Over erfelijke ziekten en anticonceptie

Paus Pius XIILe VIIe congrès
Toespraak tot het 7e congres van de Internationale Vereniging voor Hematologie over enkele voorgelegde problemen

Paus Pius XII
12 september 1958

Inleiding: de vele problemen van de haematologie
Het zevende internationaal congres voor haematologie, dat ruim duizend specialisten uit verschillende landen te Rome bijeenbrengt, was voor u, heren, een aanleiding om ons een bezoek te brengen. Wij zijn daar zeer erkentelijk voor en wij heten u van harte welkom. Uw bijeenkomst werd voorafgegaan door het internationaal congres voor bloedtransfusie, dat wij ook, tot ons genoegen, mochten toespreken.

Een enkele blik op de onderwerpen van uw program is voldoende om aan te tonen, hoe uiteenlopend en talrijk de problemen zijn, die zich tegenwoordig in de haematologie voordoen. Wij noemen van de problemen, die in de voltallige vergaderingen behandeld worden, kwesties over de immuno-haematologie, de haemorrhagische ziekten, de leucomie, de milt en het reticulo-endotheliaal apparaat, de bloedarmoede, het gebruik van radioactieve isotopen in de haematologie. Daarbij komen nog de referaten en de discussies, die in de symposia plaatshebben. Zo zult gij uw wetenschappelijke kennis kunnen verrijken en deze beter kunnen toepassen in het dagelijks leven op individuele personen en gezinnen, voor wie deze resultaten uiteindelijk bestemd zijn. Men kan zeggen, dat de overgeërfde problemen van het bloed, een erfenis van vroegere geslachten, waarvan de tegenwoordige mensen zich vaak met verwondering en vrees bewust worden, een universeel karakter hebben, dat uw moeiten ruimschoots rechtvaardigt, en dat o.a. bewezen wordt door het feit, dat zoveel landen op uw congres vertegenwoordigd zijn.

I. Pogingen tot oplossing
1. Twee gevallen: steriliteit en erfelijke ziekte

Het werk, dat wij reeds in onze vorige toespraak citeerden, over de genetische consultatie (Sheldon C. Reed, Counseling in Medical Genetics), geeft de verschillende manieren aan, waarop men gewoonlijk de oplossing zoekt voor het probleem van de ziekelijke erfelijkheid.

Volgens zijn zeggen is, sinds men de techniek van de kunstmatige bevruchting heeft ontdekt, de semiadoptie op grote schaal benut om kinderen te bezitten, wanneer de man onvruchtbaar is of wanneer het echtpaar heeft ontdekt, dat het de drager was van een ernstige recessieve geen. Als de adoptiefvader twijfelt aan de wettigheid van het kind, dat zijn vrouw door deze methode heeft voortgebracht, kan men dit probleem heel eenvoudig oplossen door adoptie. Een in 1954 gepubliceerde wetenschappelijke verhandeling legt er de nadruk op, dat echtparen, die elkaar verdenken van steriliteit, er gemakkelijk toe komen, door het opzettelijk plegen van echtbreuk, uit te maken, wie van beiden de oorzaak is van de steriliteit. Om dit soort tragische experimenten te voorkomen kan een kliniek voor de vruchtbaarheid van groot nut zijn.

Een ander typisch geval is dat van een vrouw, die een genetisch consult vraagt, omdat zij weet, dat zij de draagster is van een erfelijke ziekte, en die, wij] zij geen anticonceptionele middelen kan aanvaarden zich willaten steriliseren.

