Katholieke Stichting Medische Ethiek
27 november 2022

‘Jezus wacht op ons achter de donkere deur van de dood’

Paus Franciscus
9 februari 2022

Beste broeders en zusters, goedemorgen!

In de vorige catechese hebben wij, wederom geïnspireerd door de figuur van de heilige Jozef, nagedacht over de betekenis van de gemeenschap van de heiligen. Juist vanuit dit punt vertrekkend zou ik vandaag de bijzondere devotie willen onderzoeken die de christenen altijd hebben gehad tot de heilige Jozef als de patroonheilige van een goede dood.

Het is een devotie die is ontstaan vanuit de gedachte dat Jozef stierf ondersteund door de Maagd Maria en Jezus, voordat Hij zijn thuis in Nazareth verliet. Er zijn geen historische gegevens bekend, maar aangezien Jozef niet meer naar voren komt tijdens Jezus’ openbare leven, denkt men dat hij in Nazareth is overleden, in bijzijn van zijn familie. Jezus en Maria waren bij hem toen hij stierf.

Via Jozef en Maria naar Jezus

Een eeuw geleden schreef paus Benedictus XV dat “wij via Jozef rechtstreeks naar Maria gaan, en via Maria naar de oorsprong van alle heiligheid, die Jezus is”. Zowel Jozef als Maria helpen ons om naar Jezus te gaan. En ter aanmoediging van de devotie tot de heilige Jozef, beval de paus er een in het bijzonder aan:

“Aangezien hij terecht als de meest doeltreffende beschermer van de stervenden wordt beschouwd, daar hij met de steun van Jezus en Maria is heengegaan, zal het de zorg van de heilige herders zijn om (…) die vrome verenigingen te steunen en te bevorderen die in het leven zijn geroepen om de hulp van Jozef voor de stervenden af te smeken, zoals die ‘van de goede dood’, van ‘de overtocht van de heilige Jozef’ en ‘voor de stervenden” (Motu proprio Bonum sane, 25 juli 1920). Dat waren de verenigingen van die tijd.

Donkere deur van de dood

Beste broeders en zusters, misschien denken sommigen dat dit woordgebruik en dit thema slechts een erfenis uit het verleden zijn, maar in werkelijkheid gaat onze relatie met de dood nooit over het verleden, zij is altijd aanwezig.

Emeritus-paus Benedictus XVI zei enkele dagen geleden, sprekend over zichzelf, dat hij “voor de donkere deur van de dood staat”. Het is mooi om paus Benedictus te bedanken die op 95-jarige leeftijd de helderheid van geest heeft om ons dit te zeggen: “Ik sta voor de duisternis van de dood, de donkere deur van de dood”. Het is een prachtig advies dat hij ons heeft gegeven!

Coronavirus

De zogenaamde wellnesscultuur probeert de realiteit van de dood weg te nemen, maar op dramatische wijze heeft de pandemie van het coronavirus deze weer onder de aandacht gebracht. Het was verschrikkelijk: de dood was overal, en talloze broeders en zusters verloren geliefden zonder dat zij in hun nabijheid konden verkeren, en dit maakte de dood nog moeilijker te aanvaarden en te verwerken.

Een verpleegster vertelde me dat een grootmoeder met corona stervende was, en ze zei tegen haar: “Ik zou graag afscheid nemen van mijn familie voor ik vertrek.” En de dappere verpleegster pakte de mobiele telefoon en verbond haar door. De tederheid van dat afscheid…

Desondanks proberen wij op alle mogelijke manieren de gedachte aan onze eindigheid uit te bannen, waardoor wij onszelf wijsmaken dat wij de macht van de dood wegnemen en de angst uitbannen. Maar het christelijk geloof is geen manier om de angst voor de dood te bezweren, het helpt ons die angst onder ogen te zien. Vroeg of laat gaan we allemaal door die deur.

Het ware licht

Het ware licht dat het mysterie van de dood verlicht, komt van Christus’ verrijzenis. Dat is het licht. En de apostel Paulus schrijft: “En als wij verkondigen dat Christus uit de doden is opgestaan, hoe kunnen dan sommigen onder u beweren, dat er geen opstanding van de doden bestaat? Als er geen opstanding van de doden bestaat, is ook Christus niet verrezen. En wanneer Christus niet is verrezen, is onze prediking zonder inhoud en uw geloof eveneens” (1 Kor. 15,12-14).

Er is één zekerheid: Christus is verrezen, Christus is opgestaan, Christus leeft onder ons. En Hij is het licht dat op ons wacht achter die donkere deur van de dood.

