Katholieke Stichting Medische Ethiek
13 augustus 2022

Responsum op een vraag over de legitimiteit van hysterectomie in sommige gevallen

Op 31 juli 1993 publiceerde de Congregatie voor de Geloofsleer Antwoorden op vragen die werden voorgesteld met betrekking tot “baarmoederisolatie” en aanverwante zaken. Volgens deze antwoorden, die hun volledige geldigheid behouden, is het verwijderen van de baarmoeder (hysterectomie) moreel toegestaan als het een ernstig actueel gevaar voor het leven of de gezondheid van de moeder vormt. Niet toelaatbaar is echter de vorm van directe sterilisatie door de verwijdering van de baarmoeder en de afbinden van de eileiders (uteriene isolatie), met het doel een mogelijke zwangerschap te voorkomen, in het geval deze een risico voor de moeder met zich mee kan brengen.

In de afgelopen jaren zijn aan de Heilige Stoel een aantal welomschreven gevallen voorgelegd die zich ook bezighouden met hysterectomie, maar die verschillen van de in 1993 onderzochte gevallen, voor zover het om situaties gaat waarbij voortplanting in het geheel niet meer mogelijk is. De vraag en het antwoord, die nu samen met een toelichting worden gepubliceerd, verwijzen naar deze nieuwe situatie en vullen de antwoorden uit 1993 aan.

Vraag:

Wanneer de baarmoeder onomkeerbaar in een zodanige staat is bevonden dat deze niet langer geschikt is voor voortplanting en medische deskundigen de zekerheid hebben bereikt dat een eventuele zwangerschap een spontane abortus tot stand zal brengen voordat de foetus in staat is tot een levensvatbare toestand te komen, is het  dan geoorloofd om het te verwijderen (hysterectomie)?

Reactie:

Ja, omdat het geen sterilisatie betreft.

Illustratieve notitie

De vraag heeft betrekking op enkele extreme gevallen die de laatste jaren aan de Congregatie voor de Geloofsleer zijn voorgelegd en die betrekking hebben op andere situaties dan die welke op 31 juli 1993 negatief werd beantwoord. Wat in wezen de vraag die nu wordt voorgelegd onderscheid, is de zekerheid, verkregen door ervaren artsen, dat een mogelijke zwangerschap spontaan zou eindigen voordat de foetus levensvatbaar is. Dit gaat niet over grotere of kleinere moeilijkheden of risico’s, maar over een echtpaar dat zich niet kan vermenigvuldigen.

Het eigenlijke doel van sterilisatie is om de functie van de voortplantingsorganen te buiten werking te stellen. De ontoelaatbaarheid van sterilisatie bestaat in de weigering van het krijgen van kinderen: het is een daad tegen de bonum-prolis. In het geval dat door deze vraag beoordeeld wordt, is het echter bekend dat de voortplantingsorganen niet in staat zijn om een ontvangen kind levensvatbaar te maken, dat wil zeggen, dat het zijn natuurlijke voortplantingsfunctie niet kan vervullen. Het doel van het procreatieve proces is om een kind ter wereld te brengen, maar hier is de geboorte van een levende foetus biologisch niet mogelijk. Daarom hebben we het niet over een gebrekkig of riskant functioneren van de voortplantingsorganen, maar we worden hier geconfronteerd met een situatie waarin het op natuurlijke wijze tot het einde uitdragen en een levend kind ter wereld brengen niet haalbaar is.

De medische interventie kan niet worden beschouwd als anti-procreatief, omdat het een objectieve situatie is waarin geen procreatie en dus geen antiprocreatieve actie mogelijk is. Het verwijderen van voortplantingsorganen die niet in staat zijn om een zwangerschap te voldragen, kan dus niet worden omschreven als een directe sterilisatie, die als doel en als middel op zich niet toelaatbaar is.

Het probleem van de criteria om te beoordelen of de zwangerschap wel of niet zou kunnen doorgaan, is een medisch probleem. Vanuit moreel oogpunt moet men zich afvragen of de hoogste mate van zekerheid die het geneesmiddel kan bereiken, is bereikt, en in die zin is het gegeven antwoord geldig voor de vraag, zoals te goeder trouw is voorgesteld.

