Hoofdstuk IV: Genetische manipulatie

Het embryo - iets of iemand ?Hoofdstuk IV uit “Het embryo: Iets of iemand?”, onder redactie van mgr.prof.dr. E. Sgreccia e.a., Colomba, 1997
door prof.dr. W.J. Eijk

Zonder overdrijving mag worden gezegd dat de moleculaire genetica zowel in de biologie als in de geneeskunde het terrein is, waarop de meeste vooruitgang wordt geboekt. In 1944 leverde de canadees Oswald Theodore Avery het onomstotelijke bewijs dat het DNA (desoxyribonucleïnezuur) in de chromosomen het molecuul was, dat de boodschap voor alle erfelijke eigenschappen in zich draagt.

Velen zien de ontrafeling van de structuur van het DNA door Watson en Crick in 1953 als een van de belangrijkste ontdekkingen van de twintigste eeuw. Niet minder belangrijk was de ontdekking van de zogenaamde endonucleasen door Berg in 1969. (1) Met deze enzymen is het mogelijk het DNA op specifieke plaatsen door te knippen en hieruit “genen” te verwijderen, stukjes DNA die de genetische code voor een bepaalde eigenschap bevatten. Nadat begin jaren zeventig methoden waren ontdekt om genen te “klonen,” multipliceren, en genen in bestaande DNA-strengen te implanteren, konden onderzoekers het DNA “manipuleren,” dat wil zeggen nieuwe combinaties van genen maken. Deze methoden worden daarom recombinant DNA-technieken genoemd.

De moleculairbiologen zelf geven de voorkeur aan de uitdrukking “recombibinant DNA-techniek” of “genetic engineering,” in plaats van “genetische manipulatie,” omdat de laatste term suggereert dat de recombinant-DNA-technologie sowieso laakbaar zou zijn. Indien toegepast op de mens stoot de term genetic engineering echter ook op een wezenlijk bezwaar. Deze uitdrukking wekt de indruk alsof de mens een “maakbaar product” zou zijn.

De recombinant-DNA-technieken vonden gedurende de jaren zeventig vooral in virussen en bacteriën plaats. In de jaren tachtig vonden zij tevens toepassing in dieren en planten, op experimenteel vlak maar ook in de bio-industrie. Vanaf 1990 zijn de eerste klinische experimenten met gentherapie bij mensen verricht, die tot nu toe alleen toevoeging van genen aan lichaamscellen betreffen. Vandaar dat hier van somatische gentherapie wordt gesproken. Experimenten hiermee vinden onder meer plaats bij lijders aan “Severe Combined Immuno Deficiency”, veroorzaakt doro het ontbreken van het enzym adnosine deanimase, (2) cystische fibrose (taaislijmziekte) (3) en maligne tumoren. (4) Tot nu toe zijn pogingen tot modificatie van het DNA in de kiembaan alleen bij infrahumane levende wezens ondernomen.

1. De mens op de stoel van de Schepper?
De tot nu toe bereikte resultaten betreffen de verandering van één welomschreven eigenschap die door één gen wordt bepaald. Geenszins mag echter uitgesloten dat in de toekomst ook complexere eigenschappen, die van meerde genen afhankelijk zijn, kunnen worden veranderd en zelfs nieuwe soorten worden gecreëerd. Vandaar dat in sommige pro life kringen en enkele religieuze organisaties de vraag wordt opgeworpen, of de mens wel het recht toekomt in de natuur, opgevat als de voorgegeven biologische natuur of de schepping, in te grijpen. Speelt de mens zo niet voor God?

Vooropgesteld moet worden dat het creëren van nieuwe planten of dierensoorten op zich voor de mens niet nieuw is. Melkvee komt in de voorgegeven biologische natuur niet voor, maar is het voortbrengel van ingenieuze door de mens uitgedachte en toepaste fokmethoden. Het principe hiervan is de kunstmatige selectie. De recombinant-DNA-techniek maakt het bij elkaar brengen van het gewenste genetische materiaal echter veel eenvoudiger, directer en effectiever.

De christelijke scheppingsleer impliceert dat de mens geen eigendomsrechten over deze wereld, dus ook ten aanzien van de voorgegeven biologische natuur, kan laten gelden. Uit de scheppingsopdracht in het boek Genesis “Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt” (Gen. 1,28; Psalm 8,7-9; Sir. 17,1-4), heeft de klassieke moraaltheologie afgeleid dat de mens een beperkt beschikkingsrecht over niet menselijk leven heeft. (5) De beperking hiervan ligt besloten in de verantwoordelijkheid die de mens, aangesteld als rentmeester, tegenover de Eigenaar van deze wereld, de Schepper, moet afleggen over het beheer ervan.

