Voltooid leven

  1. Het kabinet Rutte II neemt het initiatief, maar Pia Dijkstra ook

In 2014 stelden de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Schippers, en de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie, Opstelten, de Adviescommissie voltooid leven in, onder het voorzitterschap van de D66-er prof. P. Schnabel. Deze commissie concludeerde in haar rapport Voltooid leven, gepubliceerd op 4 februari 2016, dat de Euthanasiewet goed functioneert. De commissie was van mening dat de Euthanasiewet voor het merendeel van de gevallen die worden gekwalificeerd als ‘voltooid leven’ ruimte biedt voor levensbeëindiging op verzoek. Zij raadde daarom af de Euthanasiewet te wijzigen.(21)

Op woensdag 12 oktober jl. werd echter iedereen – blij of minder blij –verrast door een brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Schippers, en de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie, Van der Steur, gericht aan de voorzitter van de Tweede Kamer.(22) Beide ministers maakten daarin bekend dat het kabinet het voornemen heeft om een nieuwe wet uit te werken die het mogelijk moet maken dat ook hulp bij suïcide wordt geboden aan mensen die niet lijden aan een medische aandoening of een combinatie van medische factoren, kortom ook aan mensen die eventueel gezond zijn. Het kabinet meent dat er ook dan sprake kan zijn van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Dit betreft mensen veelal op leeftijd die gebukt gaan onder het verlies van dierbaren, eenzaamheid, vermoeidheid of aftakeling als gevolg van ouderdom, maar overigens gezond zijn. Hierin zijn beide ministers niet helemaal consequent: vermoeidheid en lichamelijk aftakeling kunnen immers worden geïnterpreteerd als een medische grondslag . Enkelen ontwikkelen als gevolg van genoemde klachten een duurzame en actieve doodswens, omdat zij van mening zijn dat hun leven geen zin meer heeft en ‘voltooid’ is. Deze mensen komen volgens de Euthanasiewet niet in aanmerking voor hulp bij suïcide, omdat er voor hun uitzichtloos en ondraaglijk lijden geen medische grondslag is. Om ook hulp bij suïcide mogelijk te maken bij mensen die uitzichtloos en ondraaglijk lijden door andere dan medische oorzaken en hun leven daarom ‘voltooid’ achten, wil het kabinet een nieuwe wet opstellen.

Opmerkelijk is wat het kabinet doet met het advies van de Commissie Schnabel. Het neemt het advies van de commissie over om de Euthanasiewet ongewijzigd te laten.(24) Het wijkt tot ieders verrassing echter af van het advies van de commissie om de huidige juridische mogelijkheden voor hulp bij zelfdoding niet te verruimen. Daarentegen stelt het kabinet een nieuwe wet in het vooruitzicht die ruimte zal creëren voor hulp bij suïcide wegens een voltooid leven, dat wil zeggen voor mensen die hun leven wensen te beëindigen vanwege een uitzichtloos en ondraaglijk geacht lijden zonder medische grondslag.

Waarom wil het kabinet zo’n nieuwe wet naast de bestaande Euthanasiewet? De Euthanasiewet kent, zoals we hebben gezien, aan de arts een centrale rol toe bij het besluit of levensbeëindigend handelen op verzoek plaatsvindt. En van die centrale rol van de arts moeten we volgens het kabinet af wanneer het gaat om een voltooid leven, omdat in deze situatie het lijden geen medische grondslag heeft. Of het leven voltooid is en verder leven zinloos, vermag dan niet de arts met zijn medische expertise vast te stellen, maar alleen het betrokken individu zelf, aldus het kabinet. Dit behoort tot het terrein van zijn autonomie. Om aan diens autonomie recht te doen, acht het kabinet een andere wet noodzakelijk naast de bestaande Euthanasiewet.

a. Euthanasiewet: de waarde van het leven tegenover die van de barmhartigheid
Binnen het kader van de Euthanasiewet is wie euthanasie of hulp bij suïcide wenst, afhankelijk van de arts. De arts toetst vooraf of het lijden van de patiënt dat moet zijn veroorzaakt door een ziekte of een combinatie van medische factoren uitzichtloos en ondraaglijk is en daarom het verzoek tot levensbeëindiging kan worden ingewilligd. De arts heeft geen plicht om euthanasie te verrichten of hulp bij suïcide te verlenen. En de patiënt heeft geen recht op euthanasie of hulp bij suïcide.