2. Kunstmatige inseminatie en echtbreuk als poging tot oplossing
Het eerst genoemde geval zoekt de oplossing voor het probleem van de onvruchtbaarheid van de man in de kunstmatige inseminatie, waarbij natuurlijk een donor verondersteld wordt, die buiten het echtpaar staat Wij hadden reeds eerder gelegenheid om tegen deze praktijk stelling te nemen in onze toespraak van 29 September 1949 tot het vierde internationaal congres van katholieke artsen. Wij hebben daar de inseminatie tussen niet.gehuwden en zelfs tussen echtgenoten volstrekt afgewezen. (1) Wij hebben deze kwestie weer behandeld in onze toespraak van 19 Mei 1956 tot het wereldcongres over vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid (2) om opnieuw elke soort kunstmatige inseminatie af te keuren, omdat deze praktijk niet besloten ligt in de rechten van de gehuwden en omdat ze in strijd is met de natuurwet en met de katholieke zedenleer. Wat de kunstmatige inseminatie tussen ongehuwden betreft, hebben wij al in 1949 verklaard, dat deze het beginsel van het natuurrecht schond, krachtens hetwelk elk nieuw leven slechts mag worden voortgebracht in een geldig huwelijk.

De oplossing door opzettelijke echtbreuk veroordeelt zichzelf, welke ook de biologische, eugenetische of juridische motieven mogen zijn, waarmee men haar tracht te rechtvaardigen. Geen enkele echtgenoot kan zijn huwelijksrechten ter beschikking stellen van een derde, en iedere poging om er afstand van te doen, blijft zonder effect; men zou zich daarvoor evenmin kunnen beroepen op het juridisch axioma: “volenti non fit iniuria: aan wie toestemt, geschiedt geen onrecht”.

3. De rechtstreekse sterilisatie als poging tot oplossing
Ook ziet men een oplossing in de sterilisatie, hetzij van de persoon, hetzij van de daad alleen. Om biologische en eugenetische redenen komen deze beide methoden tegenwoordig steeds meer in zwang en verbreiden zich geleidelijk tengevolge van nieuwe, steeds doeItreffender en gemakkelijker middelen. De reactie van bepaalde groepen van theologen op deze stand van zaken is symptomatisch en zeer verontrustend. Ze manifesteert een afwijking van het zedelijk oordeel, die gelijke tred houdt met een overdreven neiging om de algemeen aanvaarde opvattingen ten gunste van nieuwe technieken te herzien. Deze houding komt voort uit een prijzenswaardige bedoeling, die, als het er om gaat, mensen in nood te helpen, niet te snel nieuwe oplossingsmogelijkheden wil uitsluiten. Maar deze poging tot aanpassing wordt hier op een ongelukkige manier gehanteerd, omdat men bepaalde beginselen verkeerd begrijpt of er een zin of strekking aan geeft, die ze niet kunnen hebben. De H. Stoel komt dan in een situatie, gelijkend op die van de zalige Innocentius XI, die zich meer dan eens genoodzaakt zag, moraalstellingen te veroordelen van theologen, die bezield waren met een onberaden ijver en een weinig verlichte voortvarendheid. (3)

Meermalen reeds hebben wij stelling genomen ten opzichte van de sterilisatie. Wij hebben in hoofdzaak uiteengezet, dat rechtstreekse sterilisatie niet gewettigd wordt door het recht van de mens om over zijn lichaam te beschikken, en dat ze dus niet mag beschouwd worden als een rechtmatige oplossing om de overdracht van ziekelijke erfelijkheid te voorkomen. “Rechtstreekse sterilisatie”, zo zeiden wij op 29 October 1951, “die beoogt, als middel of als doel, de voortplanting onmogelijk te maken, is een ernstige schending van de zedenwet en daarom ongeoorloofd. Ook het staatsgezag heeft geen enkel recht, onder voorwendsel van welke indicatie ook, ze toe te laten, veel minder nog ze voor te schrijven of te doen voltrekken ten nadele van onschuldigen. Dit beginsel vindt men reeds uitgesproken in de encycliek Casti Connubii van Pius XI over het huwelijk. Daarom heeft de H. Stoel, toen een tiental jaren geleden de onvruchtbaarmaking op steeds groter schaal werd toegepast, zich genoodzaakt gezien, uitdrukkelijk en openlijk te verklaren, dat de rechtstreekse onvruchtbaarmaking, hetzij van blijvende, hetzij van tijdelijke aard, van man of vrouw, ongeoorloofd is krachtens de natuurwet, waarvan zelfs de Kerk, zoals gij weet, niet kan ontslaan.” (4)