Bovendien betekent het antwoord op de vraag niet dat de beslissing om een hysterectomie uit te voeren altijd de best mogelijke is, maar alleen dat het een moreel toelaatbare beslissing is onder de bovengenoemde voorwaarden zonder andere opties (bijvoorbeeld beroep te doen op onvruchtbare perioden of volledige onthouding). Het is de beslissing van de echtgenoten om, in samenspraak met artsen en hun geestelijke leidsman, het te volgen pad te kiezen, door de algemene criteria voor het beoordelen van medische interventies per geval en hun omstandigheden toe te passen.

Tijdens de audiëntie verleend aan de Kardinaal prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, heeft Paus Franciscus dit antwoord goedgekeurd en heeft hij er de publicatie van bevolen.

 

Rome, op de zetel van de Congregatie voor de Geloofsleer, 10 december 2018.

 

 

Luis F. Card. Ladaria, S.J.

Prefect

 

+ Giacomo Morandi

Titulair aartsbisschop van Cerveteri

Secretaris


Responses to questions proposed concerning “uterine isolation” and related matters

The Cardinal Members of the Congregation for the Doctrine of the Faith in answer to the questions examined in ordinary session decreed the following replies:

  1. Q. 1.When the uterus becomes so seriously injured (e.g., during a delivery or a Caesarian section) so as to render medically indicated even its total removal (hysterectomy) in order to counter an immediate serious threat to the life or health of the mother, is it licit to perform such a procedure notwithstanding the permanent sterility which will result for the woman?
  2. R. Affirmative.
  3. Q. 2.When the uterus (e.g., as a result of previous Caesarian sections) is in a state such that while not constituting in itself a present risk to the life or health of the woman, nevertheless is foreseeably incapable of carrying a future pregnancy to term without danger to the mother, danger which in some cases could be serious, is it licit to remove the uterus (hysterectomy) in order to prevent a possible future danger deriving from conception?
  4. R. Negative.
  5. Q. 3.In the same situation as in no. 2, is it licit to substitute tubal ligation, also called “uterine isolation,” for the hysterectomy, since the same end would be attained of averting the risks of a possible pregnancy by means of a procedure which is much simpler for the doctor and less serious for the woman, and since in addition, in some cases, the ensuing sterility might be reversible?
  6. Negative.

Explanation

In the first case, the hysterectomy is licit because it has a directly therapeutic character, even though it may be foreseen that permanent sterility will result. In fact, it is the pathological condition of the uterus (e.g., a hemorrhage which cannot be stopped by other means), which makes its removal medically indicated. The removal of the organ has as its aim, therefore, the curtailing of a serious present danger to the woman independent of a possible future pregnancy.

From the moral point of view, the cases of hysterectomy and “uterine isolation” in the circumstances described in nos. 2 and 3 are different. These fall into the moral category of direct sterilization which in the Congregation of the Doctrine of the Faith’s document Quaecumque Sterilizatio (AAS LXVIII 1976, 738-740, no. 1) is defined as an action « whose sole, immediate effect is to render the generative faculty incapable of procreation ». And the same document continues: « It (direct sterilization) is absolutely forbidden … according to the teaching of the Church, even when it is motivated by a subjectively right intention of curing or preventing a physical or psychological ill-effect which is foreseen or feared as a result of pregnancy ».

In point of fact, the uterus as described in no. 2 does not constitute in and of itself any present danger to the woman. Indeed the proposal to substitute “uterine isolation” for hysterectomy under the same conditions shows precisely that the uterus in and of itself does not pose a pathological problem for the woman. Therefore, the described procedures do not have a properly therapeutic character but are aimed in themselves at rendering sterile future sexual acts freely chosen. The end of avoiding risks to the mother, deriving from a possible pregnancy, is thus pursued by means of a direct sterilization, in itself always morally illicit, while other ways, which are morally licit, remain open to free choice.

The contrary opinion which considers the interventions described in nos. 2 and 3 as indirect sterilizations, licit under certain conditions, cannot be regarded as valid and may not be followed in Catholic hospitals.

During an audience granted to the undersigned Prefect, the Sovereign Pontiff John Paul II approved these responses adopted in an ordinary session of the Congregation for the Doctrine of the Faith, and ordered them to be published.

Rome, at the Congregation for the Doctrine of the Faith, the 31st of July 1993.

+ Joseph Card. Ratzinger
Prefect

+ Alberto Bovone
Titular Archbishop of Caesarea in Numidia
Secretary