Om de arts te controleren verricht een van de vijf Regionale Toetsingscommissies Euthanasie achteraf een toetsing. De Euthanasiewet gaat uit van de veronderstelling dat de arts vanwege de uitzichtloosheid en de ondraaglijkheid van het lijden van de patiënt geconfronteerd wordt met een conflict van plichten: enerzijds heeft hij de plicht om het leven te beschermen en te behouden, anderzijds heeft hij de plicht om het lijden weg te nemen of te verminderen en zou hij dat in sommige gevallen als er geen alternatief is alleen kunnen doen door het leven van de patiënt te beëindigen. Hij staat dan voor een conflict van plichten die een situatie van overmacht zou inhouden in de zin van artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht dat zegt: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen”. Zou hij in die situaties het leven van de patient beëindigen, dan doet de arts iets wat formeel tegen de wet ingaat (euthanasie en hulp bij suïcide zijn immers nog steeds formeel verboden), maar niet materieel, en wordt hij daarom niet gestraft: “Dit betekent dat als iemand ondraaglijk en uitzichtloos lijdt, de beschermwaardigheid van het leven kan wijken voor het beroep op barmhartigheid,” aldus de ministers Schippers en Van der Steur.(25)

De ministers Schippers en Van der Steur grijpen hier terug op de gedachte die in de discussie over euthanasie herhaaldelijk terugkeert, dat de waarde van het leven aan de ene kant en die van barmhartigheid aan de andere kant twee waarden zijn die met elkaar in conflict kunnen komen en in sommige gevallen barmhartigheid een hogere waarde is dan het leven. Deze tegenstelling is puntig verwoord in de Engelse uitdrukking mercy killing, doden uit barmhartigheid. Een probleem dat in de discussie over de aanvaardbaarheid van levensbeëindigend handelen steeds voorkomt, is dat men de waarde van het leven afzet tegen andere waarden: tegenover barmhartigheid, maar ook – zoals we later nog zullen zien – tegenover de autonomie van de mens.

  1. Waarden zijn echter niet altijd tegen elkaar af te zetten. Sommige waarden zijn ‘incommensurabel’, dat wil zeggen dat ze vanwege hun aard niet tegen andere waarden afgewogen kunnen worden; zo’n waarde is de waarde van het leven. Dit is een intrinsieke (essentiële) waarde, dat wil zeggen een doel in zich en nooit een louter middel tot een doel, hetgeen inhoudt dat het leven nooit ofte nimmer mag worden opgeofferd om aan het lijden een einde te maken.
  2. Uiteraard is barmhartigheid ook een intrinsieke waarde die nooit geschonden mag worden: we mogen niet onbarmhartig zijn. Maar het is niet onbarmhartig als we weigeren om iemand bij te staan bij de beëindiging van zijn leven. Barmhartigheid vraagt niet om medewerking te verlenen aan de schending van een intrinsieke waarde, hier de waarde van het leven. Echte barmhartigheid houdt in dat “men solidair [wordt] met andermans lijden, zonder dat dit leidt tot het doden van degene wiens lijden men niet kan verdragen” (Evangelium vitae, 66). (26) Echte barmhartigheid houdt niet de plicht in om het lijden totaal weg te nemen. Zo’n plicht hebben artsen en andere medewerkers in de gezondheidszorg, familieleden, vrienden en bekenden niet; bovendien zijn zij daar vaak niet toe in staat. Barmhartigheid betekent hier dat men tot het uiterste gaat om het lijden van de medemens tot draagbare proporties terug te brengen. Deze barmhartigheid wordt concreet geboden in de vorm van liefdevolle en professionele palliatieve zorg.

b. Nieuwe wet: autonomie tegenover beschermwaardigheid van het leven
In gevallen van een ‘voltooid leven’ is er geen medische aandoening of combinatie van medische factoren waarover de arts een oordeel zou kunnen vellen. De arts kan niet op basis van zijn specifieke deskundigheid beoordelen of een leven ‘voltooid’ is en of zaken als eenzaamheid, ouderdom en verminderde mobiliteit een uitzichtloos en ondraaglijk lijden betekenen. Bijgevolg is een conflict van plichten bij de arts in deze situaties niet aan de orde. Daarom acht het kabinet daarvoor een andere, nieuwe wet nodig waarin niet de arts en zijn veronderstelde conflict van plichten een centrale rol hebben, maar degene die wegens een voltooid leven wenst te sterven, en diens autonomie.(27) Het kabinet wil recht doen aan de autonomie van mensen die een stervenswens hebben zonder dat er medische redenen voor zijn. Autonomie (zelfbeschikking) is aldus het kabinet een fundamentele waarde en een belangrijk element zowel voor de ethiek als voor het recht. Het kabinet acht autonomie weliswaar geen absoluut principe, maar vindt dat de beschermwaardigheid van het leven in sommige gevallen onder druk komt te staan, wanneer mensen zonder specifiek medische problemen menen dat hun leven voor henzelf geen waarde meer heeft en zij bijgevolg een persistente, actieve doodswens hebben. In dergelijke gevallen kan het voorkomen dat de beschermwaardigheid van het leven moet wijken voor de autonomie, het recht op zelfbeschikking.