Onder rechtstreekse sterilisatie verstonden wij de handelingen van degene, die de opzet heeft, als doelof als middel, de voortplanting onmogelijk te maken; maar wij passen deze term niet toe op elke handeling, die feitelijk de voortplanting onmogelijk maakt. De mens nl. beoogt niet altijd datgene te doen, wat uit zijn daad voortvloeit, zelfs als hij dit voorziet. Zo zal bijv. het wegnemen van zieke eierstokken tot noodzakelijk gevolg hebben, dat de voortplanting onmogelijk wordt, zonder dat deze onmogelijkheid, als doel of als middel, gewild behoeft te zijn. Wij hebben deze zelfde verklaringen meer in details herhaald in onze toespraak van 8 October 1953 tot het congres van de urologen. (5) Dezelfde beginselen zijn ook van toepassing op het geval, dat wij nu bespreken, en ze verbieden, als ongeoorloofd, het wegnemen van de geslachtsklieren of de geslachtsorganen, met het doel om de overdracht van ziekelijke erfelijke eigenschappen te voorkomen.

4. Het gebruik van bepaalde pillen
Door deze beginselen wordt het ook mogelijk, een kwestie op te lossen, die tegenwoordig bij artsen en moralisten sterk bediscussieerd wordt: Is het geoorloofd de ovulatie te verhinderen door het gebruik van pillen die als geneesmiddel dienen voor heftige reacties van de uterus en het organisme, ofschoon dit middel door de ovulatie te verhinderen de bevruchting onmogelijk maakt? Is dit geneesmiddel geoorloofd voor de getrouwde vrouw die ondanks tijdeliike onvruchtbaarheid. het verkeer met haar man verlangt? Het antwoord hangt af van de bedoeling van de persoon. Als de vrouw dit geneesmiddel neemt niet met de bedoeling om de conceptie te verhinderen, maar alleen op advies van de arts als een noodzakelijk geneesmiddel voor een ziekte van de uterus of het organisme, dan veroorzaakt zij een indirecte sterilisatië; die, volgens het algemeen beginsel van de handelingen met twee effecten, geoorloofd blijft. Maar men veroorzaakt een direkte en dus oongeorloofde sterilisatie als men de ovulatie tegenhoudt met het doel om de uterus en het organisme te behoeden voor de gevolgen van en zwangerschap, die ze niet kunnen verdragen. Sommige moralisten zeggen dat het geoorloofd is met dit doel geneesmiddelen te nemen, maar ten onrechte. Ook moet men de mening van verschillende medici en moralisten afwijzen, die het gebruik ervan toestaan, wanneer een medische indicatie een al te spoedige conceptie ongewenst maakt of in andere dergelijke gevallen die wij hier niet kunnen vermelden.In deze gevallen heeft het gebruik van de geneesmiddelen tot doel, de conceptie te verhinderen; het gaat hier dus over directe sterilisatie.

Om deze mening te rechtvaardigen, haalt men soms een moraalprinciep aan, dat op zichzelf wel juist is, maar dat verkeerd geïnterpreteerd wordt: “licet corrigere defectus naturae; men mag de gebreken van de natuur verbeteren”, zo zegt men en omdat voor de toepassing van dit beginsel in de praktijk voldoende is dat men een redelijke waarschijnlijkheid heeft, beweert men dat het hier gaat om corrigeren van een natuurlijk gebrek. Als dit beginsel absolute waarde zou hebben, dan zou de eugenetiek zonder aarzelen de methoden van geneesmiddelen mogen benutten om de overbrenging van een ongunstige erfelijkheid te voorkomen. Maar men moet ook zien op welke manier men het natuurlijk gebrek corrigeert en men moet oppassen, dat men geen andere moraalprinciepen schendt.