Een positieve rol voor de dood

Beste broeders en zusters, alleen door het geloof in de verrijzenis kunnen wij de afgrond van de dood trotseren zonder door angst te worden overweldigd. Niet alleen dat, maar we kunnen de dood een positieve rol geven. Nadenken over de dood, verlicht door het mysterie van Christus, helpt ons om het hele leven met nieuwe ogen te bekijken.

Ik heb nog nooit een verhuiswagen achter een lijkwagen zien rijden! Ik heb het nog nooit gezien. We gaan alleen, met niets in onze zakken, niets. Omdat de lijkwade geen zakken heeft. De eenzaamheid van de dood: het klopt, ik heb nog nooit een verhuiswagen achter een lijkwagen zien rijden.

Het heeft geen zin te van alles te verzamelen als we op een dag zullen sterven. Wat we moeten verzamelen is naastenliefde, het vermogen om te delen, het vermogen om niet onverschillig te staan tegenover de noden van anderen.

Wat is het nut van boos worden?

Wat heeft het voor zin om ruzie te maken met een broer of zus, met een vriend, met een familielid, of met een broeder of zuster in het geloof als we op een dag zullen sterven? Wat is het nut van boos worden, van boos worden op anderen? In het aangezicht van de dood, worden zoveel kwesties kleiner. Het is goed om verzoend te sterven, zonder wrok en zonder spijt! Ik wil iets waars zeggen: we zijn allemaal op weg naar die deur, wij allemaal.

Het Evangelie zegt ons dat de dood komt als een dief; Jezus zegt: hij komt als een dief, en hoezeer wij ook proberen zijn komst te controleren, misschien zelfs onze eigen dood te plannen, het blijft een gebeurtenis waarmee wij rekening moeten houden en waarvoor wij ook keuzes moeten maken.

Twee overwegingen springen er voor ons christenen uit. De eerste is dat we de dood niet kunnen vermijden. Het is juist daarom dat, nadat alles is gedaan wat menselijkerwijs mogelijk is om de zieke te genezen, het immoreel is om aan ’therapeutische koppigheid’ te doen (vgl. Catechismus van de Katholieke Kerk, n. 2278).

Die uitdrukking van Gods trouwe volk, van eenvoudige mensen: “Laat hem in vrede sterven”, “help hem in vrede te sterven”: hoe wijs!

Palliatieve zorg

De tweede overweging betreft de kwaliteit van de dood zelf, de kwaliteit van de pijn, van het lijden. Wij moeten dankbaar zijn voor alle hulp die de geneeskunde tracht te bieden, zodat via de zogenaamde palliatieve zorg ieder mens die op het punt staat het laatste stuk van zijn of haar leven te beleven, dit op de meest menselijke wijze kan doen.

We moeten echter oppassen dat we deze hulp niet verwarren met wat onaanvaardbare neigingen tot doden zijn. We moeten mensen begeleiden naar hun dood, maar niet de dood uitlokken of enige vorm van zelfdoding steunen.

Leven is een recht, niet de dood

Ik wil erop wijzen dat het recht van eenieder op zorg en behandeling altijd voorrang moet krijgen, zodat de zwaksten, met name ouderen en zieken, nooit aan hun lot worden overgelaten. Leven is een recht, niet de dood, die moet worden verwelkomd, niet toegediend.

En dit ethische principe gaat iedereen aan, niet alleen christenen of gelovigen. Ik wil hier de nadruk leggen op een sociaal, maar wel een reëel probleem. Dat ‘plannen’ – ik weet niet of dit het juiste woord is – maar het versnellen van de dood van ouderen. Vaak zien we in een bepaalde sociale klasse dat ouderen, omdat ze de middelen niet hebben, minder medicijnen krijgen dan ze nodig hebben, en dat is onmenselijk: het helpt hen niet, het drijft hen eerder naar de dood. En dit is noch menselijk, noch christelijk.

Schat van de mensheid

De ouderen moeten worden verzorgd als een schat van de mensheid: zij zijn onze wijsheid. Ook al spreken zij niet en hebben zij geen betekenis, toch zijn zij het symbool van menselijke wijsheid. Zij zijn degenen die ons zijn voorgegaan en ons zoveel moois, zoveel herinneringen, zoveel wijsheid hebben nagelaten.

Isoleer de ouderen alstublieft niet, bespoedig de dood van de ouderen niet. Het strelen van een bejaarde heeft dezelfde hoop als het strelen van een kind, want het begin en het einde van een leven is altijd een mysterie, een mysterie dat moet worden gerespecteerd, begeleid, verzorgd, bemind.

