Hoofdstuk 1: Johannes Paulus II en de grondslagen van het evangelie van het leven

De waarheid van de handelende persoon
Wojtyla neemt als uitgangspunt voor zijn moraalfilosofisch denken de beschrijving van de morele ervaring, maar wijst tevens op de noodzaak van een objectief dat beslist waarom een handeling moreel goed of slecht is. Hiertoe is een metafysica van het goede noodzakelijk die de morele ervaring verankert in het zijn van de dingen (5).

Door zijn handelen, door middel van een bewuste en gewilde daad, wordt de mens goed of slecht. Het is vooral dit aspect dat Wojtyla in zijn analyse interesseert: ik ben het die dit of dat doe, dit wil zeggen dat ik door een handeling vooreerst mezelf vorm, aangezien ik in een handeling auteur, oorzaak van de handeling ben waardoor er een existentieel verband bestaat tussen de handeling en de moraliteit. “Doorheen de handeling vormt de mens vooral zichzelf” (cf VS, 71). Voor de handelende persoon betekent dit dat de vraag welke soort handeling de handelende persoon voltooit, zich noodzakelijkerwijze stelt. Het betreft hier niet iets uitwendigs, maar de diepgewortelde nood aan voltooiing van zichzelf. Inderdaad, door een moreel goede of een moreel slechte handeling wordt de persoon moreel goed of slecht.

Het klassieke adagium “nihil volitum nisi praecognitum” (niets wordt gewild indien het niet eerst gekend is) stelt dat de wil onderworpen is aan een eerder opgedane kennis. Dit blijkt uit een analyse van de beslissing en de keuze. “Kiezen betekent niet enkel zich richten op één waarde en andere terzijde laten. Het betekent vooral beslissen over objecten die op het niveau van de intentionaliteit gepresenteerd worden aan de wil op basis van een zekere waarheid”. “Het onderworpen zijn aan de waarheid” garandeert de vrijheid als onafhankelijkheid én de zelfbepaling, aangezien de gerichtheid op de waarheid de wil onafhankelijk maakt van de objecten en de wijze waarop ze verschijnen. Bovendien tonen de werkelijkheid van de schuld, de zonde en het morele kwaad in de morele ervaring aan dat de menselijke wil intrinsiek verbonden is met en afhankelijk van de waarheid. De tegenstelling tussen goed en kwaad, waarzonder de moraal niet zou bestaan, vooronderstelt het feit dat de wil zich uitdrukt en realiseert op basis van de vastgestelde waarheid.

De waarheid verkrijgt een “normatieve kracht” in de plicht, de verbinding tussen waarheid en handeling (cf. VS, 61). Zich niet laten leiden door de waarheid, resulteert niet in zelfstandige vormgeving van de persoon, maar in het zich laten leiden door eigen willekeur. “De plicht, dit is het normatieve vermogen van de waarheid in de menselijke persoon, op intieme wijze verbonden met het geweten, toont dat de persoon in het handelen vrij is” (PA, 191). Goed en kwaad tonen zichzelf doorheen de plicht in het geweten als morele waarden. De plicht is een indicator van de vrijheid van de persoon die tussen goed en kwaad kan kiezen. Als dus de persoon doorheen de plicht in het geweten zijn handelen afhankelijk maakt van de waarheid, handelt hij in onvereenstemming met zijn persoonswaarde. Zich afhankelijk maken van de waarheid in de navolging van de plicht is nodig om de eigen onafhankelijkheid als vrije persoon te bewaren en niet uit te leveren aan willekeur. Een totaal willekeurige keuze is onvrij. Juist omdat de natuur van de menselijke persoon gericht is op het goede zoals het zich presenteert aan het verstand, is een vrije keuze mogelijk. De wil kan niet het goede niet willen. Hij is enkel gericht op wat onder het aspect van het goede aan de wil verschijnt. Zelfs een bewuste keuze voor het kwade bevestigt dit. Dan immers levert de persoon zich over aan het kwade, keert hij zich af van het goede waar hij primair naar streeft, waardoor er een verwonding van dit streven ontstaat. De wil is met andere woorden op een natuur – dit streven naar het goede – gebaseerd. Zo wordt ook duidelijk dat een volledige gerichtheid op het Goede geen vernietiging van de vrijheid, maar de vervolmaking ervan is. Tevens wordt duidelijk dat vrijheid als autonomie trouw moet zijn aan de natuur van de persoon en diens streven.