5. Het gebruik van voorbehoedmiddelen
Vervolgens stelt men, als middel om het overbren. gen van een ziekelijke erfelijkheid te voorkomen, ook voor: het gebruik van voorbehoedmiddelen en de methode Ogino-Knaus. Specialisten in de eugenetiek, die het gebruik ervan absoluut veroordelen, als het er eenvoudig om gaat, aan de hartstochten vrij spel te laten, keuren beide systemen goed, wanneer er ernstige hygiënische indicaties bestaan; zij beschouwen ze als een minder kwaad dan het voortbrengen van erfelijk belaste kinderen. Al keuren sommigen dit standpunt goed, het christendom heeft een andere traditie gevolgd en blijft die volgen. Onze voorganger Pius XI heeft deze plechtig uiteengezet in zijn encycliek Casti Connubii van 31 december 1930. Hij noemt het gebruik van voorbehoedmiddelen een schending van de natuurwet; een daad, waaraan de natuur het vermogen heeft gegeven, nieuw leven te verwekken, wordt daarvan beroofd door de menselijke wil. “Ieder huwelijksgebruik”, zo schreef hij, “bij welks uitoefening de handeling door opzettelijk menselijk ingrijpen beroofd wordt van haar natuurlijke krachten om leven voort te brengen, is een inbreuk op de wet van God en de wet van de natuur, en wie zich daaraan schuldig maken, bezoedelen zich met de smet van zware zonde.” (6)

6. De methode Ogino-Knaus
Daarentegen schendt het benutten van de natuurlijke tijdelijke onvruchtbaarheid, volgens de methode Ogino-Knaus, niet de natuurlijke orde, gelijk de boven beschreven praktijk, want de echtelijke omgang be, antwoordt aan de wil van de Schepper. Wanneer deze methode wordt aangewend om naar verhouding ernstige motieven (en eugenetische indicaties kunnen van ernstige aard zijn), is zij moreel gerechtvaardigd. Wij hebben er reeds over gesproken in onze toespraak van 29 October 1951, niet om het biologisch of medisch standpunt uiteen te zetten, maar om een eind te ma. ken aan de gewetensangsten van veel christenen, die ze in hun huwelijksleven toepasten. Trouwens, Pius XI had reeds in zijn encycliek van 31 December 1930 het beginsel geformuleerd: “Ook mag men de beschuldiging van tegennatuurlijk handelen niet uitspreken tegen echtgenoten, die op de juiste en natuurlijke wijze van hun recht gebruik maken, al kan daaruit door natuurlijke oorzaken, gelegen in de tijd of in een of andere onregelmatigheid, geen nieuw leven ontstaan.” (7)

Wij hebben in onze toespraak van 1951 nader uiteengezet, dat de echtgenoten; die van hun huwelijksrechten gebruik maken, de positieve plicht hebben krachtens de natuurwet, die eigen is aan hun staat, de voortplanting niet uit te sluiten. De Schepper heeft nl. Gewild dat het menselijk geslacht zich juist door de natuurlijke uitoefening van de sexuele functie zou voortplanten. Maar op deze positieve wet hebben wij het beginsel toegepast, dat voor alle andere wetten geldt: ze verplichten niet, wanneer de naleving ervan grote lasten meebrengt, die niet onafscheidelijk zijn van de wet zelf en ook niet per se verbonden zijn met de naleving ervan, maar die een andere oorzaak hebben en die de Wetgever dus niet aan de mensen bedoelde op te leggen, toen Hij de wet afkondigde.

7. De adoptie
Het laatste middel, dat wij boven noemden en waarover wij onze mening wilden geven, was dat van de adoptie. Wanneer men de natuurlijke voortplanting, vanwege het gevaar van een belaste erfelijkheid, moet afraden aan echtgenoten, die toch een kind zouden willen hebben, suggereert men hun het systeem van adoptie. Men constateert overigens, dat deze raad in het algemeen gunstige resultaten heeft en aan de ouders het geluk, de vrede en de blijdschap terugschenkt. Vanuit godsdienstig en zedelijk oogpunt levert adoptie geen moeilijkheid op; het is een instituut, dat bij bijna alle beschaafde volken erkend is. Ook al bevatten bepaalde wetten zedelijk onaanvaardbare bepalingen, dan raakt dit toch niet het instituut als zodanig. Vanuit godsdienstig oogpunt moet men verlangen, dat kinderen van katholieken worden aangenomen door katholieke pleegouders; meestal zullen nl. de ouders hun eigen godsdienst opleggen aan hun adoptiefkind.

image_pdfimage_print