Gods barmhartigheid

Moge de heilige Jozef ons helpen het mysterie van de dood op de best mogelijke manier te beleven. Voor een christen is de goede dood een ervaring van Gods barmhartigheid, die ons zelfs in dat laatste ogenblik van ons leven nabij komt.

Zelfs in het Weesgegroet bidden we Onze Lieve Vrouw om ons nabij te zijn “in het uur van onze dood”. Juist daarom wil ik deze catechese afsluiten met samen tot Onze Lieve Vrouw te bidden voor de stervenden, voor hen die door deze donkere deur gaan, en voor familieleden die rouwen.

Bidden we samen: Wees gegroet Maria…


Overgenomen met toestemming van Katholiek Nieuwsblad.


Vaststellen van hersendood en de relatie met de dood van de mens

Pope John Paul II
14 december 1989

Address to the Working Group on ‘The Determination of Brain Death and its Relationship to Human Death’

Distinguished Friends,

1. It is always a pleasure for me to meet the men and women of science and culture who come together under the auspices of the Pontifical Academy of Sciences for an exchange of ideas and experiences on subjects of the highest interest for the advancement of knowledge and the development of peoples. Today I am happy to greet you at the close of this gathering during which you have considered the serious problems connected with defining the moment of death, a topic which the Academy decided to take up as part of a research project begun at a study week in 1985. It is also a source of satisfaction that this present meeting has been arranged in cooperation with the Congregation for the Doctrine of the Faith. This in itself indicates the importance which the Holy See attaches to the subject under discussion.

In order to be as fruitful as possible, the Church’s action in and on behalf of the world derives much benefit from an ever increasing and more profound knowledge of man, of the situations in which he finds himself, of the questions he asks himself. While it is not the Church’s specific role to advance knowledge of a strictly scientific nature, she cannot ignore or neglect issues which are closely related to her mission of bringing the Gospel message to the thought and culture of our times.

This is particularly so when it is a question of defining the rules which should regulate human conduct. Human action affects concrete and temporal reality. Therefore the values which should inspire human conduct must reckon with that reality, with its possibilities and its limits. If the Church is to fulfil her role as the guide of consciences and not disappoint those who seek light in her, she must be well informed about this reality, which provides immense scope for positive new scientific and technical discoveries and achievements, while also involving advances which are sometimes disturbing and not infrequently perplex the human conscience.

2. This is especially the case when the reality in question is human life itself in relation to its beginning and temporal end. Life, in its spiritual and somatic unity, commands our respect. Neither individuals nor society are permitted to endanger life, whatever the benefits that might possibly accrue as a result.

The value of life springs from what is spiritual in man. The body too receives from the spiritual principle – which inhabits it and makes it what it is – a supreme dignity, a kind of reflection of the Absolute. The body is that of a person, a being which is open to superior values, a being capable of fulfilment in the knowledge and love of God.

When we consider that every individual is a living expression of unity and that the human body is not just an instrument or item of property, but shares in the individual’s value as a human being, then it follows that the body cannot under any circumstances be treated as something to be disposed of at will.

3. One cannot make the body a mere object of experimentation with no other norms than those of scientific research and technical capacity. However interesting or even useful certain kinds of experimentation may appear, however technologically possible they may now be, anyone with a true understanding of values and human dignity will immediately recognise that even an apparently promising avenue of experimentation must be abandoned if it involves the degradation of man or the deliberate termination of his earthly existence. In the long run, apparent benefits of this kind would be of an illusory nature. Thus, some form of renunciation on the part of scientists and researchers is called for. It may seem unreasonable to admit that a feasible and promising experiment should be hindered by moral imperatives, especially when it is almost certain that other people, who feel less bound by ethical restraints, will in any case carry out the same research. But is this not the case with all moral imperatives? And are not those who remain faithful to such imperatives often considered as naive and treated as such?

Here the difficulty is even greater because a prohibition made in the name of respect for life seems to conflict with other important values: not only the value of scientific knowledge, but also values connected with the concrete good of humanity, such as the improvement of living conditions, health, the relief or healing of illness and suffering, etc. This is the very problem you are considering. How does one reconcile respect for life – which forbids any action likely to cause or hasten death – with the potential good that results for humanity if the organs of a dead person are removed for transplanting to a sick person who needs them, keeping in mind that the success of such an intervention depends on the speed with which the organs are removed from the donor after his or her death?