Nog afgezien van een beroep op de Openbaring, valt dit beperkte beschikkingsrecht over de biologische natuur ook langs puur filosofische weg te funderen. Er is een absoluut verschil – hoe men dit ook wil duiden – tussen personen en niet-personen. Het meest significante verschil, dat door iedereen erkend wordt, is gelegen in het vermogen van personen om vrije handelingen te verrichten, waardoor zij een doel in zichzelf zijn. Levende wezens die dit vermogen missen, hebben slechts een instrumentele waarde. Over de laatste heeft de mens daarom beschikkingsrecht, wat inhoudt dat hij ze als zuiver middel tot een door hem gekozen doel mag gebruiken. Hij gebruikt micro-organismen voor afvalverwerking en benut planten en dieren als voedsel. In het licht van deze dagelijkse gang van zaken blijkt het wel gehanteerde principe van “respect voor de integriteit van het dier” op irreële gronden te berusten. (6)

Overigens wijst ook een filosofische benadering uit dat dit beschikkingsrecht over niet-menselijk leven beperkt is. Naast de verantwoordelijkheid tegenover de Schepper stelt zich hier de verantwoordelijkheid tegenover medemensen en de toekomstige generaties, die inhoudt dat het nagestreefde doel een zinvolle bijdrage aan het algemeen welzijn nu en in de toekomst is. Bovendien vereist verantwoordelijk handelen in dit verband dat de methode waarmee het doel wordt gerealiseerd, geen onevenredig hoge risico’s met zich meebrengt.

Dat de mens over zichzelf en zijn medemensen geen beschikkingsrecht heeft, betekent echter niet dat ingrijpen in menselijk DNA volkomen onaanvaardbaar zou zijn. Langs indirecte weg, dat wil zeggen door de selectie van huwelijkspartners, hebben mensen van oudsher met eventuele erfelijke eigenschappen van het nageslacht rekening gehouden. Huwelijken tussen bloedverwanten werden en worden om deze reden afhankelijk van de graad van verwantschap ofwel verboden ofwel afgeraden.

Feitelijk is ingrijpen in menselijk DNA niets anders dan ingrijpen in de fysieke natuur van de mens. De ethische waardering hiervan is alleen vanuit de menselijke persoon in zijn geheel mogelijk. Het lichaam is een intrinsiek (wezenlijk) onderdeel van de menselijke persoon en deelt dus in diens waardigheid als doel in zich. Therapeutische ingrepen in het lichaam hebben tot oogmerk het herstel van de gezondheid van de persoon. Bij niet-therapeutische ingrepen is dat niet het geval en wordt het lichaam van de persoon en dus bijgevolg ook de persoon zelf gedegradeerd tot middel om een bepaald doel te realiseren, bijvoorbeeld het vergaren van medisch-biologische kennis.

De beoordeling van de toepassing van recombinant-DNA-technieken spitst zich daarom in essentie toe op de vraag of de betrokken persoon er doel van is of erdoor wordt geïnstrumentaliseerd. Bijkomstige – maar daarmee niet minder relevante – vragen betreffen:
1) het niveau waarop in het DNA wordt ingegrepen: lichaamscellen of kiemcellen (bevruchte eicel of geslachtscel),
2) het concrete doel: de ontrafeling van het menselijk DNA als geheel binnen het kader van het “human genome project,” de genetische diagnostiek, en de modificatie van het DNA als therapie ofvoor de verwezenlijking van eugenetische idealen, en
3) de aanvaardbaarheid van de risico’s. (7)

De modificatie van DNA in lichaamscellen met een therapeutisch doel, de somatische gentherapie, is vergelijkbaar met andere standaardtherapieën. Een parallel kan worden getrokken tussen de insertie van een nieuw gen en orgaantransplantatie, waarbij een geheel orgaan met lichaamsvreemd DNA bij de recipiënt wordt geïmplanteerd. (8) De toepassing van recombinant-DNA-technieken in kiemcellen, die het hele lichaam van de nieuwe menselijke persoon en tevens diens nageslacht betreffen, roept echter meer gecompliceerde vragen op.

image_pdfimage_print