children, March 8, 1983 (U.S. Government Printing Office 0577-0004, Fed. Register, DHHS, M 45 C FR), p. 46.
11. B.M. Ashley, K.D. O’Rourke, Ethics of Health Care: An lntroductory Textbook, Washington: Georgetown University Press, 1994 (2. ed.), pp. 118-119.
12. Donum vitae 11, B, 4, c, op. cit., p. 66.
13. J. Scott, “Arterial hardening in mice,” Nature 360 (1992), pp. 631-632; RM Lawn, D.P. Wade, et. al, ” Atherogenesis in transgenic mice expressing human apolipoprotein(a),” Nature 360 (1992), pp. 670-672. De productie van transgene diermodellen waarin humane erfelijke ziekten optimaal tot expressie komen, stuit in de praktijk echter op tal van moeilijkheden, cfr . K. Davies, “Mulling over Mouse models,” Nature 359 (1992), p. 86.
14. C. Cirotto, S. Privitera, La sfida delI’ingegneria genetica, Assisi: Cittadella, 1985, pp. 98-102; A. McLaren, “Methods and success of nuclear transplantation in mammals, ” Nature 309 (1984), pp. 671-672.
15. J. McGrath, D. Solter, “Inability of Mouse Blastomere Nuclei Transferred to Enucleated Zygotes to Support Development in Vitro,” Science 226 (1984), p. 1317; J. McGrath, D. Solter, “Nuclear Transplantation in the Mouse Embryo by Microsurgery and Cell Fusion,” Science 220 (1983), p. 1300.
16. JA Robertson, “The question of human cloning,” Hastings Center Report 24 (1994), nr. 2, pp. 6-14.
17. Ibid. p. 10.
18. W.J. Eijk, The ethical problems of genetic engineering of human beings, Kerkrade, 1990, pp. 207-208.
19. A.H. Handyside, E.H Kontogianni, et al., “Pregnancies from biopsied human preimplantation embryos sexed by Y -specific DNA amplification,” Nature 344 (1990), pp. 768-770.
20. T.F. Murphy, “Reproductive controls and sex destiny,” Bioethics4 (1990), pp. 121-142.
21. The Warnock Report 12.3., in: M Wamock,A Question of Life, The Warnock Respect Human Fertilisation and Embryology, Oxford: Basil Blackwell, 1985, pp. 70-71. Twee jaar eerder, in 1982, had de British Medical Research Council dezelfde richtlijnen uitgevaardigd: “Studies on interspecies fertilisation are valuable in providing information on the penetration capacity and chromosome complement of sperm from subfertile males, and should be supported. The fertilised ova should not be allowed to develop beyond the early cleavage stage.” Cfr. .’Research related to human fertilisation and embryology,” British Medical Journal285 (1982), p. 1480.
22. W.J. Eijk, The ethical problems of genetic engineering of human beings, op. cit, pp. 213-214.
23. The Warnock Report, no. 12.5., in: M Wamock, A Question of Life, op. cit, p. 71.
24. B. Min1z, “Production of four-parent individuals,” in Encyclopedia of Bioethics, W. T . Reich ( ed. ), New York/London: The Free Press/Collier Macmillan Publishers, 1982 ( 1. ed. ), vol. 2, pp. 519-521; C. Cirotto, S. Privitera. La sfida de1l’ingegneria genetica, op. cit, pp. 102-104.
25. E. Balaban, M-A Teillet, N. Le Douarin, “Application of the Quail-Chick Chimera System to the Study of Brain Development and Behaviour,” Science 241 (1988), pp. 13391342.
26. Ibid., p. 1341.
27. C. Cirotto, S. Privitera.La sfida de1l’ingegneria genetica, op. cit, p. 104.
28. W.J. Eijk, The ethical problems of genetic engineering of human beings, op. cit, pp. 209-212.
29. M Azim, H. Surani, Sheila C. Barton, “Development of Gynogenetic Eggs in the Mouse: Implications for Parthenogenetic Embryos,” Science 222 (1983), pp. 1034-1036.
30. Donum vitae I, 6, pp. Sg..S9.

Overgenomen met toestemming van uitgeverij Colomba.

image_pdfimage_print