Om misbruik te voorkomen zal ervoor moeten worden gewaakt dat het verzoek om hulp bij suïcide inderdaad vrijwillig, consistent en weloverwogen is. Daarom is hier een toetsing vooraf nodig en niet achteraf zoals geschiedt binnen het kader van de Euthanasiewet door de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie. De toetsing voorafgaande aan de zelfdoding zal worden verricht door een speciaal daartoe opgeleide ‘stervenshulpverlener’. Het gaat om een nieuwe beroepsgroep van deskundigen die ervaring hebben met existentiële en psychosociale problemen en met de begeleiding van mensen aan het levenseinde. Dit kunnen artsen zijn, maar ook verpleegkundigen of psychologen die een ‘medische kopstudie’ hebben gevolgd. De stervenshulpverlener moet een aantal gesprekken voeren met betrokkene om te bezien of diens doodswens weloverwogen, vrijwillig en duurzaam is. Tevens moet hij beoordelen of de stervenswens niet uit een medische oorzaak voortvloeit, bijvoorbeeld een depressie, en door een medische behandeling kan worden verholpen.(28) Nadat de zelfdoding heeft plaatsgevonden, wordt het besluit om hulp bij zelfdoding te verlenen getoetst door een onafhankelijke commissie.(29)

De wet die het kabinet wil uitwerken, lijkt veel op het wetsvoorstel van Uit Vrije Wil. Het kabinet geeft echter in tegenstelling tot de initiatiefgroep Uit Vrije Wil geen leeftijdsgrens aan, al denkt het bij ‘voltooid leven’ vooral aan mensen op leeftijd.(30)

In die behoefte aan een leeftijdsgrens voorziet echter wel Pia Dijkstra, die opnieuw het podium van de discussie over voltooid leven beklommen heeft. Zij heeft een initiatiefwetsvoorstel (31) opgesteld, waarin wordt bepaald dat alleen mensen van 75 jaar voor hulp bij zelfdoding in verband met een voltooid leven in aanmerking komen. Een ander opmerkelijk verschil met het kabinetsplan is dat zij in haar wetsvoorstel niet spreekt van ‘stervenshulpverlener’, maar van ‘levenseindebegeleider’. Deze hoeft geen arts te zijn, maar wel BIG-geregistreerd. Deze levenseindebegeleider kan – blijkbaar ook indien geen arts – de middelen voor de levensbeëindiging voorschijven bij de apotheek. Deze middelen mag de apotheek dan alleen aan de levenseindebegeleider verstrekken (art. 4). Tot en met 31 januari 2017 was haar wetsvoorstel online ter consultatie voorgelegd.

Sinds eind oktober 2017 is een nieuwe regering aangetreden, waaraan D66, de VVD, het CDA en de CU deelnemen. De twee laatste partijen wijzen een wet op hulp bij suïcide wegens voltooid leven af. De nieuwe regering heeft daarom besloten geen eigen wetsvoorstel hierover aan de Tweede Kamer voor te leggen. De twee genoemde christelijke partijen zijn echter niet van plan het kabinet te laten vallen, wanneer de Tweede en de Eerste Kamer een initiatiefwetsvoorstel, ingediend vanuit de Tweede Kamer, zullen aannemen dat hulp bij suïcide wegens voltooid leven mogelijk maakt.

In het regeerakkoord zegt de nieuwe regering volgende stappen te willen zetten:

  1. De nieuwe regering zet zich in om de aanbevelingen te implementeren van het manifest Waardig ouder worden, een gemeenschappelijk document van de ChristenUnie, de omroep Max en de KBO-PCOB. Deze drie organisaties roepen op tot een campagne, onder meer om de ouderdom, een actieplan ten aanzien van eenzaamheid, de verbetering van palliatieve zorg en de pastorale zorg te re-evalueren.(32)
  2. De Minister voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport zet zich in om de aanbevelingen te implementeren van de boven genoemde Commissie Schnabel, waaronder die met betrekking tot de vermeerdering van de kennis van de Euthanasiewet onder artsen en patiënten. Het doel hiervan is om helder te maken welke mogelijkheden deze wet biedt voor hulp bij suïcide wegens een voltooid leven, in samenhang met een nieuwe evaluatie (de derde) van de Euthanasiewet.
  3. De nieuwe regering zal een onderzoek in gang zetten over de grootte en de omstandigheden van de groep voor wie de ruime interpretatie en toepassing van de Euthanasiewet, zoals aangegeven door de Commissie Schnabel, in de ogen van de betrokkenen te weinig uitkomst bieden.(33)

Het gaat uiteraard om een compromis tussen de twee liberale en de twee christelijke partijen die samen de regering vormen. Iedere partij wil iets van zijn verkiezingsprogramma in het regeerakkoord terugzien.

image_pdfimage_print