De menselijke persoon is tegelijkertijd subject en object van eigen handelen. De handelingen die ik als subject voltrek, hebben uitwerkingen op mijn persoon als object. Immers, door mijn handelingen word ik goed of slecht. Alleen vanuit een dualisme tussen lichaam en ziel kunnen sommigen een onderscheid maken tussen pre-moreel en moreel. Het menselijk lichaam is echter geen object waarover men naar believen beschikken kan, maar een constitutief onderdeel van de menselijke natuur. Dezelfde waarheid, dezelfde waardigheid komt toe aan de lichamelijkheid van de persoon.

Het is inderdaad vanuit het perspectief van de handelende persoon dat we nu kunnen inzien dat de rol van het lichaam een cruciale rol speelt in de zin dat het lichaam (inclusief biologische kenmerken) een integraal onderdeel is van het menselijk wezen (cf. EV, 23). Aan de crisis van de waarheid correspondeert een crisis van de waardigheid in de mate dat het lichaam niet langer beschouwd wordt als een realiteit van de persoon, maar enkel als materialiteit, als een manipuleerbaar instrument (cf. EV 23). Bovendien, als het lichaam enkel een aanhangsel van het bewustzijn is en ik bepaal aan welke bewustzijnstoestanden waardigheid toekom, dan kunnen enkel arbitraire regels opgesteld worden. Maar hoe kan een maatschappij beweren op te komen voor rechtvaardigheid indien de inhoud van wat rechtvaardigheid is berust op arbitraire regels? Een niet-arbitrair fundament transcendeert bepaalde eigenschappen of toestanden. Het persoon zijn is niet een eigenschap die op een bepaald moment ontstaat, maar is de natuur die aan deze processen ten grondslag ligt. Er is dus geen verschil tussen een mens en een persoon.

Besluit
“Slechts de vrijheid, die zich aan de waarheid onderwerpt, leidt de menselijke persoon naar zijn werkelijk goed zijn. Het welzijn van de persoon bestaat erin, zich in de waarheid te bevinden en de waarheid te doen” (VS, 84). De waarheid doen is ons handelen zo organiseren dat het conform is met de (natuurlijk of bovennatuurlijk) gekende waarheid. “Dit vraagt nu en dan buitengewone offers en wordt duur betaald; het kan ook het martelaarschap inhouden” (VS, 102). Het getuigenis van de martelaar als “de meest waarachtige getuige van de waarheid aangaande het bestaan” toont dat de volmaaktheid van de mens niet enkel in het verwerven van abstracte kennis ligt, maar ook “in een levende relatie van vertrouwvolle overgave aan de ander bestaat” (FR, 32). Inderdaad, de verbinding tussen de vrijheid van de mens en de wet van God gaat tot in het hart van de persoon (cf. VS, 54). Dit staat veraf van eender welk legalisme. De verbinding tussen vrijheid en waarheid is in feite een antwoord van de liefde. De vrijheid verwezenlijkt zich immers in de liefde, in de zelfgave. De noodzakelijke harmonie tussen vrijheid en waar¬heid bevindt zich alleen in de liefde, ook als de prijs hiervoor het martelaarschap is.

Noten
1. De Stichting Medische Ethiek verzorgt sinds 1993 voordrachten, colloquia en publicaties. De reeks “Publicaties van de Stichting Medische Ethiek” wordt uitgegeven door Colomba, Oegstgeest.
2. Cf. Romanus Cessario, Introduction to Moral Theology, Washington D.C. 2001.
3. Ook de filosoof dient een onvervalste ethiek te formuleren. De “hete hangijzers” van de katholieke moraal kunnen op strikt wijsgerig gronden naar voren gebracht worden. Het inzicht in deze waarheden is niet voorbehouden aan de gelovige katholiek of de gelovige christen, maar is toegankelijk voor elke weldenkende mens.
4. Ik doe hier vooral een beroep op zijn hoofdwerk, verschenen in het Pools in 1969, in geautoriseerde Italiaanse vertaling: Persona e atto, Città del Vaticano 1982 (PA).
5. Cf. Fides et ratio, 83 en 44. Johannes Paulus II stelde vaak het rationalisme en dualisme, beginnende bij Descartes, tegenover de metafysica en antropologie van Sint-Thomas “voor wie niet het denken beslist over het zijn, maar het zijn, het ‘esse’, over het denken”. Cf. Over de drempel van de hoop, Amsterdam 1994, p. 53; eveneens Memoria e identità, Milano 2005, p. 19-23.

image_pdfimage_print