4. At what moment does that which we call death take place?

That is the crux of the matter. In essence, exactly what is death? As you know, and as your discussions have confirmed, it is not easy to reach a definition of death which can be understood and accepted by all. Death can mean decomposition, disintegration, a separation. It occurs when the spiritual principle which ensures the unity of the individual can no longer exercise its functions in and upon the organism, whose elements, left to themselves, disintegrate.

This destruction does not of course affect the entire human being. Christian faith – and it is not alone here – affirms the continuation of man’s spiritual principle beyond death. However, this state of ‘beyond’ – for those who do not have faith – is without a clear face or form, and everyone feels anguish when confronted by a separation which so brutally contradicts our will to live, our wish to exist. Unlike animals, man knows that he must die and he perceives this as an affront to this dignity. Although in the flesh he is mortal, he also realises that he ought not to die, because he carries within himself an openness, an aspiration towards the eternal.

Why does death exist? What is its meaning? Christian faith affirms that there is a mysterious link between death and moral disorder or sin. Yet at the same time, faith imbues death with a positive meaning because it has the resurrection as its horizon. It shows us the Word of God who takes on our mortal condition and offers his life in sacrifice for us sinners on the Cross. Death is neither a simple physical consequence nor a mere punishment. It becomes the gift of self for the sake of love. In the Risen Christ we see death definitively conquered: ‘death has no more dominion over him’. The Christian also confidently looks forwards to regaining his own personal totality, transfigured and definitively possessed in Christ.

Such is death seen through the eyes of faith. It is not so much an end of living as an entry into a new life, a life without end. If we freely accept the love which God offers us, we will have a new birth in joy and in light, a new dies natalis.

This hope does not however prevent death from being a painful separation, at least as it is experienced at the ordinary level of awareness. The moment of this separation is not directly discernible, and the problem is to identify its signs. How many questions emerge here, and how complex they are! Your reports and your discussions have emphasised this fact, and have provided valuable elements for a solution.

5. The problem of the moment of death has serious implications at the practical level, and this aspect is also of great interest to the Church. In practice, there seems to arise a tragic dilemma. On the one hand, there is the urgent need to find replacement organs for sick people who would otherwise die or at least would not recover. In other words, it is conceivable that in order to escape certain and imminent death a patient may need to receive an organ which could be provided by another patient, who may be lying next to him in hospital, but about whose death there still remains some doubt. Consequently, in the process there arises the danger of terminating a human life, of definitively disrupting the psychosomatic unity of a person. More precisely, there is a real possibility that the life whose continuation is made unsustainable by the removal of a vital organ may be that of a living person, whereas the repect due to human life absolutely prohibits the direct and positive sacrifice of that life, even though it may be for the benefit of another human being who might be felt to be entitled to preference.

Even the application of very certain principles is not always easy, for the confrontation with opposite demands clouds our imperfect vision and therefore our perception of the absolute values which depend neither on our vision nor on our emotions.

6. In such conditions two tasks need to be addressed.

Scientists, analysts and scholars must pursue their research and studies in order to determine as precisely as possible the exact moment and the indisputable sign of death. For, once such a determination has been arrived at, then the apparent conflict, between the duty to respect the life of one person and the duty to effect a cure or even save the life of another, disappears. One would be able to know at what moment it would be perfectly permissible to do what had been definitely forbidden previously, namely, the removal of an organ for transplanting, with the best chances of a successful outcome!

Moralists, philosophers and theologians must find appropriate solutions to new problems and to new aspects of age-old problems in the light of new data. They must examine situations which were previously inconceivable and which have therefore never before been assessed. In other words, they must exercise what the moral tradition defines as the virtue of prudence, which presupposes moral rectitude and faithfulness to the Good. This virtue makes it possible to assess all the factors and values involved according to their respective importance. It guards against facile solutions or solutions which, in resolving a difficult case, surreptitiously introduce false principles. Thus the acquisition of new data can stimulate and refine moral reflection, just as, by contrast, moral demands which seem perhaps to scientists to restrict their freedom may be and indeed often are an incentive to further fruitful research.

Scientific research and moral reflection must proceed side by side in a spirit of mutual help. We must never lose sight of the supreme dignity of the human person whose well-being research and reflection are called to serve, and in whom the believer recognises nothing less than the image of God himself.

Distinguished friends, may the Spirit of Truth assist you in your difficult but necessary and most valuable research. I thank you for your cooperation with the Pontifical Academy of Sciences, which seeks to foster interdisciplinary dialogue and a wide exchange of information in fields of human endeavour which involve moral choices and responsibilities of the utmost importance for the well-being of the human family. May God bless you abundantly!